“Achter de meeste argumenten tegen de vrije markt ligt een gebrek aan geloof in vrijheid zelf.”
Milton Friedman

Eigendom en beroving

Door Frederic Bastiat

29 juni 2003

Eerste brief
De nationale vergadering is in beweging door een belangrijke vraag, waarvan de beantwoording het geluk en de rust van Frankrijk in hoge mate bepaalt. Een nieuw recht klopt op de deur van de grondwet: het recht op arbeid. Het vraagt er niet alleen een plaats voor zichzelf: het is van plan om, compleet of gedeeltelijk, die van het recht op het eigendom in te nemen.

De heer Louis Blanc heeft voorlopig al dit nieuwe recht afgekondigd, met de bekende goede gevolgen.
De heer Proudhon roept het te hulp om het eigendom uit te schakelen.
De heer Considerant om het eigendom te garanderen door hem te wettigen.

Dus, volgens deze staatkundige schrijvers, draagt het eigendom iets onrechtvaardigs en vals, een kiem des doods in zich. Ik meen te kunnen aantonen dat het de waarheid en rechtvaardigheid zelf is, en dat wat de kern ervan is het beginsel van vooruitgang en leven is. Zij schijnen te menen dat, in de strijd die gevoerd zal worden, de armen belang hebben bij de overwinning van het recht op arbeid en de rijken bij de verdediging van het eigendomsrecht.

Ik heb geaarzeld om een staatkundige verhandeling in een dagblad te willen plaatsen. Hieronder geef ik mijn redenen hiervoor aan:
Allereerst het gewicht en de wezenlijkheid van het onderwerp;

Vervolgens, de heren Louis Blanc, Considerant en Proudhon zijn niet alleen schrijvers op staatkundig gebied; als vertegenwoordigers in de nationale vergadering hebben ze een groot aantal toegewijde volgelingen achter zich. Hun leer oefent een grote, volgens mij nadelige, invloed op de maatschappij uit en wat vooral van belang is, kan steunen op argumenten die aan kritische toetsing door de wetenschap ontsnapt zijn.

Waarom zou ik het nu niet bekennen? Iets in het binnenste van mijn geweten zegt mij dat het me misschien zal lukken, temidden van deze hevige tweestrijd, om een nieuw licht te laten schijnen dat het gemeenschappelijke terrein van deze twee uiteenlopende scholen zichtbaar kan maken. Dat is hopelijk genoeg voor mijn lezers om deze brieven te accepteren.

Ik zal eerst moeten aantonen wat men het eigendom verwijt. Hieronder geef ik in het kort de argumenten van de heer Considerant. Ik geloof niet dat ik zijn theorie verander door haar bondig samen te vatten.
 

  1. Ieder mens bezit krachtens de wet de vruchten van zijn arbeid. Hij kan deze consumeren, weggeven, ruilen of overdragen zonder dat iemand, zelfs de gehele maatschappij niet, er iets over te zeggen heeft.

  2. De eigenaar bezit wettelijk dus niet alleen wat zijn grond opbrengt maar ook de overwaarde die hij aan de grond heeft toegevoegd door zijn arbeid.

  3. Maar er is iets wat hij niet zelf heeft geproduceerd, dat niet het resultaat van arbeid is: de onbebouwde grond, het oorspronkelijke kapitaal, de voortbrengende kracht van de natuur. Nu heeft de eigenaar zich van dat kapitaal meester gemaakt. Daar zit hem de onrechtmatige inbezitneming, de verbeurdverklaring, de onrechtvaardigheid en de voortdurende onwettigheid.

  4. Het menselijk geslacht is op deze aarde geplaatst om te leven en zich te ontwikkelen. Het geslacht is dus consument van het oppervlak van de aarde. Nu is het oppervlak echter in bezit genomen door de minderheid met buitensluiting van de meerderheid.

  5. Het is waar, die inbezitneming is onvermijdelijk: want hoe zou men kunnen produceren als iedereen in het wilde weg en in vrijheid zijn natuurlijke rechten, te weten zijn wildheidsrechten, kan uitoefenen?

  6. Men moet dus het eigendom niet vernietigen maar het wettigen. Hoe? Door de erkenning van het recht op arbeid.

  7. Inderdaad, de wilden oefenen hun vier rechten (jacht, visvangst, akkerbouw en veeteelt) niet zonder de voorwaarde van arbeid uit: het is dus onder dezelfde voorwaarde dat de maatschappij aan de eigenaars de gelijke waarde van de opbrengsten van de productie waarvan zij hen beroofd heeft verschuldigd is.

  8. In feite is de maatschappij aan alle leden van het geslacht, mits zij werken, een loon schuldig dat hen in staat stelt een leven te leiden dat niet als minder rijk dan dat van de wilden kan worden beoordeeld.

  9. Dan zal het eigendom in alle opzichten wettig zijn en is er sprake van verzoening tussen rijk en arm.

Dit is de complete theorie van de heer Considerant . Hij verzekert dat deze strijd om het eigendom zeer eenvoudig is en dat er maar een beetje gezond verstand voor nodig is haar te laten stoppen terwijl er voor hij zich ermee bemoeide niemand er iets van begrepen had. Het compliment is niet vleiend voor het menselijk geslacht; maar daar staat tegenover dat ik de buitengewone consistentie die de schrijver in zijn conclusies kenmerkt niet anders dan bewonderen kan.

Wat vraagt hij eigenlijk van de maatschappij?
Dat zij het recht op arbeid erkent als vergoeding, ten gunste van het geslacht voor productie op onbebouwde grond.

Hoe hoog schat hij de vergoeding?
Omdat er ongeveer een inwoner per vierkante mijl is kunnen de Franse grondeigenaars zeer goedkoop hun onwettige toe-eigening wettigen. Zij hoeven slechts de beloften te doen om 30.000 tot 40.000 landlozen in staat te stellen zich naast hen op dezelfde trap als de Esquimaux te plaatsen. Maar wat zeg ik? Waarom heb ik het over Frankrijk? In dit stelsel bestaat er geen Frankrijk, bestaat er geen nationaal eigendom omdat de het gebruik van de grond, in het volle recht, aan het geslacht toebehoort.

Verder ben ik niet van plan de theorie van de heer Considerant nauwkeurig te onderzoeken, dan zou ik te ver afdwalen. Ik wil alleen maar de bedenkelijke en ernstige elementen van de fundamenten van zijn theorie onderuithalen, ik heb het hier over de strijd om de rente.

Het stelsel van de heer Considerant kan men kort als volgt samenvatten. Een landbouwkundig product ontstaat door het verenigen van twee soorten arbeid:

1. De arbeid van de mens, ofwel de arbeid die aanleiding geeft tot het recht op eigendom.
2. De arbeid van de natuur, die gratis is en die de eigenaars op een onrechtvaardige manier voor hun eigen gewin gebruiken. Dat is een onwettige schending van de rechten van het geslacht.

Indien ik zou bewijzen dat de mensen in hun overeenkomsten elkaar slechts met hun arbeid kunnen betalen en dat de werking van de natuur op de prijs geen enkele invloed zou hebben dan zou de heer Considerant hier heel voldaan over zijn.

De grieven van de heer Proudhon tegen het eigendom zijn precies hetzelfde. "Het eigendom," zegt hij, "zal ophouden onbehoorlijk te zijn, door de wederkerigheid van de diensten." Als ik dus aantoon dat de mensen onder elkaar niets anders dan diensten ruilen, zonder elkaar ooit voor het gebruik van de natuurkrachten, die God aan allen gratis gegeven heeft, iets in rekening te brengen dan moet de heer Proudhon van zijn kant toegeven dat zijn utopie verwezenlijkt is.

Deze twee staatkundigen zullen niet belast worden met het opeisen van het recht op arbeid. Het maakt niet veel uit dat dit beruchte recht door hen in een compleet ander licht beschouwd wordt, dat volgens de heer Considerant het eigendom gewettigd dient te worden terwijl het volgens de heer Proudhon vernietigd moet worden; er zal nooit meer ruzie over ontstaan, mits het voldoende bewezen is, dat onder de heerschappij van het eigendom de mensen moeite tegen moeite, poging tegen poging, arbeid tegen arbeid, dienst tegen dienst ruilen, terwijl de hulp van de natuur er altijd gratis bijgegeven wordt, zodat de natuurkrachten, gratis van aard, niet ophouden gratis te zijn midden door alle menselijke overeenkomsten heen.

Men kijkt naar waar ruzie over gemaakt wordt, over de wettigheid van de rente, omdat men veronderstelt dat zij helemaal of gedeeltelijk een onwettige betaling is die de gebruiker doet aan de eigenaar, niet voor een persoonlijk bewezen dienst maar voor de gratis verkregen weldaden van de natuur.

Ik heb gezegd dat de huidige hervormers zich konden beroepen op de mening van de meest vooraanstaande staatshuishoudkundigen. In werkelijkheid zegt Adam Smith dat de rente vaak een passende interest is van het kapitaal, besteed om de grond te verbeteren, maar dat ook deze interest maar een gedeelte is van de rente.

Hierop baseert MacCulloch deze stellige verklaring: "Dat wat men rente noemt de som is die betaald wordt voor het gebruik van de natuurkrachten en van de kracht die de grond zelf bezit. Zij is geheel afgescheiden van de som die betaald wordt voor de gebouwen, omheiningen, wegen en andere verbeteringen van de grond. De rente is dus altijd een monopolie."

Buchanan gaat zo ver dat hij stelt: "Dat de rente een gedeelte is van het inkomen van de gebruikers dat overgaat in de zak van de grondeigenaar."
Ricardo: "Een gedeelte van de rente wordt betaald voor het gebruik van het kapitaal dat besteed is om de grond te verbeteren, gebouwen op te richten enzovoorts: het andere wordt gegeven voor het gebruik van het oorspronkelijke en onverwoestbare genot van de grond."

Scrope: "De waarde van de grond en de bevoegdheid om daar een rente uit te ontvangen komt voort uit twee zaken:

1. Aan het inbezitnemen van de natuurkrachten.
2. Aan de arbeid die aan de verbetering van de grond is besteed.

Met betrekking tot het eerste is de rente een monopolie. Het is een beperking van het gebruik van de geschenken die de Schepper aan de mensen voor hun behoeften gegeven heeft. Deze beperking is alleen rechtvaardig voor zover zij voor het algemeen welzijn noodzakelijk is."

Senior: "De productiewerktuigen zijn de arbeid en de natuurkrachten. Omdat de natuurkrachten in het bezit zijn van de grondeigenaars, laten zij zich voor het gebruik ervan betalen door middel van rente, die voor geen opoffering zogenaamd een beloning is en ontvangen wordt door hen die noch gewerkt noch voorschotten gedaan hebben en die niets doen dan de hand uitsteken om hun beloning te incasseren."

Na gezegd te hebben dat een deel van de rente interest van het kapitaal is, voegt Senior er aan toe: "Het overschot wordt door de grondeigenaar geheven voor de natuurkrachten en is zijn beloning, niet voor wat hij gespaard heeft, maar eenvoudig voor wat hij niet bewaard heeft omdat hij het niet kon bewaren, voor het toestaan dat de giften van de natuur aangenomen werden."

Zeker op het ogenblik dat men ten strijde trekt tegen mensen die een op zichzelf prachtig lijkende leer verspreiden, die geschikt is om hoop en activiteit bij de lijdende klassen op te wekken en rust op het gezag van zulke mannen, dan is het niet genoeg het gewicht van de stelling over het hoofd te zien; het is niet genoeg om te roepen dat men slechts dromers, utopisten, dwazen of zelfs oproerlingen voor zich heeft. Men moet dan vooral de vraag bestuderen en oplossen. Die is het wel waard dat men zich er een ogenblik mee bezig houdt.

Ik geloof dat zij op een voor allen voldoende manier kan worden opgelost, als ik bewijs dat het eigendom niet alleen aan de zogenaamde proletariërs het gebruik van de natuurkrachten gratis laat maar zelfs dit gebruik tien en honderdmaal verdubbelt. Ik durf te hopen dat uit dit bewijs een helder inzicht zal voortkomen, in een samenstemming, in staat om het verstand te bevredigen en de aanmatigingen van alle staatshuishoudkundige, socialistische, zelfs communistische scholen op te laten houden.

Eigendom en beroving: Tweede brief

iDe heer Considerant is niet de enige die haar aanhangt, zoals blijkt uit het volgende; een uittreksel uit "De wandelende Jood" van Eugene Sue:

"Dodelijk zou het best het volslagen gebrek uitdrukken van de voor het leven benodigde zaken die een rechtvaardig ingerichte maatschappij de mensen verschuldigd is, moet zijn, aan de brave werkman omdat de beschaving hem elk recht op grond ontzegt en hij op de wereld komt met geen andere erfenis dan zijn armen.

De wilde heeft niet de voordelen van de beschaving maar hij heeft tenminste de dieren van het oerwoud, de vogels in de lucht, de vissen in de rivier en de vruchten van de aarde om zich te voeden; om zich te beschutten en te warmen onder de bomen van het woud.

De beschaafde, zonder de giften van God, de beschaafde die het eigendom als heilig en geheiligd beschouwd kan bij thuiskomst van zijn zware dagelijkse arbeid die het land verrijkt, een loon vragen enkel toereikend om gezond te leven; niets meer, niets minder."

Over de auteur

Frédéric Bastiat (1801 - 1850) was een Frans econoom en klassiek-liberaal filosoof.

Ongetwijfeld is Bastiats belangrijkste werk, oorspronkelijk een pamflet, De Wet, 1850, die de ontwikkeling van een vrij en rechtvaardig wetssysteem beschrijft en alle aspecten van de toepassing ervan in een liberale maatschappij behandelt. Vooral zijn satirische petitie van kaarsenmakers gericht aan de Franse wetgevende gedeputeerden is beroemd geworden.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl