“Achter de meeste argumenten tegen de vrije markt ligt een gebrek aan geloof in vrijheid zelf.”
Milton Friedman

Hoe veroorzaakt geldcreatie 'business cycles'?

Door Geld & Inflatie FAQ

30 oktober 2008

Over de relatie tussen centrale banken en recessies.

De creatie van geld veroorzaakt kunstmatige bubbels op de aandelen- en huizenmarkt die enkel in recessies kunnen eindigen.

Van zeepbel naar recessie
Inflatie bestaat uit prijsstijgingen. Maar niet alle prijzen stijgen even veel en op hetzelfde moment. Dit komt omdat de aanleiding van de inflatie, het bijgedrukte geld, de economie niet gelijkmatig treft maar eerst alleen op bepaalde plaatsen.

De nieuwe investeringsprojecten en de hogere aandelenprijzen zijn “zeepbelinvesteringen” en “zeepbelprijzen" die afhankelijk zijn van een verdere geldinjectie in het economisch systeem.
Eerder zagen we dat het bijgedrukte geld in de regel eerst bij de banken terecht komt. De banken en hun clientéle aan wie het bijgedrukte geld uitgeleend wordt, gaan dit extra geld vervolgens beleggen in onder andere aandelen. Het extra geld dat aan de aandelen uitgegeven wordt, zal de prijzen ervan opdrijven. Voor bedrijven zijn de stijgende aandelenprijzen aanleiding om nieuwe aandelen uit te gaan geven, omdat ze hierdoor makkelijk veel geld binnen kunnen halen om nieuwe investeringsprojecten mee te financieren.

Maar niet alleen via de aandelenmarkt, ook op andere manieren komt het extra geld terecht bij nieuwe investeringsprojecten. Bijvoorbeeld als de banken of hun clientéle er nieuwe obligaties (overdraagbare leningen aan bedrijven) mee kopen of als de banken het onderhands uitlenen aan investeerders. Dit laatste gebeurt vooral bij kleinere ondernemingen die geen aandelen of obligaties uitgeven.

De nieuwe investeringsprojecten en de hogere aandelenprijzen zijn echter “zeepbelinvesteringen” en “zeepbelprijzen.” Ze zijn namelijk afhankelijk van een verdere geldinjectie in het economisch systeem. Want als het bijgedrukte geld uitgegeven wordt aan de investeringsprojecten, verdwijnt het uit de handen van de investeerders door uitbetaald te worden aan aanleverende producenten en aan de arbeiders die werken aan de projecten (denk aan de bouw van machines, fabrieken, gebouwen).

Het bijgedrukte geld verspreidt zich geleidelijk over de rest van de economie, waardoor de investeerders geen “extra geld” meer hebben ten opzichte van de rest van de economie. Hierdoor komt de voortgang van de investeringsprojecten in gevaar, aangezien deze projecten mogelijk werden doordat de investeerders met het extra geld productiemiddelen en arbeiders naar zich toe konden trekken ten koste van andere (niet-investerende) producenten.


Om de zeepbeleconomie voortgang te laten vinden, zal er een nieuwe geldinjectie van de centrale bank in het bankensysteem moeten plaats vinden. In de regel gebeurt dat ook voor een aantal jaar, maar wanneer de geldinjectie op een gegeven moment ophoudt of in omvang vermindert - meestal omdat de centrale bank vindt dat de inflatie of de zeepbel op de aandelenmarkt uit de hand loopt - dan is er een probleem.

Veel investeerders waren nog niet klaar met hun investeringsprojecten of waren inmiddels al weer met nieuwe projecten begonnen. Deze projecten kunnen niet afgemaakt worden met het gevolg dat de eraan werkende arbeiders ontslagen worden. Ook gaan de beurskoersen omlaag, nu blijkt dat de investeringsprojecten van veel bedrijven geen rendement meer op gaan leveren. Met de lagere productie, de oplopende werkloosheid, en de dalende beurskoerzen is er sprake van een recessie.

Wanneer de geldinjectie op een gegeven moment ophoudt of in omvang vermindert, kunnen investeringsprojecten niet meer afgemaakt worden en ontstaat er een recessie.
Via de gedupeerde beleggers, producenten en arbeiders die betrokken waren bij de stilgezette investeringsprojecten, verspreidt de recessie zich naar de rest van de economie, bijvoorbeeld via hun lagere vraag naar kantoorartikelen en luxe consumptiegoederen. Door dergelijke "rimpelingeffecten" worden steeds meer sectoren en bedrijven bij de recessie betrokken, zij het in een afnemende mate naarmate zij verder van de investeringsprojecten afstaan. Wat feitelijk gebeurt, is dat de geldinjectie het uitgavenpatroon, en daardoor ook het productieapparaat, misvormd heeft en dat een deel van dat productieapparaat (als het ware het zeepbelgedeelte) nu niet langer levensvatbaar is.

In de woorden van de Nobelprijslezing van econoom Friedrich Hayek:
De voortdurende injectie van additionele hoeveelheden geld op bepaalde plaatsen in het economische systeem, waar het een tijdelijke vraag creëert die verdwijnt wanneer de toename van de geldhoeveelheid ophoudt of vertraagt, leidt arbeid en andere productiemiddelen naar werkzaamheden die slechts voortgezet kunnen worden zolang als de toename van de geldhoeveelheid doorgaat in hetzelfde tempo –of misschien zelfs slechts zolang als de toename van de geldhoeveelheid doorgaat in een steeds sneller tempo.
Voor het gezond maken van het productieapparaat moet de misvorming erin verwijderd worden en vervangen worden door werkzaamheden die wel vol te houden zijn.
Voor het gezond maken van het productieapparaat moet de misvorming erin verwijderd worden en vervangen worden door werkzaamheden die wel vol te houden zijn - werkzaamheden die niet afhankelijk zijn van een voortdurende geldinjectie maar overeenstemmen met het uitgavenpatroon van de consumenten. Dit noodzaakt tot reorganisaties en faillissementen in het bedrijfsleven, hetgeen samengaat met ontslagen en een voorlopig voorzichtiger aannamebeleid. Hierdoor neemt de werkloosheid verder toe.
Het is belangrijk om te realiseren dat de oorzaak van de recessie niet zozeer een economiebrede uitgavenafname is, maar een abrupte verschuiving van het uitgavenpatroon ten koste van nog onafgeronde investeringsprojecten. Hierdoor kan de overheid eigenlijk niets doen om het economisch herstel te bevorderen. Het productieapparaat moet immers de gelegenheid krijgen om zich weer te richten op het uitgavenpatroon van de consumenten in plaats van daarvan afgeleid te worden door extra uitgaven of andere crisismaatregelen van de overheid. Zulke maatregelen stellen de noodzakelijke aanpassing van het productieapparaat alleen maar uit of vergroten hem juist, waardoor ze contra-productief zijn.

Het probleem is niet zozeer de recessies, maar juist de kunsmatige bubbel die eraan vooraf gingen en die de productiestructuur vervormden.
Naast de genoemde beurs- en investeringszeepbellen kan er door herhaaldelijke geldinjecties ook een zeepbel ontstaan op de huizenmarkt. Een belangrijke groep leners van het nieuwe geld bestaat immers uit mensen die een hypotheek nodig hebben ter financiering van hun eigen huis. Vaak zien we dus dat een zeepbeleconomie samengaat met aanzienlijke prijsstijgingen op de huizenmarkt. Deze zeepbel kan net als die op de aandelenmarkt uit elkaar spatten, maar dit hoeft niet.

In Nederland is het zo dat er sowieso veel vraag is naar het beperkte aanbod van huizen, waardoor de huizenprijzen sowieso de neiging hebben tot stijgen. Alleen tijdens een langdurige recessie, waarin de werkloosheid erg hoog is, zoals in de jaren ’80, zullen de huizenprijzen dan echt gaan dalen. Want dan zijn er relatief weinig mensen, die een (ander) huis gaan kopen. Als de recessie niet zo lang duurt, zoals na de zeepbel van de jaren ’90, dan zal de huizenmarkt eerder een pas-op-de-plaats maken dan ineenstorten.

Dit was het laatste deel van de Geld & Inflatie FAQ.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl