“Under democracy one party always devotes its chief energies to trying to prove that the other party is unfit to rule - and both commonly succeed, and are right.”
H.L. Mencken

De mythe van publiek eigendom

Door Murray Rothbard

10 november 2003

We horen vaak over "publiek" eigendom. Wanneer de overheid eigendom in bezit heeft of een bedrijf leidt wordt het beschouwd als "gemeenschappelijk eigendom".

Wanneer natuurlijke hulpbronnen worden verkocht of gegeven aan particuliere bedrijven vernemen wij dat het "publieke domein" is "weggegeven" aan beperkte private belangen. De conclusie luidt dan dat wanneer de overheid iets in bezit heeft, "wij" - alle leden van het publiek - gelijke delen bezitten van dat eigendom. In tegenstelling tot deze brede verspreiding staan de beperkte, onbelangrijke belangen van louter "privaat" bezit.

De gelijkstelling van overheid en publiek is echter volledig verkeerd. Eigendom is de ultieme controle over een bezit. De eigenaar van een bezit voert de ultieme regie, ongeacht gerechtelijke waanideeën die het tegendeel beweren.

In een volledig vrije samenleving zouden hulpbronnen die niet schaars zijn, maar juist overvloedig beschikbaar zijn, niet toegeëigend worden. Schaarse hulpbronnen zouden echter eigendom zijn volgens de volgende principes: zelfbeschikking van elk individu door hemzelf; zelfbeschikking van iemands gecreëerde of getransformeerde bezit; het eerste eigendom van land dat voorheen niet in bezit was door de eerste gebruiker of bewerker. Overheidsbezit betekent simpelweg dat de regerende ambtenaren het eigendom bezitten. De topbestuurders zijn diegenen die het gebruik van het bezit sturen, en zij bezitten het daarom.

 Het "publiek" bezit geen enkel deel. Elke burger die dit betwijfelt mag proberen zijn zogenaamde deel van het publiek eigendom in bezit te nemen om vervolgens zijn zaak voor de rechter te verdedigen. Je zou kunnen tegenwerpen dat individuele aandeelhouders van bedrijven dit evenmin kunnen. Volgens de regels van het bedrijf is het een aandeelhouder van General Motors niet toegestaan om een auto uit de fabriek te nemen in plaats van dividend of in ruil voor zijn aandelen.

Het "publiek" bezit geen enkel deel. Elke burger die dit betwijfelt mag proberen zijn zogenaamde deel van het publiek eigendom in bezit te nemen om vervolgens zijn zaak voor de rechter te verdedigen.

 

Maar aandeelhouders bezitten wel hun bedrijf, en het volgende voorbeeld toont dat aan. Want de aandeelhouder kan via het contract zijn inbreng in het bedrijf loslaten; hij kan zijn aandelen in General Motors verkopen aan iemand anders. De onderdaan van een overheid kan zijn deel van de overheid niet verkopen. Hij kan zijn "aandelen" in de PTT niet verkopen omdat hij die niet heeft. Zoals F.A. Harper bondig stelde: "Het gevolg van het eigendomsrecht is het recht om dat eigendom af te staan. Dus als ik iets niet kan verkopen is het duidelijk dat ik het niet werkelijk bezit."

Ongeacht de vorm van overheid zijn de heersers de werkelijke eigenaren van het eigendom. Echter, in een democratie, of, op de lange termijn onder elke vorm van overheid, zijn de heersers van voorbijgaande aard. Zij kunnen altijd de verkiezingen verliezen of worden omvergeworpen door een coup d'etat.

Daarom ziet geen enkele overheidsbestuurder zichzelf als meer dan een tijdelijke eigenaar. Met als resultaat dat, waar een particuliere eigenaar die zeker is van zijn eigendom en over de kapitaalwaarde beschikt, het voornemens is te gebruiken over een lange periode, een overheidsbestuurder het eigendom zo snel als hij kan moet uitmelken aangezien hij niet de zekerheid heeft van eigendom. Zelfs de reeds lang dienende ambtenaar moet hetzelfde doen aangezien geen enkele overheidsvertegenwoordiger de kapitaalwaarde van zijn eigendom kan verkopen zoals particuliere eigenaren dat kunnen.

Kortom, overheidsvertegenwoordigers bezitten het gebruik van de middelen maar niet de kapitaalwaarde ervan (behalve in het geval van "particulier eigendom" van een monarch via erfopvolging). Wanneer alleen het huidige gebruik kan worden bezeten, maar niet het middel zelf, zal dat spoedig leiden tot oneconomische uitputting van de middelen, aangezien het in niemands voordeel is het te bewaren over een lange periode en in ieders voordeel is om het zo snel als mogelijk op te gebruiken. Op dezelfde manier zullen overheidsvertegenwoordigers hun eigendom zo snel mogelijk consumeren.

Het is opmerkelijk dat bijna alle schrijvers het idee napraten dat particuliere eigenaren, omdat ze over een tijdspreferentie beschikken, op "korte termijn denken", terwijl alleen overheidsdienaren de lange termijn in acht kunnen nemen en zo eigendommen kunnen toewijzen ten gunste van het "algemene welzijn.

De werkelijkheid is exact het tegenovergestelde. De particulier die zeker is van zijn eigendom en de kapitaalwaarde ervan kan op de lange termijn denken omdat hij de kapitaalwaarde ervan wil behouden. Het is juist de overheidsvertegenwoordiger die moet pakken en wegwezen, die het eigendom moet plunderen zolang hij nog het beheer erover heeft.
 

Vertaald door Meervrijheid uit "Power and market" van Murray Rothbard. Pagina 187 - 189.

Over de auteur

Murray N. Rothbard (1926–1995) was econoom, historicus en filosoof. Hij was de grondlegger van het moderne libertarisme en de voornaamste woordvoerder van de Oostenrijkse School binnen de economie.

Rothbard was de auteur van The Ethics of Liberty en For a New Liberty en een scala van boeken en artikelen. Hij was ook academisch vice-president van het Ludwig von Mises Institute en The Center for Libertarian Studies. Samen met Lew Rockwell was hij de hoofdredacteur van The Rothbard-Rockwell Report.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl