De valkuil van het armoedebeleid

Door Thieu Vaessen

19 november 2003

Inkomenssteun maakt dat het voor mensen met een uitkering vaak niet loont om te gaan werken. De politiek slaagt er niet in dit probleem op te lossen. Dat zal de sociale zekerheid lelijk opbreken.

Hoe sociaal kan een ministerie van Sociale Zaken zijn? Heel erg sociaal. Laten we zeggen: acht op de schaal van Melkert. Zo sociaal dus dat het loont om werkloos thuis te zitten. Want in Nederland hebben mensen in de bijstand een hoger netto-inkomen dan mensen die werken voor het minimumloon. Een uitkeringsgerechtigde die gaat werken, verliest namelijk zoveel voordelen (huursubsidie, teruggave van belastingen, bijzondere bijstand) dat hij per saldo geld inlevert.

Minister De Geus van Sociale Zaken stuurde vorige week een brief aan de Tweede Kamer met nieuwe cijfers over deze zogenoemde armoedeval - het fenomeen dat mensen met een uitkering er in inkomen op achteruitgaan zodra ze gaan werken. En wat blijkt? De armoedeval wordt niet kleiner, hij wordt juist groter. Tenminste, voor een alleenstaande ouder.

Voor de kostwinner van een gezin wordt het iets minder onzinnig om te gaan werken. Het aanvaarden van werk kost een gezin volgend jaar nog maar 461 euro. En een alleenstaande met een uitkering zou in de berekening van Sociale Zaken volgend jaar zelfs beloond worden als hij aan de slag gaat; een jaar werken levert hem dan 438 euro extra op.

Maar het opvallendste is toch wel dat een alleenstaande ouder - lees: de bijstandsmoeder - volgend jaar gemiddeld 941 euro inlevert als hij of zij gaat werken. Nu is dat nog 811 euro. Om de omvang van het fenomeen goed tot ons te laten doordringen, nog even dezelfde cijfers in de vertrouwde gulden: de boete voor een bijstandsmoeder die aan het werk gaat, loopt volgend jaar op van 1784 gulden tot 2070 gulden.

En dat is waarschijnlijk nog een gunstige berekening, want Sociale Zaken heeft geen rekening gehouden met de kosten voor kinderopvang die een werkende ouder maakt. Niettemin zijn bijstandsmoeders met kinderen in de crècheleeftijd - tot vijf jaar - vanaf 1 januari 2004 verplicht om werk te zoeken. Ze zijn dan niet langer ontheven van de sollicitatieplicht.

De Geus en de Tweede Kamer kunnen moeilijk volhouden dat ze zijn overvallen door het fenomeen. Al in de jaren zeventig was duidelijk dat gerichte steun voor de minima werken minder aantrekkelijk maakt. Nadat onder leiding van Ad Melkert het zogenoemde armoedebeleid was geïntroduceerd (mensen met een uitkering kregen allerlei financiële extraatjes die verpaupering moesten voorkomen), bleek het voor ‘de minima’ in veel gevallen zelfs nadelig om te gaan werken. Diverse ministers en alle politieke partijen hebben al eens beloofd een einde te maken aan de armoedeval, maar het nettoresultaat kennen we sinds vorige week: het wordt alleen maar erger.

Dat komt volgens Maarten Allers van de Rijksuniversiteit Groningen doordat er geen duidelijke keuzes worden gemaakt. Allers is in Nederland dé specialist inzake armoedeval. Hij zegt: het is óf de armoedeval bestrijden door te stoppen met ­armoedebeleid, óf een armoedebeleid en dan accepteren dat een uitkeringsgerechtigde inkomen inlevert als hij aan het werk gaat. “Dat is een pijnlijke keuze. En die durft niemand te maken.”

Voordat hij minister werd, maakte Henk Kamp als VVD-Kamerlid een duidelijke keuze. Hij wilde het armoedebeleid afschaffen, te beginnen met de huursubsidie en de bijzondere bijstand. Zijn opvolger Frans Weekers gaat minder ver. “Misschien kan én én, bestrijding van de armoedeval en toch iets van een armoedebeleid. Als het gaat om de armoedeval, is er ook al heel wat bereikt. Vroeger ging iemand er pas op vooruit als hij een salaris van 130 procent van het minimumloon verdiende. Nu is dat al flink verlaagd.”

Het Tweede-Kamerlid dat nog het dichtst bij een harde keuze komt, is Saskia Noorman-den Uyl van de PvdA. Die keuze is dan wel volledig tegengesteld aan die van Henk Kamp. Volgens Noorman is inkomenssteun voor de minima onvermijdelijk. “Anders duwen we mensen echt de armoede in.” En zolang er inkomenssteun is, is het onmogelijk de armoedeval definitief op te lossen. “Dat moeten we niet zo vreselijk vinden.”

Tot dit punt is de discussie in de politiek over de armoedeval nog net te volgen. Ieder verdergaand gesprek met een parlementslid over de aanpak van het probleem verzandt al snel in technische verhandelingen over arbeidskorting, over één loket voor inkomensafhankelijke regelingen, over ‘terugtax’ en meer van dat ellendigs. Kortom: het is niet meer te volgen. De parlementsleden weten het zelf ook. “Het is buitengewoon weerbarstige materie,” zegt Piet de Ruiter van de SP. “Met mij moet je oppassen: ik ben net een omgevallen boekenkast,” zegt Noorman-den Uyl, en we begrijpen dat die kast niet vol staat met aangename romans, zoals De man die werk vond van Herman Brusselmans, maar met de allerverschrikkelijkste naslagwerken.

Telefoonsessies met de belangrijkste woordvoerders in de Tweede Kamer resulteren in de conclusie dat niemand wil kiezen tussen armoedebeleid en armoedeval, precies zoals Maarten Allers voorspelde. “Ik wil niet accepteren dat een armoedebeleid altijd leidt tot een armoedeval,” zegt Myra van Loon van het CDA. En als het tegendeel blijkt - een bijstandsmoeder met jonge kinderen die op jaarbasis 2000 gulden inlevert als ze verplicht aan het werk is gezet - zijn alle parlementsleden even verontwaardigd. “Hier ga ik zeker vragen over stellen,” zegt Van Loon. “Het is geschift,” zegt Noorman.

De oplossingen die de meeste partijen voorstellen, komen neer op het invoeren van een glijdende schaal. Daarbij verliest iemand die gaat werken heel geleidelijk alle financiële extraatjes, of hij wordt voor dat verlies gecompenseerd door de belastingdienst. Naarmate de voormalige uitkeringsgerechtigde meer gaat verdienen, raakt hij alsnog de voordelen stapsgewijs kwijt. In het gedachtegoed van de SP ligt de grens bijvoorbeeld op anderhalf keer het minimumloon. Dan is geen inkomenssteun meer nodig.

Het nadeel van dit soort constructies is dat de armoedeval wordt ‘verplaatst’ naar iets hogere inkomensgroepen. Voor degenen die dan net iets meer verdienen dan het minimumloon, heeft het weinig zin om meer uren te werken of een carrièrestapje te maken, omdat zij dan alsnog de financiële voordelen van het minimumbestaan verspelen. “Het kan niet de bedoeling zijn mensen uit de uitkering te halen om ze vervolgens op te sluiten onder in het loongebouw,” meent Allers.

Aan dat bezwaar wordt in het parlement niet zo zwaar getild, daar zijn de Tweede-Kamerleden het wel over eens. De meeste partijen vinden het prima om de armoedeval te verplaatsen naar iets hogere inkomensgroepen, maar het probleem is dat ze het niet eens kunnen worden over de manier waarop dat moet gebeuren.

De techniek van het uitkeringsstelsel en het armoedebeleid in Nederland is zo ingewikkeld geworden, dat ook parlement en regering erin verdwalen. Als de politiek voor het overzichtelijke probleem van de armoedeval al geen oplossing vindt, en daar wijst alles op, is de consequentie op langere termijn dat een veel ingrijpender herziening van het sociale-zekerheidsstelsel noodzakelijk is. Vroeg of laat krijgt Henk Kamp dan alsnog zijn zin.

Thieu Vaessen

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl