“The whole aim of practical politics is to keep the populace alarmed (and hence clamorous to be led to safety) by menacing it with an endless series of hobgoblins, all of them imaginary.”
H.L. Mencken

Het verval van private wetgeving in IJsland

Door Roderick T. Long

20 juli 2005

History is philosophy teaching by examples. -- Bolingbroke Het IJslandse experiment Veel libertariërs zijn bekend met het systeem van private wetgeving dat bestond in IJsland tijdens de periode van het Vrije Gemenebest (930-1262). Het mechanisme van de markt en niet het monopolie op geweld van de overheid zorgde voor samenwerking en het bewaren van de orde.

In een korte schets waren de belangrijkste kenmerken van het systeem deze: de wetgevende macht was in handen van de Algemene Vergadering (de althingi); de wetgevers waren de Hoofdmannen (godhar, enkelvoud godhi) die de Vergaderingsmannen (thingmenn, enkelvoud thingmadr) vertegenwoordigde. Elke IJslander was verbonden aan een Hoofdman: ofwel direct als Vergaderingsman, ofwel indirect door het behoren tot het huishouden van een Vergaderingsman. Een hoofdmanschap (godhordh) was privé eigendom en kon dus worden gekocht en verkocht. Vertegenwoordiging was bepaald door een vrije keus en niet door woonplaats; een Vergaderingsman kon zijn trouw (en betaling) zomaar van de ene naar de andere Hoofdman verplaatsen zonder daarvoor te hoeven verhuizen. De competitie tussen Hoofdmannen zorgde er voor dat hun macht beperkt bleef.

De Algemene Vergadering keurde wetten goed maar had geen uitvoerende macht; het handhaven van de wet was de taak van het individu met de hulp van zijn vrienden, familie en Hoofdman. Ruzies werden ofwel opgelost door een particuliere schikking ofwel door de rechtbank die door de Algemene Vergadering beheerd werd. Misdadigers moesten een genoegdoening betalen aan de slachtoffers; degenen die weigerden konden in de toekomst geen aanspraak meer maken op juridische bescherming (konden dus gedood worden zonder straf). De claim op genoegdoening was zelf een verkoopbaar iets; een persoon die te zwak was om een claim uitgevoerd te krijgen kon deze aan een sterker iemand verkopen. Dit zorgde ervoor dat de sterkeren niet konden parasiteren op de zwakkeren. Buitenlanders vonden het "land zonder koning" schandalig maar het IJslandse systeem lijkt de vrede minstens zo effectief te hebben kunnen bewaren als haar koninklijke buren.

Het succes van de quasi-anarchistische wettelijke instituten van het IJslandse Vrije Gemenebest is gebruikt door David Friedman, Bruce Benson en anderen als bewijs tegen de stelling van Hobbes dat samenwerking onmogelijk is zonder centraal gezag.

Maar tijdens de Sturling periode (1230-1262) werd het IJslandse Vrije Gemenebest in zeer gewelddadige conflicten en sociale chaos gestort en de koning van Noorwegen moest eraan te pas komen om de orde te herstellen. Zou dit niet kunnen betekenen dat Hobbes het toch bij het rechte einde had?
Niet noodzakelijk. Er is een andere interpretatie van de feiten mogelijk.

Christendom en belastingen
In het jaar 1000, zeventig jaar na het oprichten van het Vrije Gemenebest, werd IJsland officiëel bekeerd tot het christendom waarmee een einde gemaakt werd aan de traditie van relatieve religieuze vrijheid. Voor de bekering aanbaden de meeste IJslanders de Noorse goden hoewel er ook een paar christenen waren. Als je een christen was dan moest je, net als je heidense buren, een bedrag betalen om de tempel van je Hoofdman te onderhouden maar voor de rest kon je min of meer aanbidden wie je wilde.

Maar in de jaren negentig van de tiende eeuw stuurde koning Olaf I van Noorwegen groepen militante christelijke missionarissen om te bekeren door middel van bemoeizucht en intimidatie. Zij die zich verzetten tegen het woord van God werden soms in elkaar geslagen of gedood. Ook nam de koning familieleden van prominente IJslanders die Noorwegen bezochten gevangen en hield ze als gijzelaars; Olaf dreigde ze te verminken of te doden tenzij het christendom als officiële religie van Ijsland werd aangenomen. IJsland, een land zonder veel hulpbronnen en zonder leger, kon niet zonder de handel met het machtige en rijke Noorwegen en moest de dreigementen van de koning dus wel serieus nemen. Toch verzetten veel IJslanders zich nog, ze weigerden om hun heidense geloof op te geven. Het eiland raakte al snel verdeeld de elkaar zeer vijandige kampen van christenen en heidenen. Een bloedige burgeroorlog leek op handen.

„Maar deze catastrofe [de dreigende burgeroorlog] werd afgewend op een typisch IJslandse manier: het conflict moest worden opgelost door arbitrage."
Maar deze catastrofe werd afgewend op een typisch IJslandse manier: het conflict moest worden opgelost door arbitrage. Net zoals het de dichters van de IJslandse sagen natuurlijk leek om bij het onderwerp van een spookhuis de bewoners een proces tegen de spoken te houden wegens het betreden van privé terrein, net zo natuurlijk leek het voor de religieuze heethoofden (wiens hele sociale systeem gebaseerd was op het vermijden van conflict door rechtspraak) om de zaak voor te leggen aan een gerespecteerd en onpartijdig lid van de gemeenschap en zijn uitspraak als bindend te accepteren.

De keuze viel op Throgeirr Thorkelsson, een prominente heidense Hoofdman met sterke banden met het christelijke kamp. Thorkelsson besloot in het voordeel van de christenen en daarmee werd het christendom de verplichte religie voor alle IJslanders. (Dit is een buitengewoon voorbeeld van het respect voor bemiddeling dat vaak karakteristiek is voor culturen met private of gedecentraliseerde wetgeving; het is moeilijk om iets dergelijks voor te stellen in hedendaagse probleemgevallen als Ierland, Bosnië, Zuid-Afrika en Palestina).

Het einde van de religieuze diversiteit In IJsland in het jaar 1000 begon pas in 1097 vruchten af te werpen toen de verplichte christelijke kerk werd ingesteld. Deze som, opgebracht door alle huishoudens, werd in vier delen betaald. Het eerste ging naar de bisschop (IJsland had er twee, een voor het noordelijke kwartier en een voor de andere drie kwartieren). Het tweede deel was voor de locale priester. Het derde deel was bestemd voor hulpbehoevenden; dit deel werd op het verzoek van de boeren ingezameld en beheerd door de Samenwerkenden (hreppar, enkelvoud, hreppr), dus door zichzelf besturende, elkaar helpende onafhankelijke huishoudens zodat de locale controle behouden bleef in dit geval. Het vierde en grootste deel was bestemd voor het onderhouden van kerkgebouwen. Het was dit laatste, ogenschijnlijk onschuldige, deel van de tiende die het IJslandse rechtssysteem het meest ondermijnde.

Roderick Long

Lees hier het tweede en laatste deel van Roderick Longs artikel.


Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl