Grondwet leidt wel tot Europese superstaat

Door Edwin van de Haar

15 april 2005

Hoewel de voorstanders het stellig ontkennen, leidt het grondwettelijk verdrag onlosmakelijk tot de vervolmaking van de Europese ‘superstaat’. Het bestaande takenpakket wordt immers bevestigd en er wordt nog een aantal nieuwe taken toegevoegd. Doordat de EU voor een belangrijk deel zelf kan bepalen of zij beleid voert, slaat de machtsbalans per saldo door naar het Europese niveau. Het is realistisch om te verwachten dat 'de Grondwet' tot in lengte der tijden wordt aangehaald ter legitimatie van zich alsmaar uitbreidend Europees overheidsingrijpen.

Hoewel er veel voordelen aan de Europese integratie zitten moet in navolging van bijvoorbeeld de Amerikaanse hoogleraar John Gillingham, helaas worden vastgesteld dat de Europese integratie is ontaard. De EU heeft steeds meer te zeggen gekregen, op een toegenomen aantal beleidsterreinen. Maar meer zeggenschap staat lang niet altijd gelijk aan beter resultaten, zoals blijkt uit de teleurstellende ervaringen met het Europees landbouwbeleid, het regionaal beleid, het Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, of het Europees Sociaal Fonds. Voorbeelden van beleid dat met goede bedoelingen wordt ingezet, maar –ieder op verschillende wijze – geen, of de verkeerde, uitkomsten heeft.

Ratificering van het grondwettelijk verdrag zorgt ervoor dat het nog moeilijker wordt om de Europese bemoeienis met het leven van de individuele burger terug te dringen. Hoewel het een ‘gewoon’ verdrag betreft, is de politieke psychologie nu van groter belang dan in andere gevallen. De diverse referenda, vooral in landen waar dat anders niet gebeurd, geven aan eventuele ratificatie een groter gewicht. Dit wordt versterkt door de opgeblazen terminologie die in het verdrag gebruikt wordt.

Ratificering van het grondwettelijk verdrag zorgt ervoor dat het nog moeilijker wordt om de Europese bemoeienis met het leven van de individuele burger terug te dringen.
De verdragstekst staat namelijk bol van de vage bewoordingen. Zo dient de EU onder andere ‘de sociale markteconomie', 'sociale vooruitgang' en 'wetenschappelijke en technische vooruitgang' te bevorderen (art. I-3, lid 3). Het open einde karakter van dergelijke formuleringen is duidelijk. Recente ervaringen met verschillende maatregelen om de Europese economie te stimuleren, zoals het stabiliteitspact, het Lissabon-proces en de dienstenrichtlijn, maken duidelijk dat dergelijke vage terminologie regeringsleiders volop gelegenheid biedt om noodzakelijke hervormingen van de verzorgingsstaat naar eigen goeddunken te frustreren. Of, als dat beter uitkomt, juist om meer EU-bemoeienis te bepleiten. Het enthousiasme van de Nederlandse regering over een Europese markt voor gezondheidszorg dient bijvoorbeeld vooral te worden gezien in het licht van het eigen onvermogen de wachtlijsten aan te pakken.

Het grondwettelijk verdrag voorziet de EU van meer invloed dan de voorstanders ons willen doen geloven. Naast een klein aantal exclusieve bevoegdheden en veel coördinatie- of ondersteuningstaken, worden met de lidstaten gedeelde bevoegdheden onderscheiden. Voor de uitoefening hiervan zijn de lidstaten afhankelijk van de EU (art. I-12, lid 2). Dit heeft grote gevolgen, want het betreft een aanzienlijk aantal beleidsterreinen, waarop de EU dikwijls doorslaggevende invloed uitoefent. Het gaat niet alleen om de interne markt, maar bijvoorbeeld ook om een deel van het sociaal beleid, gezondheidszorg, onderzoek en ontwikkelingssamenwerking. Voorts gaat de EU het economisch en werkgelegenheidsbeleid coördineren (art. I-15) en is zij bevoegd om ‘ondersteunend, coördinerend of aanvullend op te treden voor de Europese dimensie van de bescherming en verbetering van de volksgezondheid; industrie; cultuur; toerisme; onderwijs, jeugd, sport en beroepsopleiding; civiele bescherming en administratieve samenwerking’ (art. I-17. Mocht het verdrag niet toereikend zijn, dan hebben lidstaten de mogelijkheid op andere terreinen 'nauwer' te gaan samenwerken (art. I-44), of gebruik te maken van de flexibiliteitsclausule (art I-18), die de introductie van nieuwe Europese taken mogelijk maakt. Doordat de Europese wetgever geen gevolg hoeft te gegeven aan de bezwaren die mogelijk volgen uit de nieuwe ‘subsidiariteitstoets’ van de nationale parlementen hoeft daar geen disciplinerende werking van verwacht te worden.

De geschiedenis van de Europese integratie laat zien dat er zelden taken worden afgestoten maar er, zoals de huidige PvdA-Europarlementariër Dorette Corbey in haar proefschrift aantoonde, wel vaak sprake is van voortdurende uitbreiding van EU-bemoeienis op aan elkaar grenzende beleidsterreinen. Het voorliggende verdrag maakt nog eens duidelijk dat de EU al hard op weg is om een Europese superstaat te worden, met grote bevoegdheden en alomvattende invloed op ons dagelijks leven. Het grondwettelijk verdrag stimuleert en faciliteert deze ontwikkeling. Beleid dat eenmaal Europees is geworden is schier onmogelijk te renationaliseren. De invloed van de individuele burger hierop is tot dusver minimaal geweest. Alleen een stem tegen het grondwettelijk verdrag kan deze ontwikkeling nog keren.

Edwin van de Haar

Een licht bewerkte versie van dit artikel stond 15 april 2005 in het dagblad Trouw.

Over de auteur

Edwin van de Haar (1971) is politicoloog. Momenteel is hij werkzaam als universitair docent internationale betrekkingen aan Ateneo de Manila University in de Filipijnen.

In 2008 promoveerde hij aan de Universiteit Maastricht op een proefschrift over het klassieke liberalisme en internationale betrekkingen. Hij behaalde Masters-graden in internationale betrekkingen aan de London School of Economics and Political Science en in politicologie aan de Universiteit Leiden. 

Van zijn hand is het boek Classical Liberalism and International Relations Theory. Hume, Smith, Mises, and Hayek,New York en Basingstoke: Palgave Macmillan (september 2009).

Van de Haar schrijft regelmatig over de Filipijnen voor de buitenlandrubriek van Elsevier en publiceerde tientallen artikelen en geschriften over het liberalisme, de internationale betrekkingen, politieke theorie en de Nederlandse politiek.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl