Politieke correctheid in Nederland

Door Mark van Wonderen

19 oktober 2004

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd het denkklimaat in Nederland bepaald door de 'jarenzestiggeneratie'. Binnen dat klimaat gold het als ongepast iets in de weg te leggen aan de vrijheid en autonomie van individuele burgers. Ook de overheid hoorde zich, behalve als verstrekker van uitkeringen en subsidies, uiterst terughoudend op te stellen. Niet alleen in de privé-sfeer maar ook in het openbaar domein.

Op gevoelige gebieden als overheidsdwang, privacy en etnische minderheden raakte het openbaar debat in de ban van krachtige taboes. Deze taboes waren opgekomen in de jaren zestig van de twintigste eeuw, maar wonnen in de jaren zeventig en tachtig nog aan reikwijdte en intensiteit. Zij bleven zo lang het denkklimaat beheersen dat ze hun weerslag vonden in wetten en beleid. Berichten over onbedoelde bijwerkingen van deze taboes verdwenen onder tafel, ook toen het er naar uit begon te zien dat vooral zwakkere groepen door zulke bijwerkingen werden getroffen. De tijd was nog niet rijp om gegevens te onthullen over grootscheepse uitkeringsmisbruik of criminaliteit onder bepaalde etnische groepen. Vuijsje (1997, p.10) vergelijkt de situatie in de jaren zeventig en tachtig met een 'sur place in een wielerwedstrijd, waarbij renners bewegingloos op een baan staan, balancerend en elkaar beloerend. Niemand durft als eerste in beweging te komen, maar zodra er een rijdt, moet iedereen mee. Pas in de jaren negentig was het zover: een plotselinge en wilde sprint brak los, waarbij al gauw de onaantastbaarheid van alle nieuwe geboden werd doorbroken.'

Er is geen alles verklarende oorzaak aan te geven voor de politieke correctheid in Nederland, maar er is sprake van een samenstel van ontwikkelingen die zich tegelijkertijd voordeden en elkaar versterkten.

In Nederland biedt het verleden veel minder dan in bijvoorbeeld Duitsland aanleiding tot een sterke preoccupatie met racisme en staatsdwang. De democratie is in Nederland vrijwel nooit van binnenuit bedreigd en gevallen van collectieve vervolging van vreemdelingen hebben zich binnen onze landsgrenzen niet voorgedaan (Vuijsje, 1997). Maar voor de geboortegolfgeneratie, die nu de heersende moraal grotendeels bepaalt, vormt de oorlog het belangrijkste morele ijkpunt. Vanaf het moment dat ze midden jaren tachtig op gang begonnen te komen, hebben discussies over de multiculturele samenleving, rassenrelaties, illegalen, asielzoekers enz, zich afgespeeld 'in de slagschaduw van Auschwitz.' (Kuitenbrouwer, 1998, p.58). De enige manier om aannemelijk te maken dat je in het verleden aan de goede kant van de streep zou hebben gestaan, is door in elk geval in het heden de juiste positie te kiezen, en de wereld daar kond van te doen. Van alle denkbare overtredingen van het nieuwe gebod zijn die op grond van ras of etnische achtergrond veruit de meest strafbare. De naoorlogse oplossing voor de toegenomen verlegenheid was: zwijgen.

De links-libertaire stroming die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de publieke opinie is gaan domineren, bleek net zo intolerant ten opzichte van afwijkende meningen als de beweging die ze zo hard had bevochten. Taboes op het gebied van religie en seksualiteit werden doorbroken, nieuwe dogma's kwamen ervoor in de plaats.

Maar welke waren dan de omstandigheden die in Nederland sinds de jaren zestig tot groepscensuur en conformisme leidden? Een plausibele verklaring is geopperd door de publicist Kuitenbrouwer (1998). Volgens hem kan en mag veel in Nederland, maar het eigenaardige is ook dat Nederlanders in die tolerantie en ruimdenkendheid ook weer heel onverdraagzaam en bekrompen kunnen zijn. Nederland heeft namelijk een 'consensuscultuur', een overleg- en vergadertraditie die zowat teruggaat tot de Middeleeuwen en ertoe heeft geleid dat de Nederlandse samenleving 'aan elkaar hangt van conventies'. Aan alle kanten word je aan banden gelegd door de gedachte: 'ik moet rekening houden met die, want daar hangt weer opinie zus vanaf. De sociale druk is groot' (p.10).
Een andere verklaring komt van historicus Von der Dunk (1993). Hij stelt dat de snelle aftakeling van de ideologische verzuiling de Nederlanders heeft achtergelaten in een toestand van innerlijke onzekerheid, waaruit zich een 'angst voor conflicten' heeft ontwikkeld.

De links-libertaire stroming die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de publieke opinie is gaan domineren, bleek net zo intolerant ten opzichte van afwijkende meningen als de beweging die ze zo hard had bevochten. Taboes op het gebied van religie en seksualiteit werden doorbroken, nieuwe dogma's kwamen ervoor in de plaats. Nog altijd domineert de linksprogressieve elite het publieke debat, en die heeft er belang bij om rechtse opinies te taboeïseren en zo in de verdachte hoek te drukken (Kuitenbrouwer, 1998, p.124).

Het is vandaag de dag volgens Kuitenbrouwer (1998) moeilijk voor te stellen, maar niet zo lang geleden was de vrijheid van meningsuiting nog een stokpaardje van progressieve intellectuelen. Het was de tijd waarin journalisten en cabaretiers voor de rechter werden gedaagd omdat ze het koningshuis aanvielen of de spot dreven met het christelijk geloof. Onveranderd werden de overtreders verdedigd met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. De afgelopen jaren waren de rollen omgedraaid: als er iemand werd vervolgd wegens zijn mening, dan kwam de aanklacht onveranderlijk uit progressieve hoek. Theo van Gogh, Propria Cures, Hans Janmaat: allen werden onder luid gejuich van het progressieve volksdeel voor de rechter gedaagd. De vrijheid van meningsuiting, eerst nog een nuttig wapen tegen de reactionaire machthebbers, is voor de linksprogressieven inmiddels een blok aan het been geworden; machthebbers hebben nu eenmaal een hekel aan vrije pers.

Professor S.W. Couwenberg geeft in een artikel in Trouw van 14 oktober 2000 een treffende karakterisering: 'Het is vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum dat men anderen graag de les leest, bovendien nieuwe, nu linkse, taboes introduceert en cultiveert, en als gedachtenpolitie optreedt tegen een ieder die het waagt die taboes ter discussie te stellen. Alles wat afweek van de nieuwe links-libertaire orthodoxie werd als kwalijke rechtse afwijking verdoemd en tot taboe verklaard. De publieke discussie is daardoor jarenlang aan banden gelegd.'

Thans echter, is er sprake van een nieuwe incorrectheid: het meningsklimaat met betrekking tot de multiculturele samenleving leek eind jaren negentig van de vorige eeuw al aan verandering onderhevig, na de aanslagen in de Verenigde Staten van 11 september 2001 en de opkomst van Pim Fortuyn als politicus kan de politieke incorrectheid niet langer genegeerd worden. Deze scriptie heeft als doel te onderzoeken of de politieke incorrectheid de laatste jaren daadwerkelijk aan invloed heeft gewonnen.

Dit is een deel van de afstudeerscriptie communicatiewetenschap Van 'Troetelturk' tot 'Kut-Marokkaan', een studie naar het politiek correcte gehalte van de Nederlandse dagbladen van 1990 tot 2002. Door M. van Wonderen.


Gerelateerde link:
- Bart Croughs

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl