“Under democracy one party always devotes its chief energies to trying to prove that the other party is unfit to rule - and both commonly succeed, and are right.”
H.L. Mencken

Het Duitse economische wonder en de “sociale markteconomie”

Door Richard Ebeling

19 juni 2008

Hoe kon Duitsland zich na de Tweede Wereldoorlog zo snel economisch herstellen? En wat ging er daarna mis?

Deze zomer is het 60 jaar geleden dat het na-oorlogse Duitse “Wirtschaftswunder” begon. Toen de oorlog in Europa in 1945 eindigde, lag Duitsland in puin. De grote steden waren door geallieerde bombardementen en gevechten vernietigd. Miljoenen burgers stierven in de oorlog en miljoenen anderen veranderden in platzakke vluchtelingen. Er was nauwelijks voedsel verkrijgbaar en het grootste deel van de bevolking leed onder hongersnood. 

De Nazi’s hadden een alomvattend systeem van economische controles op prijzen, lonen, en productie doorgevoerd.
De Nazi’s hadden een alomvattend systeem van economische controles op prijzen, lonen, en productie doorgevoerd. Ze hadden de geldpersen gebruikt om grote delen van de kosten van de oorlog te financieren. Dit resulteerde in “onderdrukte” inflatie in de wurggreep van prijscontroles. 

De steeds schaarser wordende goederen werden gerationeerd of verdwenen simpelweg uit de winkels. Tegen de tijd dat Duitsland zich in mei 1945 overgaf, hadden de Nationaal Socialistische versie van de geplande economie, en boven alles de oorlog zelf, Duitsland tot een sociale en economische ineenstorting gebracht. 

Nu werd het land bezet door de vier grote geallieerde machten: de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittanië en Frankrijk.

In de Sovjet-zone werden fabrieken die tijdens de oorlog intact waren gebleven, ontmanteld en naar de Sovjet-Unie vervoerd. Sovjet soldaten terroriseerden de bevolking, en Stalin legde een communistische politieke structuur op. 

De geallieerden hielden in het naoorlogse Duitsland het Nazi systeem van prijs- en productiecontroles in stand.
In de Amerikaanse en de Britse zones werd maar zelden de brutaliteit die de Sovjets kenmerkte toegepast, maar de Duitse bevolking werd wel gezien als “de vijand” aan wie je geen overdadige sympathie en generositeit moest tonen. Daarbij kwam dat het Nazi systeem van prijs- en productiecontroles in stand werd gehouden. 

Een kleine groep van Duitse vrijemarktdenkers had de oorlog overleefd. Een leidende figuur in deze groep was Walter Eucken, een professor aan de Universiteit van Freiburg. Hoewel ze onder het Nazi-regime beperkt werden in wat ze publiekelijk konden zeggen, hadden Eucken en zijn collega’s onder elkaar een netwerk onderhouden met als doel het delen van de ideeën die nodig waren om in het post-Hitler tijdperk dat iedereen ongeduldig aan het afwachten was een vrije markteconomie te vestigen. 

Hoewel ze intellectueel geïsoleerd waren van andere vrije markteconomen buiten Duitsland, bleven ze in hun denken geïnspireerd door klassieke liberalen zoals Ludwig von Mises en Wilhelm Röpke, wiens werk ze lazen en clandestien met elkaar deelden.

Eén van Euckens protégées was een econoom genaamd Ludwig Erhard. Hij werd in 1946 tot minister van economie benoemd in de Amerikaanse zone in Bavaria. Twee jaar lang gebruikte hij zijn positie om markthervormingen te bepleiten. In radiouitzendingen spoorde hij de Duitse bevolking aan om te accepteren dat ze hun huidige tragische omstandigheden aan zichzelf te danken hadden en dat enkel hard werken, sparen en eigen verantwoordelijkheid hun welvaart weer kon herstellen en ze een nieuwe plaats tussen de beschaafde naties van de wereld kon geven. 



In 1948 werden de Britse en de Amerikaanse zones tot één administratieve eenheid gecombineerd, met Erhard als hoofd economische zaken. In juni stelde hij een grote geldhervorming in om zo monetaire stabiliteit terug te brengen en om de inflationaire na-effecten van de Nazi-periode te beëindigen. Niet alleen voerde hij een nieuwe munteenheid in, maar hij deed dit door het reduceren van de geldhoeveelheid. In juni 1948 konden de Duitsers in de Westerse zone tien van hun oude marken inruilen voor één nieuwe mark. 

[In 1948 schaftte Erhard] de prijs-en productiecontroles af.
Vlak hierna introduceerde Erhard het volgende essentiële element van elk succesvol economisch hervormingsproject in: hij schafte de prijs-en productiecontroles af. Op een zondag, toen de geallieerde bezettingsautoriteiten niet op kantoor waren, kondigde Erhard op de radio aan dat vanaf de volgende dag vrijwel alle prijscontroles afgeschaft zouden worden. General Lucius Clay, commandant van de Amerikaanse strijdkrachten in Duitsland, belde Erhard op in zijn kantoor en zei: “Herr Erhard, mijn adviseurs vertellen me dat u een grote vergissing begaat.” Erhard antwoordde: “Luister maar niet naar hen, Generaal. Mijn adviseurs vertellen me precies hetzelfde.” 

Het herstel begint
Goederen die door de bevolking waren opgeslagen en waaraan nu een tekort was, kwamen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn nu ze weer tegen marktpijzen verkocht konden worden. In de tweede helft van 1948 nam de industriële productie met 46 procent toe ten opzichte van het niveau in juni van hetzelfde jaar. En een jaar later, aan het einde van 1949, was de productie 81 procent hoger dan het was toen de hervormingen aangekondigd werden, mid-1948. Nadat de prijzen eerst sterk stegen toen de prijscontroles werden afgeschaft, zorgde de vergrote industriële en landbouwproductie die op de open markt werd verhandeld er aan het einde van 1950 voor dat de kosten voor het levensonderhoud sterk daalden. 

Een jaar later na de afschaffing van de prijs- en productiecontroles was de productie met 81 procent gestegen.
Het pad van Duitslands economisch herstel zorgde er tot ver in de jaren ’60 voor dat het groeitempo in productie en productiviteit ver boven het niveau lag van dat van vrijwel elk ander West-Europees land, inclusief de landen die, zoals Groot-Brittanië, de overwinnaars van de oorlog waren.

De hervormingen zorgden voor dit economische wonder omdat ze de slechtste institutionele kenmerken van het centraal geplande Nazi-regime elimineerden. Maar West-Europa werd niet getransformeerd tot een vrije marktsamenleving. Haar intellectuele architecten, waaronder Walter Eucken, Wilhelm Röpke, en Ludwig Erhard waren voorstanders van een “middenweg” tussen een vrije markt en een socialistische planeconomie. 

Ze geloofden dat een grote verzorgingsstaat, “de sociale markteconomie”, noodzakelijk en wenselijk was om te zorgen voor sociale harmonie. Ze stelden dat de overheid de grootte en samenstelling van grote ondernemingen moest reguleren. Ze steunden stedelijke en landelijke planning. En ze introduceerden een systeem van “co-determinatie” waaronder alle grote ondernemingen en corporaties wettelijk verplicht werden vertegenwoordigers van vakbonden op te nemen in hun beslissingsorganen.

Dus vanaf het eerste begin was de institutionele orde in het na-oorlogse Duitsland er een die de deur opende voor de politiek van belangengroeperingen, verplichte inkomensherverdeling, afpersing van ondernemingen door vakbonden, en een algemene cultuur van politiek paternalisme. 

De werkelijke aard van het systeem werd inzichtelijk uitgelegd door Ludwig von Mises:

“De voorstanders van de meest recente variatie op interventionisme, de “Duitse sociale markteconomie” benadrukken dat zij de markteconomie als het best mogelijke en meest wenselijke systeem van de economische organisatie van de maatschappij zien. […] [Maar] het is noodzakelijk, stellen ze, dat de overheid zich bemoeit met de markt waar en wanneer het “vrije spel van de economische krachten” resulteert in omstandigheden die “sociaal” onwenselijk lijken. […] Als het tot de legitieme taken van de overheid behoort om te beslissen of bepaalde omstandigheden in de economie overheidsingrijpen rechtvaardigen, dan is er geen enkele economische ruimte vrij voor de markt. […] Dit betekent dat de markt vrij is zolang ze precies doet wat de overheid wil dat ze doet.”

De markt is ofwel vrij ofwel onder controle van de overheid. Er is geen middenweg.
Zestig jaar nadat deze Duitse hervormers de “sociale markteconomie” introduceerden, is het duidelijk dat ze enkel de zaden plantten voor nieuwe vormen van overheidscontrole en –corruptie. De markt is ofwel vrij ofwel onder controle van de overheid. Individuen zijn ofwel vrije personen die vreedzaam hun levens mogen leiden en mogen omgaan met andere mensen door vrijwillige handel, of ze zijn pionnen op een politiek schaakbord, klaar om gemanipuleerd en gestuurd te worden wanneer hun acties niet overeenkomen met wat diegenen die aan de macht zijn, eisen.

Er is geen middenweg. 

Richard Ebeling

Dit artikel verscheen eerder in The Freeman. Vertaling voor MeerVrijheid door Koen Swinkels.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl