Frederic Bastiat - Eigendom en beroving - 5

Door Frederic Bastiat

29 juni 2003

Vijfde brief
Nee, de staatshuishoudkundigen denken niet zoals hen zo vaak verweten wordt dat wij in de beste van alle mogelijke werelden leven. Zij sluiten hun ogen niet voor de onvolkomenheden van de maatschappij en hun oren niet voor de jammerkreten van hen die lijden. Maar zij zoeken de oorzaak van deze misstanden en geloven ontdekt te hebben dat onder de fundamenten van onze maatschappij er niet een zo wijdverbreid is als het onrecht. Dat is waarom ze boven alles de rechtvaardigheid, de algemene rechtvaardigheid inroepen.

De mens wil zijn lot verbeteren. Dat is zijn eerste wet. Voor de realisering van die verbetering zijn arbeid en moeite nodig. Hetzelfde principe dat de mens naar welzijn doet streven spoort hem ook aan tot het vermijden van moeite. Voor hij zich aan zijn werk zet zoekt hij dikwijls de toevlucht bij andermans arbeid.

Men kan dus op het persoonlijk belang toepassen wat Esopus over de tong zei: "Niets in de wereld heeft meer goed, noch meer kwaad gedaan." Het persoonlijk belang schept alles waarvan de mensheid leeft en waardoor zij zich verder ontwikkelt; het spoort de arbeid aan en geeft het aanzien aan het eigendom. Maar tegelijkertijd schept het al die onrechtvaardigheden waarvoor verschillende termen in omloop zijn maar samengevat kunnen worden met het woord beroving.

Eigendom, beroving, het zijn kinderen van dezelfde vader, heil en gesel van de maatschappij, goede en kwade geesten, machten die vanaf hun onstaan elkaar over de wereldheerschappij bevechten.

Het is niet moeilijk, met dit verband tussen eigendom en beroving in het achterhoofd, om te verklaren hoe makkelijk Rousseau en zijn latere volgelingen de maatschappelijke orde hebben kunnen belasten en omver kunnen stoten. Zij hoefden slechts een kant van het persoonlijk belang te laten zien.

We hebben geziendat de mensen van nature eigenaars zijn van hun werk en door over en weer eigendommen te delen elkaar wederkerige diensten bewijzen.

Dit gesteld zijnde, bestaat het algemene karakter van de beroving eruit om geweld of bedrog te gebruiken zodat de gelijkwaardigheid van de diensten in het eigen voordeel verstoord kan worden.

De listen van de beroving zijn even onuitputtelijk als de bronnen van de menselijke scherpzinnigheid. Twee voorwaarden zijn noodzakelijk om de wederkerigheid van bewezen diensten als wettig evenredig te aanvaarden: de eerste is dat het oordeel van de beide partijen niet vertroebeld is door de misleiding van een partij en de tweede is dat de overeenkomst vrijwillig is. Als iemand van zijn gelijken een waardevolle dienst afperst door hem te doen geloven dat wat hij ervoor terugkrijgt ook waardevol is terwijl dat in werkelijkheid niet zo is, dan is er sprake van beroving. Des te meer als er van geweld gebruik gemaakt wordt.

Men zou simpel kunnen stellen dat er alleen sprake is van beroving als die in de vorm van diefstallen, die in de wet worden omschreven en waarvoor gestraft wordt, plaatsheeft. Als dit zo zou zijn dan zou ik inderdaad een te groot gewicht toekennen aan zelden voortkomende daden die de openbare mening afkeurt en de wet aanpakt. Maar helaas!

Er zijn vormen van beroving die uitgevoerd worden met toestemming van de wet, met hulp van de wet en met de enthousiaste goedkeuring van de maatschappij: deze vorm van beroving kan zich op zo'n grote schaal uitbreiden dat zij in staat is de verdeling van rijkdom in het maatschappelijk lichaam te veranderen en om daarmee voor langere tijd de gelijkmakende kracht van de vrijheid te verlammen, constant tweedelingen te scheppen, de poorten van ellende te openen en de zonvloed van ziektes over de wereld te verspreiden die door oppervlakkige geesten aan het eigendom worden toegeschreven.

Ziedaar de beroving waarvan ik spreek als ik stel dat zij vanaf het begin met het tegenovergestelde principe om de wereldheerschappij strijd. Nu bespreken wij kort enkele van haar kenmerken. Wat is allereerst de oorlog, en dan vooral de oorlog zoals men haar in de oudheid begreep? Mensen verenigden zich, vormden een natie en hadden een afkeer van het gebruiken van hun krachten om de natuur dienstbaar te maken, om hun middelen van bestaan te vergroten; maar terwijl andere volken eigendommen hadden gevormd vielen zij hen te vuur en te zwaard aan en beroofden hen een voor een. Voor de overwinnaars was er niet alleen de buit maar ook de roem, het gezang van de dichters, de toejuichingen van de vrouwen, de nationale beloningen en de bewondering van het nageslacht! Zeker, deze handelwijze die algemeen nagevolgd werd, veroorzaakte veel leed en rampen en was de oorzaak van grote ongelijkheid onder de mensen. Was dit nu de schuld van het eigendom?

Later werden de rovers geslepener. De overwonnenen over de kling jagen was in hun ogen hetzelfde als het vernietigen van een schat. Alleen de eigendommen roven was de oude tactiek: de mensen en hun eigendommen roven dat was een blijvende beroving. Vandaar dat de slavernij de maximale vorm van beroving is omdat zij de overwonnenen beroofd van zowel hun huidige als hun toekomstige eigendommen, van hun handen, van hun verstand, van hun vermogen, van hun voorkeuren, kortom van hun complete persoonlijkheid. In het kort houdt het dit in: van iemand alle diensten eisen die men met geweld uit hem kan trekken en geen enkele dienst terug bewijzen.

Zo was het in Athene, in Sparta, in Rome en het is een bedroevende gedachte dat het de denkbeelden en zeden van de gemenebesten zijn die ons door onze opvoeding tot waarheid maken en die tot in het diepste van onze poriën doordringen. We lijken op planten die door de tuinman met gekleurd water besproeid worden en daarmee een kunstmatige, onuitwisbare kleur krijgen. Verwondert men zich er dan over dat de geschoolde klassen geen deugdelijk land kunnen stichten? Hoe dan ook, men zal moeten toegeven dat daar de oorzaak van de ongelijkheid ligt die zeker niet toegeschreven kan worden aan het eigendomsstelsel zoals ik dat hier heb beschreven.

Ik ga aan het lijfeigenschap en het leenstelsel en wat daarvan tot 1789 is blijven bestaan stilzwijgend voorbij. Wel kan ik niet nalaten om de beroving te vermelden die gedurende een zo lange tijd is uitgeoefend door misbruik te maken van de godsdienst. Van de mensen waardevolle diensten vragen en hun daarvoor slechts denkbeeldige, valse, bedrieglijke en belachelijke voor in de plaats te geven, dat is beroven; met hun eigen goedkeuring, maar dat is nu juist een verzwarende omstandigheid omdat dit veronderstelt dat men begonnen is met de bron van de vooruitgang, het oordeel te verwoesten. Ik zal daar niet stil bij blijven staan.

De hele wereld weet wat voor afstand de priesterklasse tussen zichzelf en het gemene volk geschapen heeft in Indië, Egypte, Italië en Spanje doordat zij van lichtgelovigheid misbruik maakten en daarvoor ware of valse religies misbruikten. Is dit ook de schuld van het eigendom?

Nu zijn we in de negentiende eeuw aangekomen, nadat de grote maatschappelijke onrechtvaardigheden diepe sporen in de grond getrokken hebben, en wie kan zeggen dat het niet veel tijd zal kosten om ze uit te wissen; zelfs als wij van nu af aan in al onze wetten het principe van het eigendom als uitgangspunt zouden nemen wat niets anders betekent dan vrijheid, de uitdrukking van de algemene rechtvaardigheid? Weten we nog dat er nu nog lijfeigenschap is in de helft van Europa; dat in Frankrijk nauwelijks een halve eeuw geleden het leenstelsel afgeschaft is en dat het in Engeland nog volledig bestaat; dat alle naties zich enorm inspannen om machtige legers op de been te brengen en houden, hetgeen stilzwijgend te kennen geeft dat zij allemaal elkaars eigendommen bedreigen of dat deze legers zelf niets anders dan een beroving zijn.

Herinneren we ons dat alle volken zuchten onder de last van schulden waarvan de oorsprong te vinden is in vorige dwaasheden; vergeten wij niet dat we jaarlijks miljoenen betalen om het kustmatige leven van een slavenkolonie te verlengen, nog meer miljoenen uitgeven om de invoer te verhinderen op de kusten van Afrika (hetgeen ons ook nog in grote diplomatieke moeilijkheden gebracht heeft) en ook op het punt staan om honderd miljoen aan de plantages te geven als kroon op de afpersingspraktijken van hun kant.

Zo houdt het verleden ons in haar greep, wat we ook beweren: we maken er ons maar langzaam van los. Is het verwonderlijk dat er ongelijkheid onder de mensen bestaat als het principe van gelijkheid, het eigendom zo weinig toegepast is? Waar moet die gelijkmaking vandaan komen die een zo vurige wens is van onze tijd en die haar zo goed karakteriseert? Zij kan alleen verwezenlijkt worden door de rechtvaardigheid, door deze wet toe te passen: dienst voor dienst. Om ervoor te zorgen dat deze twee diensten op basis van hun werkelijke waarde geruild worden hebben beide partijen twee dingen nodig: verstand en vrijheid van handelen. Als het oordeel niet scherp geweest is zal men voor waardevolle diensten belachelijke diensten terug ontvangen. Nog erger is als er geweld gebruikt wordt om tot een overeenkomst te komen.

Na dit gesteld te hebben en erkend te hebben dat er ongelijkheid tussen mensen is door wat er in de geschiedenis gebeurd is en die daarmee niet zomaar kunnen verdwijnen, is het nodig om te kijken of het in onze eeuw zal lukken de rechtvaardigheid overal te laten heersen en het geweld en de list uit het menselijke handelen te verbannen waardoor de evenredigheid van diensten op natuurlijke wijze tot stand kan komen en de volks -en gelijkheidslievende zaak van het eigendom zal zegevieren. Helaas! Ik ontmoet hier zoveel pas ontstane misbruiken, zo veel uitzonderingen en afwijkingen die aan de horizon van de nieuwe maatschappelijke orde verschijnen dat ik niet weet waar ik moet beginnen.

Ten eerste hebben we allerlei soorten voorrechten. Niemand kan advocaat, geneesheer, hoogleraar, makelaar, effectenhandelaar, notaris, aanklager, apotheker, boekdrukker, slager of bakker worden zonder hierbij wettelijke hinderpalen te ontmoeten. Deze zijn net als zoveel diensten die men verboden is te bewijzen met het gevolg dat zij die toestemming hebben gekregen een hogere prijs zullen eisen en in feite het voorecht meer oplevert dan de arbeid zelf. Ik klaag er niet over dat men eisen stelt aan hen die deze diensten bewijzen hoewel het bewaken van de kwaliteit ook gecontroleerd zou kunnen worden door hen die de diensten ontvangen en betalen. Maar deze eisen moeten niets uitsluitends bevatten. Eis van mij wat ik moet weten wat ik als advocaat of geneesheer dien te weten maar eis niet dat ik het in die of die stad of in zus of zoveel jaar geleerd heb.

Vervolgens is het de beurt aan de kunstmatige prijs, de toegevoegde waarde die men door het tarievenspel aan de meest noodzakelijke dingen tracht te geven, zoals aan koren, vlees, kledingstoffen, ijzer, gereedschappen, enzovoorts. Daarin ziet men duidelijk een poging om de evenredigheid van de diensten te vernietigen, een gewelddadige aanslag op de heiligsten van al onze eigendommen: onze handen en capaciteiten. Zoals ik al eerder heb aangetoond is het zo dat als de grond langzamerhand volledig in cultuur gebracht is en de bevolking blijft groeien zij het recht heeft om de bevoegdheden van de grondbezitters te beperken door voor het buitenland te gaan werken en van daaraf hun levensbehoeften te betrekken. Die bevolking kan niets anders dan arbeid in ruil voor die producten geven en het mag duidelijk zijn dat als de arbeidsbevolking blijft groeien en de grond gelijk blijft men meer arbeid voor dezelfde producten zal moeten leveren. Dit is goed te zien bij het dalen van de lonen van arbeiders: het grootste geluk als het voortkomt uit natuurlijke oorzaken maar de grootste misdaad als zij voortkomt uit wet.

Dan is de belasting aan de beurt. Dit is een zeer gewild bestaansmiddel geworden. Men weet dat het aantal posten steeds groeit en ook dat het aantal sollicitanten nog veel sneller groeit dan het aantal posten. Welnu, welke sollicitant vraagt zich af of hij aan het publiek diensten zal bewijzen die evenredig zijn aan die hij van het publiek verwacht? Zal die gesel spoedig ophouden? Hoe kan men dat nu geloven wanneer men ziet dat de publieke opinie er zelf naar streeft om alles te laten doen door dat denkbeeldige wezen, de Staat die zoveel betekent als een verzameling goed betaalde ambtenaren. Nadat we alle mensen, niemand uitgezonderd, bekwaam geacht hebben om het land te regeren verklaren we vervolgens dat geen van hen bekwaam genoeg is om zichzelf te regeren. Spoedig zullen er twee of drie goed betaalde ambten per fransman zijn: de een om hem te verhinderen te veel te werken, de ander om zijn opvoeding te voltooien, een derde om hem geld te lenen, een vierde om hem in zijn handelingen te belemmeren, enzovoorts, enzovoorts. Waarheen zal ons deze verstandsverbijstering leiden die ons het denkbeeld gebracht heeft dat de Staat een wezen is met een onuitputtelijk vermogen en onafhankelijk van onszelf is?

Het volk begint te begrijpen dat de regeringsmachine kostbaar is. Maar het snapt niet dat die last onvermijdelijk op haar eigen schouders terechtkomt. Men laat het geloven dat hoewel haar deel hierin tot nu toe hoog geweest is, de Republiek nu een oplossing heeft gevonden door de algemene lasten weliswaar te verhogen maar ten minste het grootste deel hiervan op de schouders van de rijken te leggen. Een noodlottige inbeelding! Ongetwijfeld kan men zo ver komen dat de ontvanger zich eerder tot de ene dan tot de andere persoon wendt en dat hij daarmee het geld uit de handen van de rijken ontvangt. Maar het heeft een bredere uitwerking op de maatschappij omdat het invloed heeft op de betrekkelijke waarde van de diensten en men kan daardoor niet voorkomen dat het de gehele maatschappij geld kost inclusief de armen. Het is daarom van wezenlijk belang dat men niet een klasse treft maar dat men ervoor zorgt dat men iedereen spaart omwille van de hoofdelijkheid die allen één maakt. Waarom zijn er dan geen aanwijzingen dat spoedig de belastingen verlaagd zullen worden?

Ik stel oprecht: ik geloof dat wij nu een weg inslaan waarop er op een zeer zachte en subtiele manier en op basis van mooie principes een vorm van beroving ontwikkeld wordt die niemand zich nu nog voor kan stellen. Die vorm is deze: onder de definitie van de staat verstaat men in het algemeen een vereniging van burgers als een werkelijk bestaand wezen met een eigen leven, eigen rijkdommen, onafhankelijk van het leven en de rijkdom van de burgers zelf en vervolgens klopt iedereen aan bij dit wezen voor onderwijs, een baan, een krediet, voedsel, enzovoorts, enzovoorts. Nu kan de Staat niets aan de burgers geven zonder hun iets te ontnemen. Het resultaat van deze brugfunctie is eerst een grote krachtinspanning en vervolgens de vernietiging van de evenredigheid van de diensten aangezien iedereen zal proberen zo min mogelijk aan de schatkist te geven en er zoveel mogelijk uit zal proberen te halen.

Met andere woorden: de schatkist van de Staat zal ten prooi vallen aan plunderingen. En zien we vandaag de dag niet zoiets? Welke klasse vraagt geen gunsten van de Staat? Het lijkt wel of de Staat noodzakelijk is om te leven. Zonder het gereken van haar ambtenaren staan de landbouw, de fabrieken, de koophandel, de kunsten, het toneel, de koloniën en de scheepvaart stil. Hij moet ontginnen, irrigeren, kolonisten uitzenden, onderwijzen en zelfs genoegens aanbieden. Iedereen bedelt om een premie, een tegemoetkoming, een aanmoediging en vooral het kosteloos verkrijgen van bepaalde diensten zoals onderwijs en krediet. En waarom vraagt men niet aan de Staat de kosteloze verschaffing van alle diensten? Waarom vraagt men niet aan de Staat dat hij gratis alle burgers eten, drinken en kleren geeft?

Een klasse heeft tot nu toe niet meegedaan aan deze dwaze ontwikkelingen. Een arme dienstmeid was mij nog trouw gebleven, die door de slechte lucht niet besmet was. Het was het echte volk, de talrijke klasse van de werklieden. Maar nu staan zij ook in de gelederen. Ze storten zich op de schatkist; met alle recht en op basis van het gelijkheidsprincipe heeft zij net zoveel recht op het meedoen aan de algemene plundering waar de andere klassen het sein toe gegeven hadden. Wij betreuren het diep dat op de dag waarop zij voor het eerst haar stem liet horen zij dat deed om deel te nemen aan de roof en niet om haar op te doen houden. Maar kon deze klasse wel verlichter zijn dan de anderen? Is het niet te excuseren bedrogen te worden door een illusie die allen bedroog?

Intussen kan doordat het aantal vragers tegenwoordig even groot is als het aantal burgers de dwaling die ik hier benoem niet van lange duur zijn en men zal er weldra op moeten terugkomen, om dan te beginnen om van de Staat alleen die dingen te vragen die tot haar eigenlijke taak behoren, te weten rechtshandhaving, de verdediging van het volk, openbare werken, enzovoorts.

We zijn nu gekomen tot een andere oorzaak van ongelijkheid die misschien nog wel belangrijker is dan alle andere: de strijd tegen het kapitaal. De lagere klasse kan slechts op een enkele manier vrij blijven, namelijk door het nationale kapitaal te vergroten. Wanneer het kapitaal sneller groeit dan de bevolking heeft dit twee onvermijdelijke gevolgen die allebei het lot van de werklieden verbeteren: daling van de prijzen en verhoging van de lonen. Maar om het kapitaal te laten groeien moet het boven alles veilig zijn. Als het bang is dan verbergt het zich, vlucht het land uit, verspreidt zich en gaat verloren. Dan is er minder werk en dalen de lonen. Het grootste ongeluk voor de werkende klasse is daarom zich mee te laten slepen door vleiers in een strijd tegen het kapitaal die even dwaas als noodlottig is. Het is een eeuwigdurende bedreiging van beroving die schadelijker is dan de beroving zelf.

In het kort, als het waar is wat ik geprobeerd heb aan te tonen dat de vrijheid de vrije beschikking over het eigendom steunt en daarmee ook het eigendomsrecht; dan is het ook zo, stel ik, dat de vrijheid onweerstaanbaar vecht om de juiste evenredigheid van de diensten in te voeren en daarmee langzamerhand de gelijkheid te verwezenlijken en alle mensen op een hoger niveau te brengen. Daarom is de ontmoedigende ongelijkheid niet de schuld van het eigendom maar van het tegenovergestelde begrip, dat van de beroving die oorlogen, slavernij, lijfeigenschap, het leenstelsel, het misbruiken maken van de algemene onwetendheid, de voorechten, de monopoliën, de beperkingen, de staatsleningen, het handelsbedrog, de bovenmatige belastingen, de strijd tegen het kapitaal en ook nog de dwaze bewering dat iedereen kan leven en zich ontwikkelen ten koste van allen over deze planeet verspreid heeft.

Over de auteur

Frédéric Bastiat (1801 - 1850) was een Frans econoom en klassiek-liberaal filosoof.

Ongetwijfeld is Bastiats belangrijkste werk, oorspronkelijk een pamflet, De Wet, 1850, die de ontwikkeling van een vrij en rechtvaardig wetssysteem beschrijft en alle aspecten van de toepassing ervan in een liberale maatschappij behandelt. Vooral zijn satirische petitie van kaarsenmakers gericht aan de Franse wetgevende gedeputeerden is beroemd geworden.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl