Veroorzaken de 'lage lonen landen' werkloosheid in het Westen?

Door Murray Rothbard

25 september 2003

Een van de vele problemen met de 'lage lonen'-doctrine is dat deze de volgende vraag negeert: waarom zijn lonen in sommige landen laag en hier hoog?

De doctrine beschouwt deze loonsverschillen als gegeven, en vraagt zich niet af waarom ze bestaan.

Simpel gezegd zijn lonen hier hoog omdat de arbeidsproductiviteit hier hoog is--omdat arbeiders geholpen worden door een grote hoeveelheid technologisch geavanceerde kapitaalgoederen. In veel andere landen zijn de lonen laag omdat de hoeveelheid kapitaalgoederen laag is en de technologie primitief: zonder de hulp van kapitaalgoederen is de arbeidsproductiviteit daar maar beperkt. Omdat in elk land de hoogte van de lonen bepaald wordt door de productiviteit van de arbeiders, zijn hoge lonen geen bedreiging voor onze welvaart maar er een gevolg van.

Maar wat dan te denken van bepaalde sectoren in het Westen die chronisch klagen over 'oneerlijke' concurrentie van lage lonen landen? Hier moeten we ons realiseren dat de lonen in de verschillende sectoren en regio's in een land met elkaar verbonden zijn. Alle arbeiders concurreren met elkaar, en als de lonen in sector A veel lager zijn dan die in andere sectoren, dan zullen de arbeiders--aangevoerd door jonge carrièremakers--sector A verlaten, of niet langer meer toetreden tot die sector, maar naar andere bedrijven of sectoren gaan waar de lonen hoger zijn.

De lonen in de klagende sectoren zijn dus hoog omdat ze omhoog geboden zijn door de andere sectoren in het land. Als de staal- en textielfabrikanten in de VS het moeilijk vinden om te concurreren met hun buitenlandse tegenspelers, dan is dat niet omdat de buitenlandse bedrijven lage lonen betalen maar omdat andere Amerikaanse sectoren de lonen tot een dermate hoog niveau hebben opgeboden dat de staal- en textielindustrie ze niet langer kunnen veroorloven. Wat er met andere woorden gebeurd is dat de staal-, textiel- en soortgelijke sectoren arbeid inefficiënt gebruiken ten opzichte van de andere Amerikaanse sectoren.

Het invoeren van tarieven of importquota om deze inefficiënte bedrijven en sectoren staande te houden gaat ten koste van iedereen die niet in de betreffende sectoren werkt. De consument wordt getroffen doordat de prijzen hoog gehouden worden, de kwaliteit en de concurrentie laag gehouden worden, en de productie verstoord wordt. Een tarief of importquota is wat dat betreft equivalent aan het opdelen van een spoorweg of de vernietiging van een luchtvaartmaatschappij--want het doel is het internationale transport (van goederen over de grens) duurder te maken.

Tarieven en import quota gaan ook ten koste van de andere, efficiëntere, sectoren door het beslag dat gelegd wordt op productiemiddelen die anders in deze sectoren efficiënter aangewend zouden worden. Op lange termijn werken de tarieven en quota (zoals elke vorm van overheidsprivileges) bovendien niet eens in het voordeel van de bedrijven die beschermd en gesubsidieerd worden.

Want, zoals we al zo vaak gezien hebben, sectoren die genieten van overheidsprivileges (via tarieven of regulering) worden uiteindelijk zo inefficiënt dat ze sowieso verlies maken, en alleen nog maar voor meer bescherming en subsidie vragen om ze tot in de eeuwigheid af te schermen tegen vrije concurrentie.

Vertaald uit: Murray Rothbard, Making Economic Sense, p.28-29.

Over de auteur

Murray N. Rothbard (1926–1995) was econoom, historicus en filosoof. Hij was de grondlegger van het moderne libertarisme en de voornaamste woordvoerder van de Oostenrijkse School binnen de economie.

Rothbard was de auteur van The Ethics of Liberty en For a New Liberty en een scala van boeken en artikelen. Hij was ook academisch vice-president van het Ludwig von Mises Institute en The Center for Libertarian Studies. Samen met Lew Rockwell was hij de hoofdredacteur van The Rothbard-Rockwell Report.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl