“De macht die mijn multimiljonair buurman, die misschien ook mijn werkgever is, over mij heeft, is heel veel kleiner dan die van de laagste bureaucraat die de macht van de staat achter zich heeft en van wiens grillen het afhangt of en hoe mij toegestaan wordt om te werken of te leven. ”
Friedrich Hayek

De Val van het Socialisme

Door Sjef Roark

5 april 2004

Iets bezitten betekent HET HEBBEN VOOR MIJZELF; het unieke einddoel te zijn van het bestaan van het object. Als bezit volledig en concreet gegeven is, dan is de bezitter de raison d'etre van het bezeten object. Ik bezit deze pen; dat betekent dat deze pen bestaat voor mij, is gemaakt voor mij. Bovendien ben ik het die voor mijzelf een object maak dat ik wil bezitten. Mijn boog en pijlen - dat wil zeggen: de objecten die ik voor mijzelf gemaakt heb. Werkverdeling kan deze oorspronkelijke relatie verduisteren, maar niet doen verdwijnen. - Jean Paul Sartre

Henry Sturman liet in het vorige hoofdstuk zien dat een overheid die alleen geld van de rijkeren afpakt en rechtstreeks aan de armeren uitkeert, veel beter is dan onze huidige overheid die mensen in hun vrije keuze beperkt en het marktmechanisme verstoort. Daarop voortbordurend wil ik hier laten zien dat het nog beter is als de overheid zich ook niet met het herverdelen van inkomen zelf bezig houdt.

Een belangrijk uitgangspunt van het marxisme [11] is dat "de markteconomie" vroeg of laat zoveel armoede zal veroorzaken dat de van haar slechte positie bewust gemaakte "onderklasse" massaal de revolutie zal beginnen. Deze gedachte is als volgt te verwoorden: de markteconomie (waarin mensen economisch kunnen handelen en concurreren) is een soort wedstrijd. Dit leidt tot een ordening van inkomens waarbij sommigen rijker uit de bus komen dan anderen. De mensen die niet erg rijk uit de bus komen besluiten op een gegeven moment om geen genoegen te nemen met de uitkomst van deze "wedstrijd" en besluiten bezittingen van de "rijken" te gaan onteigenen (bijvoorbeeld in een revolutie). Deze revolutie bestaat dan hoofdzakelijk uit het onteigenen van de bedrijven, en deze te onderwerpen aan maximale directe democratie (de bedrijven in handen van de arbeiders). De staat komt op vergelijkbare wijze in handen van de arbeiders.

Deze theorie is mede gebaseerd op de aanname dat de markteconomie voldoende armoede veroorzaakt om het "proletariaat" te motiveren de revolutie te beginnen.

Het "interventionisme" (als verzamelnaam voor "sociaal-democratie", "westers staatskapitalisme", en aanverwante systemen) houdt in dat de staat "de onderklasse" voldoende probeert te beschermen tegen de "bovenklasse", en "de bovenklasse" voldoende probeert te beschermen tegen de "onderklasse". D.w.z.: De "bovenklasse" mag de "onderklasse" niet uitbuiten, en de "onderklasse" mag de eigendommen van de "bovenklasse" niet (in een revolutie) onteigenen. Dit gebeurt dan door middel van een markteconomie met staatsingrijpen.

Momenteel leven wij in zo'n "interventionistisch" systeem (markteconomie met ingrijpen). Het is dus een leugentje als men in de media beweert dat we in een vrije-markt economie leven. Een vrije-markt economie is namelijk een systeem waarin zonder beperkingen samenwerking en ruil is toegestaan en waarin al die relaties gebaseerd zijn op vrijwilligheid. Een vrije markt is vrij van ieder ingrijpen door de overheid, en is dus in overeenstemming met de individualistische moraal.

Veel socialistische denkers schijnen te denken dat onze markteconomie niet "vrij" genoeg is om voldoende armoede te veroorzaken voor het op gang brengen van de revolutie: De zwervers zijn te ongeregeld; de bijstandsmoeders te schaars, de werklozen zijn niet arm genoeg.

Vrijwel iedereen schijnt te denken dat een vrijere economie zal leiden tot méér armoede.

In dit hoofdstuk zal ik ingaan op de verdeling van inkomens in een vrije-markteconomie, op rechtvaardige inkomensverdeling, en op gevolgen van herverdeling voor de inkomensverdeling. In het hoofdstuk daarna zal ik ingaan op werkloosheid en op het uitkeringsstelsel.

Veel mensen gaan ervan uit dat herverdeling betekent dat je geld afpakt van de "rijken" en het geeft aan de "armeren". Dat is echter niet wat overheden beogen met herverdelen. Herverdelende overheden willen meer belasting heffen van de "rijken" dan van de "armeren", maar de "armeren" KRIJGEN geen geld. Ook de arbeiders en minimumloners betalen belasting zonder geld van de overheid terug te krijgen. Het enige wat je terug krijgt voor je belastinggeld zijn diensten en goederen, waar je niet als individu om gevraagd hebt.

Verder zijn de diensten die de overheid in ruil voor de belastingen en premies levert vaak van een slechte kwaliteit, zoals de gezondheidszorg. Daarom kun je stellen dat de overheid de belastingbetalers uitbuit. Ze betalen en ze betalen, maar ze krijgen er bijna niets goeds voor terug. De rijken betalen meer dan de armen. Dat betekent dat de overheid de rijken meer uitbuit dan de armen. Maar uitgebuit wordt iedereen.

Als tegenwerping tegen mijn stelling zou de huursubsidie kunnen worden genoemd. Is dat geen geld dat rechtstreeks aan de laagbetaalden wordt betaald?

Nee. Je krijgt namelijk alleen subsidie om te wonen in een huis dat duurder is dan je volgens de overheid kan betalen. De overheid schenkt je dan geen geld, maar extra huis. De subsidie wordt immers bindend uitgegeven aan de huur. Dus ook in dit geval geeft de overheid je goederen voor het geld dat ze eerst van je hebben afgepakt.

Maar met deze kritiek op het huidige systeem, heb ik nog niet voldoende afgerekend met de "progressieve" belastingen. Ik zal betogen dat inkomensherverdeling slechts in zeer beperkte mate mogelijk is, en dan nog maar alleen als het tot werkloosheid leidt. Maar eerst ga ik in op de inkomensverdeling van een vrije-markteconomie.

Inkomensverdeling op de vrije markt

Om te beginnen wil ik afrekenen met een andere marxistische theorie, die sterk verankert is in het economische denken van vrijwel alle mensen: het idee dat op de vrije markt, waar geen loonregulering geldt, de werknemers een hongerloontje krijgen uitbetaald. De gedachte is dat een werkgever zo min mogelijk wil betalen aan een werknemer, het liefst helemaal niets. Maar als een werknemer niets betaald krijgt gaat de werknemer dood van de honger. Vandaar dat werkgevers de werknemers precies zoveel zouden uitbetalen, dat ze nèt in leven blijven en nèt sterk genoeg blijven om te kunnen werken.

Om goede argumenten aan te voeren waarom dat niet zo is, moet ik eerst aantonen dat er in een werkelijk vrije samenleving geen (onvrijwillige) werkloosheid bestaat.

Laten we ervan uitgaan dat werkloosheid een probleem is, omdat mensen zonder werk in een vrije-marktsituatie arm zijn bij gebrek aan inkomen. In een samenleving waarin iedereen altijd in overvloed zou leven zonder te werken (luilekkerland), zou werken op zich onnuttig zijn, want in alle behoeften wordt al voorzien. Iedereen zou zich dan met hobby's vermaken. Werkloosheid is dus alleen maar een probleem, als niet automatisch in alle behoeften wordt voorzien. Zo'n situatie is er ook altijd de praktijk: luilekkerland bestaat niet. Als in een behoefte voorzien moet worden, moet er iemand werken om in die behoefte te voorzien (afgezien dan van wat de natuur ons gratis biedt).

Armoede is een toestand waarin in veel behoeften niet wordt voorzien (bijvoorbeeld in de behoefte aan voedsel). Zolang er dus ergens armoede bestaat zijn er nog onvervulde behoeften en kan er geen werkloosheid zijn. Er is namelijk werk te doen om die behoeften te kunnen vervullen. Stel bijvoorbeeld dat Jan honger heeft, want hij heeft geen werk. Het is dan nuttig als er iemand extra op het land werkt om voedsel te kweken dat Jan kan eten. Die extra iemand zou Jan zelf kunnen zijn, die enkele dagen per week op het land werkt om zijn eigen eten te kweken. Een landeigenaar zou daar voordeel bij hebben, want Jan kan een gedeelte van de opbrengst aan de landeigenaar geven in ruil voor het landgebruik. In werkelijkheid hoeven mensen natuurlijk niet letterlijk te werken voor hun EIGEN behoeften. De economie is namelijk niets anders dan één groot ruilproces. De extra behoeften van vele mensen als Jan, betekenen extra consumenten waaraan geld kan worden verdiend, en extra werknemers die de produkten kunnen maken waaraan behoefte is. De werknemers zullen meer produceren dan ze consumeren, én dat is het voordeel voor de werkgevers (in ruil voor hun initiatief en investeringen). In een vrije samenleving heffen werkloosheid en relatieve armoede elkaar zodoende op.

Ik kan het ook anders zeggen: in de huidige samenleving consumeren de werklozen ook. Hun consumptie wordt betaald door de werkenden. Zouden de werklozen echter werken, dan zou hun consumptie worden betaald door werkgevers. Die werkgevers verkopen de produkten aan de markt (de werkenden). De werkenden betalen dan nog steeds indirect de werklozen door het kopen van produkten, maar krijgen voor dit geld tenminste produkten terug!

De reden waarom er toch werkloosheid in de wereld bestaat, is dat we in een onvrije samenleving leven. De oorzaken van werkloosheid bespreek ik in het volgende hoofdstuk.

Stel dat er geen werkloosheid is, en Mien werkt voor een werkgever (Dagobert) die haar een hongerloontje betaalt. Stel dat Dagobert gloeilampen laat produceren. Een concurrent van Dagobert, die ook gloeilampen laat produceren, kan dan zijn marktaandeel vergroten en dat van Dagobert verkleinen. Door werknemer Mien namelijk een hoger salaris te bieden, kan de concurrent zijn eigen produktiecapaciteit uitbreiden met een extra werknemer, en die van Dagobert laten inkrimpen met een werknemer. De concurrent kan dan meer lampen maken, en Dagobert minder. De concurrent heeft dan marktaandeel veroverd op Dagobert. Uiteraard kunnen ook andere producenten dan gloeilampenproducenten proberen Mien in dienst te krijgen.

Zo ontstaat er dan een harde concurrentiestrijd om produktiecapaciteit, om werknemers. Wie de hoogste lonen betaalt wint. Maar natuurlijk betaalt men werknemers nooit meer dan de economische waarde van hun extra produktiecapaciteit (anders maakt men verlies op deze werknemer). Alle werkgevers bieden dus hogere lonen dan de concurrent, totdat dit maximum bereikt is. Zodoende nadert ieders loon door de concurrentiestrijd naar dit maximum. Iedereen verdient dan ongeveer de marktwaarde van zijn/haar produktie.

Zolang er nog onvervulde behoeften bestaan (en er geen werkloosheid is), zullen werkgevers steeds aan werknemers blijven trekken om werk te verrichten om in die onvervulde behoeften te voorzien. Aan elke onvervulde behoefte kan namelijk iets worden verdiend. Als er geen werkloosheid is leidt dit getrek aan werknemers er toe dat werkgevers werknemers eenvoudigweg niet kunnen "onderbetalen", omdat werknemers dan voor een werkgever kiezen die meer betaalt.

Zoals gezegd verdient iedereen dan ongeveer de marktwaarde van zijn/haar produktie. Dit is beloning naar prestatie, ofwel iedereen verdient de vruchten van zijn of haar arbeid.

Over rechtvaardigheid bestaan vele meningen. Iedereen de vruchten van eigen arbeid, c.q. beloning naar prestatie is een systeem dat men als zodanig rechtvaardig kan vinden. Een voordeel van dit systeem rechtvaardig te vinden, is dat het samengaat met respect voor anderen. Er zijn geen herverdelingen en belastingen nodig om dit systeem te bereiken. Dit systeem ontstaat vanzelf op de markt.

Een andere mening is dat het rechtvaardig is als de inkomensverschillen minder groot zijn, of bijvoorbeeld dat alle inkomens gelijk zijn. In dat geval kan men inkomensherverdeling toepassen. Het kan ook zijn dat iedereen voor de staat werkt en een gelijk loon verdient. In de praktijk heeft dit laatste in socialistische landen juist geleid tot meer ongelijkheid. De partijleden waren rijk, en de rest was arm. Financiële gelijkheid is dan nagestreefd door middel van machtsongelijkheid. Kennelijk zijn mensen met macht te egoïstisch om dit systeem te laten werken volgens de bedoelingen. Op dit alternatief zal ik daarom niet meer terug komen.

Gevolgen van herverdeling

Wat er bij herverdeling gebeurt is dat mensen met banen waar een hoger salaris tegenover staat, behoorlijk minder verdienen dan wat hun diensten op de markt waard zijn. Hun marktwaarde is namelijk tenminste het bruto loon. Ze verdienen behoorlijk minder doordat de belastingen van dit bruto salaris afgaan. Mensen met banen waar een lager salaris tegenover staat, betalen veel minder belasting, dus wat zij verdienen zit veel dichter in de buurt van hun marktwaarde. Mensen die dus mede gemotiveerd door het geld, hun carrière in een vrije-marktsituatie zo zouden plannen dat ze een hoog salaris gaan verdienen, worden nu in deze keuze beïnvloed. Bij herverdeling worden de verschillen tussen de hoge en de lage salarissen namelijk verkleind. Hoe meer je verdient, hoe meer belasting je betaalt, zodat na belastingen de uiteindelijke inkomensverschillen tussen de salarissen kleiner zijn. Het is dus logisch dat andere zaken dan geld een grotere rol gaan spelen in de keuze voor een bepaalde baan.

Het gevolg is dat er een marktverstoring dreigt op te treden. Veel mensen die op de vrije markt, gedreven door het geld, banen aan zouden nemen met hoge salarissen, hebben door de herverdeling de neiging om andere belangen belangrijker te laten wegen dan geld (omdat de salarissen meer op elkaar zijn gaan lijken), en kiezen daarom andere banen. Er dreigt dus een tekort te gaan ontstaan aan mensen die banen willen aannemen waar een hoger salaris tegenover staat. Men zegt bijvoorbeeld dat zo’n baan niet leuk is, of veel stress met zich meebrengt, en weinig vrije tijd, en veel verantwoordelijkheid. Maar in feite waren deze bezwaren met geld wel te compenseren geweest op de vrije markt. Doordat deze mensen nu banen gaan kiezen waar een lager salaris tegenover staat, dreigt er een overschot aan mensen die een baan met een lager salaris willen aannemen te ontstaan op de arbeidsmarkt. De reactie van de markt is dat men de lage salarissen wel verder kan verlagen, omdat zoveel mensen toch deze banen wel willen aannemen. En de reactie van de markt is tevens dat de hogere salarissen verder zullen verhogen. Er is namelijk een tekort aan mensen die de banen met een hoog salaris willen aannemen, en door het salaris verder te verhogen kan men meer mensen verleiden toch deze banen aan te nemen.

Dit proces wordt in de fiscale economie overheveling genoemd: de werkgever hevelt salaris over van de lagere naar de hogere inkomens. Overheveling hoeft geen bewust proces te zijn. Het is gewoon het gevolg van de wederzijdse aanpassing van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De marktcorrectie op de marktverstoring zal zodanig zijn, dat vraag en aanbod weer in evenwicht zijn. De markt corrigeert de salarissen zodanig dat mensen toch in dezelfde mate de hogere banen gaan nastreven als ze in de vrije-markteconomie zouden doen. Overheveling kan dus de inkomensherverdeling min of meer opheffen.

Daarom is het maar zeer de vraag of herverdeling mogelijk is. De overheid kan proberen overheveling tegen te gaan door middel van loonregulering. Zo zijn er bijvoorbeeld minimum lonen. Deze kunnen voorkomen dat werknemers met lagere lonen minder betaald worden door overheveling. Maar het loon dat door de markt bepaald wordt zorgt voor een evenwicht tussen vraag en aanbod van arbeidsplaatsen. Een gedwongen loonpeil boven het marktpeil maakt het aannemen van mensen minder aantrekkelijk, waardoor in deze groep werkloosheid ontstaat. Dit is hetzelfde principe dat bijvoorbeeld zorgt voor woningnood, boterbergen en wachtlijsten voor ziekenhuizen. Marktprijzen zorgen normaal gesproken voor een evenwicht tussen vraag en aanbod. Steeds als de overheid prijzen of lonen vaststelt die hoger of lager zijn dan wat de markt wil, sluiten vraag en aanbod niet meer op elkaar aan. Door maximumhuurprijzen vast te stellen beneden de marktprijzen daalt bijvoorbeeld het aanbod van woningen waardoor woningnood ontstaat.

Bij een minimumloon worden de inkomensverschillen voor werkenden door de nivellering wel verkleind, maar daarbij ontstaat wel werkloosheid. En door die werkloosheid zijn er juist nog grotere inkomensverschillen, want werklozen verdienen altijd minder aan uitkeringen dan de werkenden aan salaris. Zodoende is er dan ook ongelijkheid.

Het is moeilijk om de grootte van het effect van overheveling in te schatten. Maar enige kennis van zaken leert dat er sowieso al weinig nivellering bestaat, zelfs in een land als Nederland. Zo leiden de aftrekposten en verdelingen van andere belastingen dan de inkomstenbelasting ertoe dat iedere Nederlander ongeveer eenzelfde percentage aan belastingen betaalt [12]. Maar de mensen met hogere inkomens maken veel meer gebruik van subsidies (zoals voor onderwijs, politie en cultuur). In de praktijk is er dus nauwelijks sprake van nivellering. Met het effect van overheveling meegerekend valt het vervolgens helemaal moeilijk vol te houden dat er van het Nederlandse sociale inkomensbeleid iets terecht komt.

Conclusie

Behalve dat herverdeling ingaat tegen het respect voor anderen, omdat het alleen via dwangmatige belastingen kan worden gerealiseerd, is een gelijkere verdeling waarschijnlijk niet mogelijk. Een combinatie van herverdeling en minimumloon verergert de werkloosheid. Ik concludeer dat de huidige samenleving niet socialer is dan een volledige vrije-markteconomie. De Verenigde Staten hebben een vrijere markt dan Nederland. Maar ook de overheden van de VS bemoeien zich in zeer hoge mate met de economie, zodat ook dáár werkloosheid ontstaat (hoewel minder dan hier). De Nederlandse overheid geeft haar slachtoffers (o.a. de werklozen) een redelijke schadevergoeding (uitkering). De Amerikaanse overheden geven veel lagere schadevergoedingen (uitkeringen) aan hun slachtoffers, zodat de werklozen er armer zijn dan hier. De laagstbetaalde arbeiders zijn in de VS echter rijker dan die in Nederland.

Over de auteur

Sjef Roark is het pseudoniem van de schrijver van "Politiek Speelt Geen Rol in het ik-tijdperk". De achternaam Roark verwijst naar de architect Howard Roark in het boek van Ayn Rand The Fountainhead

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl