A Mencken Chrestomathy

Door Karel Beckman

2 maart 2002

Recensie door Karel Beckman: A Mencken Chrestomathy, His Own Selection of his Choicest Writings, New York, 1982 (oorspronkelijk gepubliceerd in 1949). H.L. Mencken: een kruising tussen Friedrich Nietzsche, Karel van 't Reve en Theo van Gogh. Nietzsche met een sigaar Vaak was ik de naam tegengekomen, nooit was ik er toegekomen om eens een boek te lezen van H.L. Mencken. Een Amerikaanse journalist uit de eerste helft van de 20e eeuw, bij mij vooral bekend vanwege de citatenboeken die hij heeft samengesteld en de vele aforismen die hij de wereld in heeft geslingerd. Sprak me niet zo aan. Na het lezen van A Mencken Chrestomathy weet ik beter en zijn de volgende boeken in bestelling.

Mencken, die in 1956 op 75-jarige leeftijd overleed, was niet alleen geestig en gevat, maar ook verrassend belezen; niet slechts journalist, ook essayist en kunstcriticus. In Nederland lijkt hij misschien nog het meest op iemand als Karel van 't Reve, met het verschil dat Mencken scherper, cynischer en serieuzer was. Als je Mencken leest, heb je het gevoel dat het niet alleen ergens over, maar ook ergens om gaat. Misschien komt dat omdat hij als journalist midden in het leven stond. Ondanks zijn fenomenale literatuurkennis, heeft hij niets van een studeerkamergeleerde. Als hij filosofeert over de doodstraf (waar hij voorstander van is), weet hij waar hij over praat - hij heeft negen executies meegemaakt en voor de krant verslagen. Als hij het over oorlog heeft, baseert hij zich mede op zijn ervaringen als oorlogscorrespondent in Duitsland en Rusland in de Eerste Wereldoorlog. Wanneer hij over Amerikaanse politici schrijft, gaat het over mensen met wie hij in de kroeg heeft gezeten. (Zijn reactie toen hem het nieuws bereikte dat Calvin Coolidge was overleden: "How can they be sure?") Dat Mencken veel meer en over veel meer onderwerpen schreef dan een Karel van 't Reve, komt misschien ook omdat Mencken met het schrijven de kost moest verdienen. Het resultaat is een omvangrijk en fascinerend oeuvre, waaruit hij zelf een selectie maakte voor A Mencken Chrestomathy. (Een chrestomathie is een bloemlezing uit het werk van één auteur. Een veel te moeilijk woord, vonden sommige recensenten, maar die moesten zich dan maar bij simpele literatuur houden, vond Mencken. "Mijn klanten zijn allemaal naar school geweest.") Het boek, dat oorspronkelijk in 1949 verscheen, bevat verslagen die hij schreef voor de kranten in zijn woonplaats Baltimore over beroemde rechtszaken, fundamentalistische kerkdiensten, partijconventies, bokswedstrijden, executies en meer van dat soort leuks, alsmede columns, commentaren en essays die eerder verschenen in destijds geruchtmakende tijdschriften als de Smart Set en American Mercury, waarvan Mencken mede-oprichter en hoofdredacteur was. Zijn favoriete onderwerpen waren muziek, literatuur (hij steunde schrijvers als Sinclair Lewis en Theodore Dreiser en was de eerste die - in de Smart Set - een verhaal van F. Scott Fitzgerald publiceerde), politiek (zijn biografische schetsen van Amerikaanse presidenten zijn juweeltjes), sex, huwelijk, de vrouw (die hij qua intelligentie hoger inschatte dan de man), wetenschap, pseudowetenschap, religie, kwakzalverij en de Amerikaanse taal en cultuur, waar hij geen hoge pet van op had ("Out of the melting pot emerges a race which hates beauty as it hates truth," luidde een van zijn gevleugelde uitspraken.)

Mencken zou je met een modern woord 'politiek incorrect' kunnen noemen, maar eigenlijk denk ik dat er voor hem niet zoiets bestond als het onderscheid tussen 'incorrect' en 'correct'. Er bestond alleen zoiets als zijn mening en die schreef hij op. Voor een lezer in onze tijd is dat soms verwarrend. Wij zijn het niet meer gewend dat iemand zo onomwonden zijn mening verkondigt, zonder rekening te houden met allerlei gevoeligheden. Dat is leerzaam, want hierdoor merk je ineens wat je tegenwoordig allemaal niet meer 'mag' zeggen of denken ? hoeveel zelfcensuur er onbewust door iedereen wordt toegepast. In dit opzicht is Mencken toch van een andere orde dan Karel van 't Reve, die op het eerste gezicht ook wel overkomt als een querulant, maar uiteindelijk toch altijd keurig binnen de grenzen van het sociaal-democratisch-liberale burgermansgedachtegoed blijft; bij wie je altijd de vertrouwde Hollandse lucht van te lang gekookte spruitjes en omgedraaide dubbeltjes blijft ruiken. Bij Mencken ruikt het een stuk smeriger. Naar bloed, zweet en sigaren. In dat opzicht heeft hij meer weg van een Theo van Gogh, maar Theo van Gogh is een straatvechter; Mencken een kruisridder ? een engel der wrake.


Mencken, die sterk beïnvloed was door Nietzsche (hij schreef een boek over de filosofie van Nietzsche en vertaalde diens boek de Anti-Christ in het Engels), beschouwde de mens als een mismaakt, ridicuul, dom, onbeholpen, lelijk, zwak, ijdeltuiterig, lafhartig en labbekakkerig wezen. "All the errors and incompetencies of the Creator reach their climax in man... Hij is de grootste clown van de schepping, de reductio ad absurdum van de levende natuur." (5-6) Mencken verwelkomde de ontdekkingen van de moderne wetenschap, omdat die ons leren dat de mens niet het middelpunt is van het universum, zoals in vroeger tijden was aangenomen, maar niet meer dan een toevallig bijverschijnsel van autonome kosmische processen. In het grote lichaam van de kosmos is de mens niet meer dan een plaatselijke aandoening, vergelijkbaar met een "irritant eczeem" of een "ontsteking van het urinekanaal". (3) Het leven op aarde is "zinloos" en "obsceen". (339) Het enige dat het bestaan op aarde voor Mencken nog een beetje de moeite waard maakte, waren de kunstwerken van een paar genieën ? de Beethovens, Nietzsches en Shakespeares van deze wereld ? en de enige mensen waar hij waardering voor kon opbrengen was de piepkleine 'bovenlaag' van beschaafde lieden die weleens een boek hebben gelezen en langer dan twee seconden hun hersens hebben gebruikt. Voor de grote massa (en daar rekende hij ook groepen bij als zakenlui, politici en professoren) had Mencken niets dan minachting. "De lagere rangen van de mensheid bestaan uit ongeneeslijke schurken .... Fatsoen, zelfbeheersing, rechtvaardigheidsgevoel, moed - deze deugden zijn voorbehouden aan een kleine minderheid." (324) Alle kennis die ooit door mensen is ontdekt, werd aanvankelijk door de meerderheid van het volk ontkend en bestreden; ieder individu die met een nieuw, waardevol idee kwam werd in eerste instantie vervloekt en verketterd als de grootste vijand van de mensheid. (8) Mensen zijn volgens Mencken niet in staat om waarheid van leugen te onderscheiden ? en hebben daar ook helemaal geen behoefte aan. "Voor het overgrote deel van het mensdom is waarheid niet te onderscheiden van hoofdpijn." (149) De gebrekkige geestelijke ontwikkeling van de grote massa blijkt misschien wel het meest uit de infantiele geloofsovertuigingen die de doorsnee homo sapiens erop nahoudt. "In hun puberteit hebben veel mensen, misschien wel de meesten, last van aanvallen van gelovigheid, maar dat wil niets anders zeggen dan dat hun observatievermogen op die leeftijd hun kennis overtreft. Ze ervaren de verwarrende en beangstigende verschijnselen van het leven, maar kunnen ze nog niet verklaren." (70) Hooguit 10% van de mensen slaagt erin om over deze 'geloofsfase' heen te groeien. "De overige 90% kan zich nooit geheel bevrijden van religieuze bijgelovigheden." (70) "Een absoluut gelovig mens" is voor Mencken simpelweg iemand "die het vermogen om helder en realistisch na te denken kwijt is geraakt of nooit heeft bezeten. Hij is niet slechts een ezel; hij is in feite ziek. Erger nog, hij is ongeneeslijk ziek, want teleurstelling, een onontkoombaar fenomeen, heeft geen vat op zijn subjectieve kwaal ... Wat hij in feite zegt, is dit: 'Laten we vertrouwen op God, die ons altijd heeft bedrogen in het verleden.'" (11)

Gezien zijn mensbeeld zal het niet als een verrassing komen dat Mencken, net als Koningin Wilhelmina, een broertje dood had aan democratie. Aangezien de meeste mensen niet in staat zijn om na te denken, zijn ze ook niet in staat om goede leiders of wetgevers te kiezen. Onze democratische regeringsvorm leidt er dan ook onvermijdelijk toe dat we worden geregeerd door opportunisten die zich onderscheiden door hun vermogen "om de bittere realiteit van het leven in te pakken in verband van zachte dromen". (328) Democratische politiek kan daarom nooit iets anders zijn dan "het bewust ontwijken van fundamentele kwesties", "een eeuwige improvisatie, die meeverandert met de ambities van de leiders en de vluchtige en veelal onbegrijpelijke emoties van het grote publiek". (240) Of, zoals een ervaren Washington-ganger het een keer verwoordde tegenover Mencken: "In de politiek moet een mens leren om uit te stijgen boven principes." (152) Het socialisme was nog erger dan de democratie. De filosofie van Marx kwam er op neer dat de weldenkende bovenlaag van de maatschappij "geen enkele deugd bezat en daarom ook geen rechten had - dat de wereld uitsluitend en alleen toebehoorde aan houthakkers en waterdragers." (156) Voor Mencken was een dergelijke redenering het toppunt van democratische domkopperij.


Interessant is dat Mencken zijn Nietzscheaanse minachting voor het gepeupel en zijn afkeer van de democratie combineerde met een sterk geloof in de zegeningen van individuele vrijheid en eigendomsrechten. Het communistische ideaal van collectieve eigendom was volgens hem misplaatst, omdat het in strijd is met de natuur. "Een hond zal een andere hond, die zijn bot pikt, achterna gaan en proberen te grazen te nemen; een aap zal een indringer die zich opdringt aan zijn vrouwen proberen te doden. Dit scherpe en vaak bloedige onderscheid tussen mijn en dijn is niet alleen zichtbaar in zoogdieren, maar ook in dieren van een lagere orde, waaronder vogels, insekten en zelfs vissen. Veel van het tumult dat voorkomt onder mussen en spreeuwen wordt veroorzaakt door conflicten over eigendomsrechten ..." (99) Mencken was een bewonderaar van de Amerikaanse 'Founding Fathers', zoals Thomas Jefferson en George Washington, en van het politieke systeeem dat zij in het leven riepen, gebaseerd op vrijheid en individuele rechten. Hij constateerde echter dat er van dat systeem en van die idealen aan het begin van de 20e eeuw weinig meer over was. "Alle kwakzalvers en oplichters die zich verdringen rond de openbare trog in Washington zijn het over één ding, en ook echt maar over één ding, eens, en dat is dat het kapitalistische systeem op zijn laatste benen loopt, en binnenkort zal worden vervangen door iets nobelers en 'wetenschappelijkers'." (294)

Hij hekelde machtsbeluste politici en presidenten als de twee Roosevelts en Woodrow Wilson die de rechten van het individu aan hun laars lapten. Theodore Roosevelt vergeleek hij met de Duitse Kaiser Wilhelm: "Beide predikten onophoudelijk de plicht van de burger ten opzichte van de staat." (232) Maar Roosevelt was nog erger dan de Kaiser. In een toespraak in Berlijn pleitte de Amerikaanse president "voor een extreem militairisme op een manier die voor sommige Junkers reden moet zijn geweest om een tijdje goed hun neus te snuiten." (233) "Hij (Roosevelt) stond voor een waarlijk Bismarckiaans paternalisme - bijna een Napoleontisch paternalisme - een paternalisme dat zich overal mee bemoeide en alles reguleerde ? van de kolenmijnen en de vleesinpakkers tot en met de spelling van de taal en de rechten van huwelijkspartners ... Toen hij de monopolies aanpakte, was het niet zijn bedoeling om de concurrentie te herstellen, maar om alle particuliere monopolies ondergeschikt te maken aan één groot nationaal monopolie, met zichzelf aan het hoofd." (239) "In zijn hele carrière heeft niemand hem ooit de rechten van de burger horen verdedigen; zijn welsprekendheid besteedde hij altijd aan het uitwijden over de plichten van de burger." (239)

Ook het Amerikaanse hooggerechtshof droeg volgens Mencken bij aan de gestage erosie van de individuele rechten in de Verenigde Staten. Over de 'liberale' opperrechter Holmes, een van de invloedrijkste leden van de Amerikaanse Supreme Court in de eerste helft van de vorige eeuw, had Mencken een vernietigend oordeel. "Hij was van mening dat Congres en Senaat vrij moesten zijn om vrijwel onbeperkt te experimenteren, dat de gerechtshoven aan deze experimenten geen beperkingen moesten stellen tenzij ze duidelijk de uiterste grenzen van de redelijkheid overschreden, en dat alles moest worden opgeofferd aan de autonomie van de wetgevende lichamen, inclusief de grondwet (Bill of Rights). Als dit liberalisme is, dan kan ik alleen maar zeggen dat liberalisme niet meer hetzelfde is als toen ik jong was." (259)

Kenmerkend voor Menckens liberale politieke opvattingen is zijn verdediging van de vrijheid van ieder individu om te geloven wat hij wil en waarin hij wil, ook al is het nog zo'n flauwekul. Hij had geen goed woord over voor mystieke en irrationele theorieën als Christian Science, theosofie en frenologie en had geen boodschap aan de 'alternatieve' geneeswijzen die populair waren in zijn tijd, maar hij verdedigde ieders recht om onzin te verkondigen en om in onzin te geloven. " ... the moment a Christian scientist begins to lose an essential liberty, then all the rest of us begin to lose ours." (343) Gaan er mensen vroegtijdig dood omdat ze geloof hechten aan kwakzalvers en waardeloze therapieën volgen? Dat is dan hun goed recht. (Bovendien, zo voegde hij hier aan toe, wordt op deze manier het gemiddelde IQ van de mensheid alleen maar hoger, wat ook geen kwaad kan.) Maar Mencken onderkende ook de mogelijkheden tot machtsmisbruik die de 'gevestigde' wetenschap met zich meebracht. "De wetenschap zelf," zo verklaarde hij in een artikel uit 1927, "zal (een criticus) nooit vervolgen, maar de kwakzalvers die zich aan de flanken van de wetenschap ophouden, zullen daar op een goede dag misschien wel toe overgaan." (331) Een profetische waarschuwing, want dat is precies wat de communistische Lysenko's, fascistische Mengele's en sommige van hun westerse equivalenten in de jaren dertig en veertig deden.

Mencken mocht dan een lage dunk hebben van van de intellektuele vermogens van theosofen, chiropractors, socialisten, kunstschilders, dichters, politici, professoren, jazzmusici, acteurs, atleten, boeren, en nog een zwikje andere bevolkingsgroepen, het meest verachtte hij de Christelijke fundamentalisten en puriteinen die erop uit waren om het leven van de burger zuur te maken. "Puritanism" werd door Mencken gedefinieerd als "the haunting fear that someone, somewhere may be happy." Een communist kon je nog vergeven, vond Mencken - dat waren meestal lieden die last hadden van hun endocriene klieren of van hun endeldarmen - maar theologen, dat waren gezonde, weldoorvoede mensen zonder lichamelijke afwijkingen - die hadden geen excuus voor het malicieuze gekwek dat ze verkochten. "De merkwaardigste conventie van de ... tijd waar wij in leven is de notie dat religieuze opinies gerespecteerd dienen te worden," (80) verklaarde Mencken ? een conventie waar we in onze tijd ook nog steeds last van hebben. "In een beter georganiseerde wereld zouden (theologen) worden gestegenigd. Maar in de wereld zoals die nu is, wordt van ons verwacht dat we beleefd - zelfs eerbiedig, met open mond - naar hen luisteren." (81) De drooglegging die door de Amerikaanse fundamentalisten over de natie was afgeroepen was wel het beste bewijs voor de volslagen idiotie van wat Mencken beschouwde als een stelletje clowns en bemoeials. (Toen de Democratische Partij op haar Partijconventie in 1932 de drooglegging officieel verwierp, zond Mencken een bericht naar de Baltimore Evening Sun, dat opende met de zin: "Since one o'clock this morning Prohibition has been a fugitive in the remote quagmires of the Bible Belt." 416.)


Mencken bewijst met zijn ideeën dat het mogelijk is om een overtuigd anti-democraat te zijn en tegelijkertijd een individualist en voorstander van rechten en vrijheid. Dat is geen onbelangrijke constatering, want het laat zien dat een Nietzscheaans wereldbeeld niet per se hoeft te leiden tot collectivistische en fascistische politieke ideeën. "De gevaarlijkste persoon, voor iedere overheid," schreef Mencken, "is het individu dat in staat is om zelf over dingen na te denken, zonder acht te slaan op de heersende bijgelovigheden en taboes." (145) Dat is een uitspraak die Hitler nooit zou hebben gedaan.

Mencken was zeker geen grote denker. Hij veegde de vloer aan met conventionele politieke, religieuze en ethische ideeën, maar kwam zelf niet met structurele alternatieven. Hij formuleerde zo nu en dan scherpe inzichten, waarmee hij zijn tijd vooruit was. Zo kwam hij al in 1931 met een primitieve vorm van Thomas Kuhn's theorie uit 1962 over de manier waarop de wetenschap vooruitgang boekt: "In de wetenschappen gaat de hypothese altijd vooraf aan de wet, dat wil zeggen, er worden eerst altijd allerlei gissingen gedaan voordat een nieuw feit wordt vastgesteld ... Nieuwe gegevens worden zelden uit de lucht geplukt; zij worden met vallen en opstaan opgespoord, op basis van boude en listige hypotheses." (329) In andere opzichten was zijn blikveld beperkt. Zo wist hij niet uit te stijgen boven de in zijn tijd gangbare racistische vooroordelen en waren zijn esthetische voorkeuren (hij vond jazzmuziek herrie) soms wel erg behoudend. Zijn visie op de mens vind ik persoonlijk overdreven somber. Dat neemt niet weg dat zijn artikelen bijna altijd de moeite van het lezen waard zijn, en nog altijd een aanzienlijke actuele waarde hebben. Zolang puritanisme en fundamentalisme de vrijheid bedreigen, zal Henry Louis Mencken een baken blijven voor vrijheidsstrijders.

Karel Beckman

N.B. Vertalingen door KB. De nummers tussen haakjes verwijzen naar paginanummers in de paperback-uitvoering uit 1982, uitgegeven door Vintage Books, New York, ISBN-nummer 0-394-75209-0. Het boek is waarschijnlijk eenvoudig te bestellen bij Laissez Faire Books, San Francisco, www.laissezfaire.org.

Uitspraken van H.L. Mencken

"There is in 90% of all men - and in 99% of all Marxists, who value money far beyond its worth, and are always thinking of it and itching for it - an irresistible impulse to crook the knee to wealth, to defer to the power that it carries with it, to see all sorts of superiorities in the man who has it, or is said to have it... the inferior man, at bottom, is afraid to do evil to the man with money; he is even afraid to think evil of him - that is, in any patent and offensive way." (293)

"No man could bring himself to reveal his true character, and, above all, his true limitations as a citizen and a Christian, his true meannesses, his true imbecilities, to his friends, or even to his wife." (325)


"Sin is a dangerous toy in the hands of the virtuous. It should be left to the congenitally sinful, who know when to play with it and when to let it alone. Run a boy through a Presbyterian Sunday-school and you must police him carefully all the rest of his life, for once he slips he is ready for anything." (281)

"No moral man - that is, moral in the Y.M.C.A. sense - has ever painted a picture worth looking at, or written a symphony worth hearing, or a book worth reading ..." (61)

"Faith may be defined briefly as an illogical belief in the occurrence of the improbable." (11)

"Despite the common delusion to the contrary, the philosophy of doubt is far more comforting than that of hope. The doubter escapes the worst penalty of the man of faith and hope; he is never disappointed, and hence never indignant."

"A professor studying the habits of a giraffe ... and confining his observations to specimens in zoos, would inevitably come to the conclusion that the giraffe is a sedentary and melancholy beast, standing immovable for hours at a time and employing an Italian to feed him hay and cabbages." (367)

"What is the thing called health? Simply a state in which the individual happens transiently to be perfectly adapted to his environment. Obviously such states cannot be common, for the environment is in constant flux.... Uninterrupted health is probably possible only to creatures of very simple structure ... History tells us of few really distinguished men who were completely healthy ... Happiness, like health, is probably also only a passing accident. For a moment or two the organism is irritated so little that it is not conscious of it; for the duration of that moment it is happy. Thus a hog is always happier than a man, and a bacillus is happier than a hog." (374-75)

"All the great villainies of history habe been perpetrated by sober men, and chiefly by teetotalers." (389)

"I am against slavery simply because I dislike slaves." (616)

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl