“Democracy is the theory that the common people know what they want and deserve to get it good and hard.”
H.L. Mencken

Subsidies en Staatsdiensten

Door Sjef Roark

29 maart 2004

door Henry Sturman Actually, since government services are not tested on the free market, there is no possible way of measuring government's alleged "productive contribution". All government services, as we have seen, are monopolized and inefficiently supplied. Clearly, if they are worth anything, they are worth far less than their cost in money. - Murray Rothbard

In dit hoofdstuk wil ik beargumenteren dat een overheid die zich alleen bezig houdt met inkomensnivellering (door rijkeren te belasten en contante uitkeringen te geven aan armeren), en verder niet met het geven van subsidies en het verzorgen van staatsdiensten, te prefereren valt boven de huidige overheid. In het eerste deel is het argument voornamelijk de grotere keuzevrijheid van de individu die dan ontstaat. In het tweede deel is het argument voornamelijk dat iedereen er rijker van zal worden.

Subsidies, staatsdiensten en bevoogding

In Nederland worden vele dingen door de overheid gesubsidieerd of verzorgd. Theater wordt gesubsidieerd. Openbaar vervoer, wegenbouw, politie, scholen, kinderopvang en musea worden gesubsidieerd of verzorgd. Zo zijn er vele voorbeelden van situaties waarin de overheid goederen of diensten voor mensen koopt of gedeeltelijk betaalt. Dit systeem betekent in feite dat overheidsfunctionarissen erover beslissen wat je het beste kunt consumeren. Het systeem wordt echter vaak verdedigd op basis van het helpen van de armen. Maar ten eerste is het zo dat laagbetaalde werkende mensen ook hard moeten meebetalen aan de belastingen en dus is het twijfelachtig of ze daadwerkelijk door het systeem geholpen worden. Ten tweede profiteren rijkere mensen ook van de overheidsuitgaven. En ten derde, als de overheid arme mensen wil helpen dan is het beter dat ze uitkeert in contant geld i.p.v. in natura, zodat de ontvanger zelf kan kiezen wat hij met het geld wil doen.

Allerlei groepen in onze maatschappij gebruiken de macht van de staat om zoveel mogelijk subsidie voor hun specifieke activiteit te verkrijgen. Het feit dat sommige mensen subsidie krijgen als ze activiteiten ondernemen die de staat welgevallig zijn of goederen consumeren die passen binnen de officiële cultuur, gaat altijd ten koste van de mensen die geen subsidie ontvangen, omdat de activiteiten die zij ondernemen en hun consumptiepatroon de staat niet welgevallig zijn, terwijl ze wel belasting moeten betalen voor gesubsidieerde groepen. Het systeem is er gelijkwaardig aan dat mensen als ze niet doen wat de overheid wil, een boete krijgen, zodat ze minder geld overhouden om de dingen te doen die ze zouden willen doen.

Dat dit het geval is is met het volgende voorbeeldje in te zien. Stel, Jan en An verdienen ieder in een jaar 50.000 gulden. Ze moeten ieder 25.000 gulden belasting betalen en houden dus elk 25.000 gulden over. We nemen aan dat Jan en An elk direct en indirect geld terug krijgen via subsidies en gesubsidieerde diensten. Als Jan bijvoorbeeld veel fietst, wandelt en autorijdt over openbare wegen, dan consumeert hij misschien meer waarde aan wegen dan hij via wegen en benzinebelastingen betaalt. Jan krijgt dus in zekere zin een bepaald bedrag aan geld terug van de overheid, doordat hij een korting heeft gekregen op de eigenlijke kosten van zijn consumptie van wegen. En misschien woont An in een huurwoning en krijgt ze een redelijk bedrag aan huursubsidie. Of misschien volgt ze een studie aan een door de overheid gesubsidieerde instelling, zodat ze op deze wijze indirect geld terug krijgt van de overheid. En misschien houdt An toevallig van toneel en gaat ze vaak naar door de overheid gesubsidieerde toneelvoorstellingen. Als daardoor haar toegangskaartje goedkoper uitvalt dan in een vrije markt zou gelden, dan kunnen we dit zien als een indirecte overheidsuitkering aan An (mijn definitie van een vrije markt is een systeem waarin alle relaties tussen mensen gebaseerd zijn op vrijwilligheid en waarin er dus via overheidsbelasting ook geen verplichte betaling is voor goederen of diensten). Jan houdt misschien meer van lekker uit eten dan van toneelvoorstellingen en krijgt daarvoor geen overheidskorting, omdat uit eten toevallig niet gesubsidieerd wordt. De overheid beïnvloedt zoveel dingen in de samenleving dat Jan en An wellicht op vele manieren indirect overheidsuitkeringen krijgen door aan bepaalde activiteiten te doen of door gebruik te maken van bepaalde overheidsdiensten of door goederen en diensten van gesubsidieerde instellingen te consumeren. Maar An en Jan leven natuurlijk op een heel andere manier. Stel dat An toevallig een zodanige levensstijl heeft dat ze precies leeft op een manier die de overheidsbureaucraten belangrijk vinden en die zij daarom bevorderen en subsidiëren. En stel dat je zou uitrekenen hoeveel geld An indirect van de overheid krijgt in de vorm van gratis geconsumeerde diensten en goederen of korting hierop. Stel nu dat dit bedrag precies 25.000 gulden blijkt te zijn. An betaalt dan 25.000 gulden aan belasting en krijgt precies 25.000 gulden terug. Dat komt dan voor An op hetzelfde neer als dat ze helemaal geen belasting zou betalen en van haar salaris de volledige kosten had betaald van haar consumptiepatroon. Stel nu dat Jan er toevallig een manier van leven op na houdt, die weinig door de overheid bevorderd wordt. Stel dat als je uitrekent welk bedrag Jan indirect terug krijgt van de overheid, dat je dan op een bedrag van 5.000 gulden uitkomt. Jan betaalt dus 25.000 gulden aan belasting en krijgt 5.000 gulden terug. Dat komt op hetzelfde neer als dat hij netto 20.000 gulden aan belasting betaalt.

Het systeem is dus gelijkwaardig aan de volgende situatie: de overheid wil dat mensen er een manier van leven op na houden zoals An. Ze worden dan met rust gelaten en betalen netto geen belasting. Maar mensen die er een levensstijl op na houden zoals Jan moeten netto een belasting betalen van 20.000 gulden. Effectief is de situatie dat het wettelijk verplicht is te leven als An. Wie toch leeft als Jan betaalt een boete ter hoogte van 40% van zijn salaris.

Het voorgaande voorbeeldje wekte misschien de suggestie dat Jan op dezelfde manier leeft als er 20.000 gulden boete op zijn levensstijl staat, als wanneer die er niet op staat. Maar dat is niet zo. In feite wordt Jan gemotiveerd om op een andere manier te leven dan hij in een vrije markt zou doen. Als het ene type consumptie voor iemand namelijk relatief duurder wordt ten opzichte van een tweede, dan past hij zijn consumptiepatroon aan en gaat iets meer van de tweede soort consumeren en iets minder van de eerste.

Verder suggereert het voorbeeld misschien dat An geen nadeel ondervindt van het genoemde staatsingrijpen. Ze betaalt 25.000 gulden aan belasting en krijgt indirect hetzelfde bedrag terug. Afgezien van het feit dat An de door de staat gesubsidieerde diensten goedkoper op een vrije markt had kunnen kopen, wat later aan de orde komt, is het zo dat de besteding van An net als die van Jan waarschijnlijk ook niet optimaal is. Ze had waarschijnlijk liever een ander bestedingspatroon gekozen als ze zou hebben kunnen kiezen op basis van prijzen die de werkelijke kosten van alle verschillende produkten vertegenwoordigen en geen belasting zou hoeven betalen. Door subsidies verschuiven mensen (onbewust) hun economisch optimale bestedingspatroon naar een patroon dat op een optimale manier van de subsidies gebruik maakt.

Ik zeg weleens tegen mensen dat ik geen boodschap heb aan een staat die bijvoorbeeld bepaalt wat voor films ik wel of niet mag zien. Ze wijzen er dan op dat ik toch zelf bepaal naar welke film ik kijk. Ja en Nee. Ik beslis of ik een bepaalde film wel of niet wil zien. Maar welke (Nederlandse) film er te zien is kan mede bepaald zijn door de keuze van de overheid welke films wel en welke films geen subsidie krijgen. Daardoor heeft de overheid wel degelijk invloed op dingen zoals naar welke film ik kijk.

Een via de staat geregelde dienst beperkt de keuzevrijheid van de individu, ook als de individu vindt dat hij de betreffende dienst inderdaad nodig heeft. Stel je voor dat je een auto wilt kopen en de overheid verbiedt het dat je dat zelf regelt. Als je een auto nodig hebt, dan betaal je gewoon het geld ervoor en de overheid kiest dan voor jouw welk merk, welk type en welke kleur auto je nodig hebt. En die auto krijg je dan geleverd, zonder dat je zelf in vrijheid de auto uit mag zoeken. Zou je het belachelijk vinden als het zo werkte? Als dat zo is, maar je accepteert toch min of meer het huidige maatschappij systeem, dan ben je inconsequent. Want vele dingen werken min of meer al op deze manier.

Stel je hebt een kind en je wilt die naar school sturen. De overheid levert die scholing gratis. Maar omdat je die scholing zelf al hebt betaald via belastingen, heb je niet genoeg geld meer over om je kind naar een door jouw gekozen of gestichte privéschool te sturen. En je moet dus wel akkoord gaan met het school type dat de overheid voor je uitgekozen heeft. Nu ben je in dit geval misschien niet helemaal beperkt tot de keuze uit één type. In de scholen die de overheid regelt zit ook wel enige variatie. Om op het voorbeeld van de auto terug te komen: je hebt weliswaar de keuze uit een blauwe een groene of een rode auto, maar je mag niet kiezen voor een paarse, witte, gele of roze auto.

Er zijn ook veel situaties waarbij je inderdaad maar één keuze hebt, gelijkwaardig aan het voorbeeld dat de overheid precies bepaalt welke auto je moet kopen. Voorbeelden: Er is maar één systeem van autowegen. Of er wel of niet fluoride in je drinkwater is en hoe hard het water is wordt door de overheid bepaald, je mag niet voor een andere drinkwatermaatschappij kiezen. Welke bibliotheek er in je dorp is wordt door de staat bepaald. Een andere bibliotheek kan bijna niet concurreren tegen de door de staat goedgekeurde en gesubsidieerde bibliotheek. De hoeveelheid en het type politiebescherming dat je krijgt tegen criminelen wordt bepaald i.p.v. dat je zelf mag kiezen hoeveel bescherming je koopt, wat voor bescherming en bij welke beschermingsorganisatie je de bescherming koopt. Er is in je woonplaats maar één politieonderdeel dat mensen verplicht via belastingen moeten betalen (net als protectiegeld voor de maffia). (Overigens is bescherming tegen criminelen niet de enige functie van de politie. De politie is ook het uiteindelijke dwangmiddel van de staat dat belastingheffing en regulering mogelijk maakt.) In ieder geval zijn er vele voorbeelden waarin je keuzevrijheid beperkt wordt doordat de staat bepaalt hoe de goederen en diensten die je consumeert er uit zien, in plaats van dat je zelf mag kiezen wie welke diensten aan jouw mag gaan leveren.

Mensen die werken moeten het grootste deel van hun inkomen aan belasting betalen (de meeste mensen betalen meer dan ze beseffen omdat ze zich niet bewust zijn van het werkgeversaandeel aan belastingen en premies over hun loon en allerlei kostprijsverhogende belastingen, zoals BTW). Een deel daarvan krijgen ze in zekere zin terug door het consumeren van "gratis" geleverde staatsdiensten of andere gesubsidieerde diensten of goederen. Het zou beter zijn als de overheid de belastingen verlaagt voor werkende mensen en dan niet de staatsdiensten en subsidies aan hen verstrekt. Niet alleen zijn ze dan vrijer om hun eigen levensstijl te bepalen, maar ook is er dan meer motivatie om te werken. Bij lagere belastingen houdt je immers van elke extra verdiende gulden meer voordeel over. In het extreme geval zou iedereen 100% belasting betalen aan de staat, terwijl de staat iedereen gratis goederen verstrekt. De staat zou dan volledige controle hebben over de levens van mensen (een belastingpercentage van X % betekent X % controle over de levens van mensen). Maar hoe meer het systeem die richting uit is, hoe minder motivatie mensen hebben om te werken.

Het afschaffen van subsidies en staatsdiensten kan ook in het voordeel zijn van mensen die bijvoorbeeld van een overheidsuitkering afhankelijk zijn. De overheid zou bijvoorbeeld i.p.v. deze mensen veel subsidie en gratis diensten en goederen te geven, gewoon hun uitkering een stuk kunnen verhogen, zodanig dat de kosten voor de overheid toch hetzelfde blijven. Als de bedoeling van subsidies en staatsdiensten ook is om werkende mensen met weinig loon te helpen, dan kan de overheid beter in plaats daarvan de belastingen voor hen verlagen of afschaffen (als je alles meerekent betaalt zelfs een minimumloner meer dan 50% belasting) of eventueel een uitkering boven op hun loon geven. De mensen kunnen dan tenminste zelf kiezen waar ze hun geld aan uitgeven en dus welk levenspatroon het beste voor hun is. Dit systeem consequent uitgewerkt betekent een staat die zich alleen bezighoudt met inkomensherverdeling en niet met het beslissen wat mensen het beste kunnen consumeren. (Niet dat ik gedwongen inkomensherverdeling rechtvaardig vind, maar het systeem zou zo wel een verbetering zijn.)

Kunst is een bekend produkt waarvan linkse intellectuelen zeggen dat het gesubsidieerd moet worden. Kunst is een voorbeeld van wat wel een "verdienstelijk goed" wordt genoemd. Een "verdienstelijk goed" wordt gedefinieerd als een goed waarvan mensen meer moeten consumeren dan ze uit zichzelf doen. Daarom zou een "verdienstelijk goed" door de overheid gesubsidieerd moeten worden. Het goed wordt voor de mensen dan goedkoper zodat ze er meer van consumeren. Maar hoe kunnen we nu bepalen of een bepaald goed een verdienstelijk goed is? Volgens de definitie door na te gaan of mensen er meer van moeten consumeren. Moeten van wie? Ik doe een gok naar het antwoord: de linkse intellectuelen. Als ik goed gegokt heb dan is de definitie van een "verdienstelijk goed" dus eigenlijk: een goed waarvan mensen van linkse intellectuelen meer moeten consumeren dan ze uit zichzelf doen.

Mijn conclusie is dat in het begrip "verdienstelijk goed" de gedachte opgesloten ligt dat mensen bevoogd moeten worden en niet hun eigen leven mogen leiden. Linkse intellectuelen zullen bijvoorbeeld subsidie van kunst verdedigen op basis van het feit dat dit kunst beter bereikbaar maakt voor arme mensen. In de praktijk zullen de meeste arme mensen echter meer belasting voor de kunstsubsidies betalen dan dat ze ervan profiteren, omdat arme mensen nu eenmaal vaak geen kunstliefhebbers zijn, terwijl linkse intellectuelen er wel van profiteren, omdat zij zelf wel vaak liefhebbers zijn van de gesubsidieerde kunst. Het lijkt me daarom waarschijnlijker dat de betreffende linkse intellectuelen meer worden gemotiveerd door eigenbelang en het verlangen om hun eigen leefcultuur aan anderen op te leggen, dan door altruïstische gevoelens. Het besluit van de overheid om kunst te subsidiëren brengt ook de noodzaak met zich mee dat iemand erover besluit welke kunstenaars wel en welke geen subsidie krijgen. Zo veranderd kunst van een vrije expressie van cultuur in een onderdeel van het politieke machtsspel.

Subsidies, staatsdiensten en welvaart

Een systeem van subsidie en staatsdiensten verlaagt de welvaart in een samenleving, om tenminste twee redenen. Ten eerste: alleen als iedereen vrij is om zelf te beslissen wat hij wil consumeren, is het gegarandeerd dat iedereen zijn uitgaven zo vaststelt dat hij optimaal geniet en dus optimale welvaart voor het geld heeft. Als de overheid het consumptiepatroon d.m.v. subsidies kunstmatig heeft veranderd dan is de vervulling van behoeften niet optimaal. Dit argument geldt natuurlijk niet voor iemand die denkt dat niet iedereen zelf weet wat het beste voor hem is. Iemand die denkt dat een politicus beter weet wat goed voor hem is dan hij zelf weet, kan natuurlijk voorstander van subsidies zijn. Maar dan nog zou zo iemand de anderen vrij kunnen laten om zelf hun optimale besteding vast te stellen, in het geval dat die anderen beweren dat zij wel in staat zijn voor zichzelf te beslissen. De betreffende persoon kan dan zelf een politicus inhuren om hem te vertellen waaraan hij het beste zijn geld kan besteden en zelf vrijwillig het advies van die politicus opvolgen, zonder dat anderen gedwongen worden hetzelfde te doen.

Een tweede reden waarom het systeem van subsidies en staatsdiensten de welvaart in de samenleving verlaagt, is het feit dat de overheid op deze manier het hele marktmechanisme kapot maakt. Vrije concurrentie tussen bedrijven in een markt zorgt ervoor dat de meest efficiënte bedrijven blijven bestaan. En het winst/verlies systeem zorgt er voor dat bedrijven een maatstaf voor efficiëntie hebben. Als consumenten direct hun geld uitgeven bij de bedrijven die goederen en diensten leveren, in plaats van dat het geld stroomt via de lange en bureaucratische weg van de overheid, dan hebben ze de neiging bij dat bedrijf te kopen dat de gunstigste prijs/kwaliteit verhouding levert. Om winst te maken, zal elk bedrijf proberen een hoge kwaliteit te leveren en een lage prijs vergeleken met de concurrenten, zodat het zoveel mogelijk verkoopt. Om zoveel mogelijk winst over te houden moet een bedrijf ervoor zorgen dat de produktiekosten van elk produkt of elke dienst zo laag mogelijk zijn. Het winst/verlies mechanisme is dus voor een bedrijf een maatstaf voor efficiëntie. Als het bedrijf relatief efficiënt (goedkoop) produceert (ten opzichte van zijn concurrenten) maakt het winst en als het relatief inefficiënt produceert (ten opzichte van zijn concurrenten) maakt het verlies.

Dit hele systeem werkt niet meer als de overheid een instelling gaat subsidiëren of verzorgen. Met een flink gesubsidieerde instelling valt moeilijk te concurreren door een bedrijf dat alleen bijdragen ontvangt door verkoop van goederen of diensten. Subsidie is dus valse concurrentie en creëert een kunstmatig monopolie voor de staat. Bovendien is concurrentie met een overheidsdienst vaak ook nog verboden (bijvoorbeeld op het gebied van openbaar vervoer, wegen, politie, luchthavens, elektriciteitsvoorziening). Een overheidsinstelling heeft geen winst/verlies balans en heeft dus geen maatstaf voor efficiëntie. En een overheidsinstelling kan niet failliet gaan wegens inefficiëntie, zoals een particulier bedrijf, maar krijgt gewoon een budget van de overheid waar ze blind mee werkt zonder gecontroleerd te worden door een marktmechanisme.

Het punt is dus het volgende: in een vrije markt heeft elk bedrijf een maatstaf voor efficiëntie en een gesubsidieerde of overheidsinstelling heeft geen maatstaf voor efficiëntie. Bovendien krijgen de efficiënte bedrijven de kans te groeien, terwijl de inefficiënte klein blijven of failliet gaan. Een gesubsidieerde instelling moet volkomen blind opereren en kan helemaal niet weten hoe efficiënt ze werkt. Mensen komen soms met het tegenargument dat een particulier bedrijf op de vrije markt ook vaak inefficiënt is. Maar je kan ook niet stellen dat een bedrijf in een vrije markt volgens één of andere absolute maatstaf efficiënt werkt. Er zullen vast vele bedrijven in relatief vrije markten zijn die slecht georganiseerd zijn, die hun middelen verspillen en waarbij de werknemers continu van alles fout doen. Misschien werken alle particuliere bedrijven altijd wel op die manier. Maar het gaat er om dat een bedrijf in een vrije markt een maatstaf voor efficiëntie heeft, terwijl een door de overheid gecontroleerde instelling dit niet heeft. Het is daarom zo dat een bedrijf in de vrije markt efficiënter zal werken dan buiten de markt, niet noodzakelijkerwijs absoluut gezien efficiënt.

Een bedrijf in de vrije markt moet trouwens zelf maar weten hoe efficiënt ze werkt. Zolang ze hun inkomsten verkrijgen door vrijwillige betaling van consumenten voor hun produkten, zijn ze alleen maar een voordeel voor die mensen, omdat die de verkoop van die produkten blijkbaar op prijs stellen. Zo'n bedrijf handelt niet ten koste van andermans middelen. De staat die een dienst financiert met geld dat ze door middel van gedwongen belastingbetaling heeft verkregen, handelt wel ten koste van andermans middelen. De mensen van wie het geld afkomstig is hadden misschien veel liever met hun geld produkten en diensten bij een ander bedrijf gekocht. Doordat ze door de belasting armer zijn geworden hebben ze niet meer genoeg geld om te kopen bij het bedrijf dat normaal hun voorkeur zou hebben gehad. Omdat een sterk gesubsidieerde instelling uiteindelijk "goedkoper" levert zullen de mensen toch weer daar kopen ook al is dat globaal gezien misschien een nadeliger koop.

De econoom David Friedman (zoon van de nobelprijswinnende econoom Milton Friedman) stelt dat alles wat de overheid doet (van het financieren van een dienst tot het bewerkstelligen van economische groei) twee keer zo veel kost als op de vrije markt [9]. En dit refereert alleen nog maar naar de kosten. Als je er rekening mee houdt dat de overheid niet weet in hoeverre haar burgers behoefte hebben aan de geproduceerde dienst, dan is de verspilling nog groter. De econoom Murray Rothbard stelt zelfs dat je bij benadering kunt aannemen dat overheidsuitgaven in het geheel onproduktief zijn, in ieder geval als je meerekent dat vele overheidsactiviteiten produktie juist belemmeren [10]. Met die aanname is het zo dat een werkende alleen maar belasting betaalt zonder daar enig voordeel voor terug te krijgen.

Een gesubsidieerde instelling kan niet weten welke behoefte haar consumenten hebben. Ze kan alleen een wilde gok doen naar wat voor produkt de gemiddelde consument het liefste zou willen hebben. Alleen een bedrijf dat werkt in een vrije markt heeft een maatstaf voor of zij op een bevredigende wijze in de behoeften van consumenten voorziet, namelijk de hoeveelheid gemaakte winst. Een bedrijf dat een produkt variant levert waar veel behoefte aan is, zal veel verkopen en dus veel winst maken. Bedrijven die de meeste winst maken zijn er het beste in geslaagd in de behoeften van anderen te voorzien.

Subsidie werkt zodanig, dat het inefficiëntie beloont en efficiëntie tegengaat. Als de overheid bijvoorbeeld in een bepaalde markt een noodlijdend bedrijf gaat subsidiëren, omdat zij bang is dat die failliet gaat, dan houdt zij alleen maar een bedrijf in stand dat toch al niet op efficiënte wijze voorzag in de behoeften van consumenten. Dat is immers de enige reden dat zij dreigde failliet te gaan.

Stel dat als de overheid niet ingrijpt, één of ander bedrijf X failliet gaat. Het geld dat mensen vroeger uitgaven bij bedrijf X, moeten ze nu ergens anders uitgeven. Dat geld geven ze dus uit bij alle overgebleven bedrijven in de samenleving. De overgebleven efficiënte bedrijven breiden dus hun produktie uit, omdat ze meer verkopen. Hier blijkt uit dat het verhaal dat het failliet gaan van een bedrijf de werkgelegenheid doet afnemen, een fabeltje is. Als je het op één tijdstip bekijkt klopt het wel dat er opeens een aantal banen minder zijn. Maar over een iets langere tijd vermindert het aantal banen niet. De bedrijven die hun produktie uitbreiden hebben immers weer extra mensen nodig. Er treedt dus alleen continu een verschuiving op in de werkgelegenheidsstructuur. Op een vrije markt worden arbeiders als het ware steeds weggetrokken van plaatsen waar niet op een efficiënte wijze in de behoeften van mensen wordt voorzien en aangetrokken naar plaatsen waar dat wel gebeurt. Als deze verschuiving van arbeid niet plaats zou kunnen vinden, dan leefden we nu nog in de middeleeuwen.

Doordat inefficiënte bedrijven failliet gaan, krijgen efficiënte bedrijven de ruimte om wel voort te bestaan. Wat gebeurt er als de overheid echter ingrijpt en via belasting en subsidie burgers dwingt om een bedrijf X geld te geven, dat zijn bestaan niet meer kan financieren door middel van vrijwillige aankopen van klanten? Dan werkt het proces waarbij efficiënte bedrijven de ruimte krijgen door het failliet gaan van inefficiënte niet meer. Het is zelfs mogelijk dat juist efficiënte bedrijven failliet gaan, doordat de gesubsidieerde bedrijven beter in staat zijn hun prijzen laag te houden. In dat geval kan een concurrerend niet gesubsidieerd bedrijf ofwel niet meer verkopen door de relatief hogere prijs van zijn produkt, of het moet ook zijn prijs laag houden en gaat failliet omdat het dan verlies maakt.

Van al het geld dat de overheid aan belastingen ontvangt is het maar een deel dat alleen al in theorie nuttig gebruikt zou kunnen worden. Een groot deel van het geld is nodig om de overheidsbureaucratie zelf in stand te houden. De meeste bureaucraten doen echter geen produktief werk. Ze houden zich bezig met het verzinnen van regels en het beslissen aan welke speciale belangen ze de belastingbuit zullen uitgeven. Bureaucraten zijn vaak anti producenten. Ze gaan produktie tegen door ondernemers regulering op te leggen en op te zadelen met in te vullen formulieren. (De ondernemers geven op den duur deze extra kosten via de prijs van hun produkten door aan de consumenten, die daardoor armer worden.)

Over de auteur

Sjef Roark is het pseudoniem van de schrijver van "Politiek Speelt Geen Rol in het ik-tijdperk". De achternaam Roark verwijst naar de architect Howard Roark in het boek van Ayn Rand The Fountainhead

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl