Fortuynisme en libertarisme

Door Marc Bajema

6 mei 2003

Voor het gedachtegoed van wijlen professor Fortuyn bestond en bestaat in libertarische kring vrij grote sympathie. Hoewel het niet mogelijk is het Fortuynisme gelijk te stellen aan het libertarisme zijn er grote overeenkomsten zoals de sceptische houding tegen de verzorgingsstaat en maakbaarheid maar vooral ook een gedeelde afkeer van de "linkse kerk" die via haar politiek-correcte regels de maatschappelijke discussie probeert te beheersen. Een studie van Fortuyn’s belangrijkste werk "De verweesde samenleving. Een religieus-sociologisch traktaat". leert dat er ook verschillen van inzicht bestaan en met name op terreinen waar in de libertarische stroming intern ook veel discussie over is. Hier wordt geprobeerd de verschillen en overeenkomsten op een rijtje te zetten.

Het Rijnlandse model
De rode draad door het boek van Fortuyn is de evolutie van de Nederlandse samenleving vanaf de opstand tot heden en de sociale, politieke en economische veranderingen die hier het gevolg van zijn. De voornaamste verandering is wel de overgang van de regionaal ingestelde, weinig bureaucratische Republiek naar het gecentraliseerde, bureaucratische Koninkrijk. Fortuyn maakt duidelijk dat ondanks wat locale aanzetten tot staatsvorming buitenlandse invallen en de daaropvolgende bezettingen door de Fransen en de Duitsers de katalysator waren voor meer macht voor de centrale regering. Zo was het onmogelijk geweest voor Willem I in 1813 om zich met zijn (voor die tijd) zeer machtige staatsapparaat te handhaven zonder het voorwerk dat gedaan was door Napoleon tijdens de direct voorgaande periode van Franse bezetting. De macht van de regio’s bleef desondanks nog relatief groot maar de bezetting door het totalitaire Nazi-Duitsland zorgde ervoor dat de regeringen na 1945 veel meer mogelijkheden hadden om hun gezag uit te oefenen. Ook was de Duitse bezetter begonnen om de sociale rechtstaat (de voorloper van de verzorgingsstaat) in te voeren om zo Nederland economisch en sociaal te assimileren in het Duitse rijk. Seyss-Inquart en de SS staan dus aan de basis van onze verzorgingsstaat.

Die verzorgingsstaat werd na de oorlog door de Rooms-rode regeringen in haar wapenuitrusting gehesen maar wel ingepast in de bestaande kaders. Die kaders waren de overblijfselen van de regionale economie en de verzuiling en de daaruit voortkomende dominante rol van het christendom in de samenleving. Die kaders zorgden ervoor dat een socialistische planeconomie niet haalbaar was. In plaats daarvan werd gekozen voor het compromis tussen socialisme en laissez-faire kapitalisme: het Rijnland model (genoemd naar de Duitse regio). In het Rijnland model is het doel kapitaal en arbeid met elkaar te verzoenen door eindeloos overleg dat plaatsheeft in speciaal daarvoor opgerichte instituten. Ook is er een belangrijke rol voor de overheid die de economie moet stimuleren door hogere uitgaven ten tijde van een laagconjunctuur naar de theorie van Keynes en bovendien moet investeren in wetenschappelijk en technologisch onderzoek.

Dit systeem werkte heel aardig met de wederopbouw en de daaropvolgende groeistuip. Aan het einde van de jaren zestig kwamen er echter steeds meer aanwijzingen dat de theorie van Keynes eigenlijk niet helemaal klopte ook al ging men er in de praktijk nog maar even mee door. Vooral het gebrek aan buitenlandse concurrentie zorgde voor het succes van het model maar dat was door de opkomst van Japan en anderen eind jaren zeventig voorbij. Uiteindelijk leidde dit tot de zware crisis van de vroege jaren tachtig met symptomen als de jeugdwerkloosheid. Het werd duidelijk dat het zo lang niet verder kon met de stagnerende industrie en de uitdijende verzorgingsstaat. Het resulaat was het verkleinen van de rol van de overheid in de economie door een constante stroom van bezuinigingen en een grotere vrijheid voor ondernemers. Lapmiddelen aldus Fortuyn: de structuur van het Rijnlandse model werd niet aangepakt en bovendien bleef de publieke sector volledig buiten schot. Het resultaat hiervan was dat de publieke sector onder druk van de bezuinigingen over ging tot een schaalvergroting en verdere bureaucratisering: scholen, ziekenhuizen en politie, allemaal werden ze gedwongen om op een grotere schaal meer bureaucratischer te werken.

De menselijke maat
Die schaalvergroting en de constante druk op de budgetten zorgde ervoor dat de menselijke maat verdween uit de publieke sector. Fortuyn acht de menselijke maat in de omgang van mensen met elkaar van cruciaal belang voor het voortbestaan van die samenleving. Alleen zo kunnen mensen door zelforganisatie hun capaciteiten volledig gebruiken om hun directe problemen op te lossen. Een bureaucratie zorgt alleen maar voor vertraging en vervreemding en daarmee dus voor een wankele sociale samenhang en verloedering.

Vroeger werd de menselijke maat door de regionaliteit (beperkte interactie) en de verzuiling (een duidelijke identiteit) gewaarborgd. Vooral de christelijke kerk speelde hierin een grote rol door de normen en waarden (Fortuyn: “de Wet”). De pastoor of dominee vervulde de rol van een vader van de kudde en door een hierarchie, een sociale piramide van vaders was de zuil gestroomlijnd en beheersbaar. Met de opkomst van de verzorgingsstaat werd deze hierarchie in de jaren zestig en zeventig omver geworpen door de emancipatie van voorheen lagergeplaatsten als jongeren, vrouwen, homoseksuelen en later ook buitenlanders. Er was sprake van een gelijktijdige en elkaar onderling versterkende ontwikkeling van de technocratische verzorgingsstaat en de emancipatie van deze groepen. Hierbij verdwenen dus zowel de menselijke maat als de collectieve (ten minste binnen de zuil) normen en waarden.

Fortuyn was een fel voorstander van het herstellen van de menselijke maat en het vervangen van het Rijnlandse model door meer vrije marktwerking. Hij ging hier de door de gevestigde politiek uitgevoerde maatregelen als de privatiseringen en het herstel van het maatschappelijk middenveld uit de weg. Beide zouden de technocratie en de overlegeconomie nog meer in de kaart spelen omdat er in beide gevallen bepaald geen sprake van was dat men op een echte vrije markt overging. Wel werd zo de controle van de burger over de publieke sector door de politiek sterk verminderd.

In plaats hiervan zag hij een kans om door bestuurlijke decentralisatie de oude politieke structuur van voor de Franse en Duitse invallen te herstellen. Vier bestuurslagen zouden er moeten zijn: de Europese Unie, de nationale regering in Den Haag, vijf euregio’s (samenvoegingen van huidige provincies) en de gemeenten. De euregio’s en de gemeenten zouden de grootste macht krijgen en Den Haag en Brussel zouden vooral als overlegplaats dienen en voor dingen als buitenlands beleid. Verlost van Den Haag zouden de politie, de scholen en de ziekenhuizen in hun regionale kader de menselijke maat kunnen herstellen. Juist door terug te grijpen op de oude structuur van de Republiek zou Nederland dus aan de stagnatie kunnen ontkomen.


De moderniteit
Alleen het Rijnlandse model bij het grof vuil zetten en de menselijke maat herstellen was niet genoeg volgens Fortuyn. Een samenleving heeft structuur nodig, een identiteit die de elementaire deeltjes met elkaar kan verbinden zodat ze effectief samen kunnen werken. Die structuur ontlenen mensen aan hun cultuur en Fortuyn noemt de westerse cultuur de “moderniteit”. De moderniteit bestaat volgens hem uit de samenvoeging van drie voorgaande culturen: de joodse, de christelijke en de humanistische. Symbolisch gesteld droeg de joodse cultuur de vader aan, de christelijke de gemeenschap en de humanistische het individu: samen versterkten elkaar en vormden de nieuwe, moderne samenleving. Als iemand die iets van de klassieke oudheid pretendeert af te weten vindt ondergetekende het moeilijk om dit schema zo te aanvaarden. Als socioloog die vooral de recente geschiedenis bestudeerde richtte Fortuyn zich ongetwijfeld vooral op de nog levende culturele tradities en vele sociologen doen dat met hem. Maar het is onmogelijk om de zeer grote invloed van Griekse filosofen en het Romeinse recht op de denkers van de renaissance en daarna te ontkennen. Ook weten kenners van de late oudheid dat er oorspronkelijk weinig verschil bestond tussen joden en christenen. Pas toen de christelijke kerk macht kreeg in het Romeinse rijk begon ze de joden aan te pakken: dit om te voorkomen dat christenen wisselden van stroming en zich tot het jodendom bekeerden. Een zelfde houding kan men zien in het optreden van de katholieke kerk tegen de kathaarse ketters: het uitroeien van de concurrentie. In plaats van joods en christelijk apart zou dus joods-christelijk en klassiek beter op zijn plaats zijn.

Maar goed, de moderniteit is volgens Fortuyn onmisbaar in het structureren van de samenleving zodat samenwerking mogelijk is. Er zijn echter twee problemen: de moderniteit wordt verwaarloosd en bovendien bedreigd door andere culturen en met name de fundamentalistische islam. De verwaarlozing van de eigen cultuur is het gevolg van de weg-met-ons houding maar vooral ook door het verdwijnen van vorming in het gezin, op school en in de kerk. Die vorming hield in dat opgroeiende kinderen zich de normen en waarden van de samenleving eigen maakten door constante, indirecte indoctrinatie. Zo werden ze gevormd tot verantwoordelijke volwassenen die op een normale manier met andere mensen konden samenwerken – en leven. Hoewel Fortuyn constant benadrukt niet terug te willen naar de benarde jaren vijftig zag hij wel dat de verloedering van de vorming in de eigen cultuur tot een gevaarlijk soort cultuurrelativisme en emotionele leegte heeft geleid.

Helemaal gevaarlijk omdat door de toestroming van gastarbeiders en asielzoekers andere culturen een bruggehoofd hebben gevestigd in Nederland. Met name de fundamentalistische islam zag Fortuyn als een grote vijand van de moderniteit. Zou het cultuurrelativisme niet bestaan dan zou de integratie niet zo problematisch zijn. Maar juist de combinatie van weg-met-ons en de extreme aggressiviteit van de islamitische fundamentalisten zag Fortuyn als een zeer ernstige bedreiging voor het voortbestaan van Nederland waar hij niet zo snel een oplossing voor had.

Fortuyn twijfelde namenlijk nogal over de manier waarop de moderniteit in de vorm van de Nederlandse identiteit vorm gegeven moet worden. Herstel van de collectieve normen en waarden door een van bovenaf geleid proces van vorming van kinderen klinkt autoritair. Maar tegelijk wilde hij niet terug naar de jaren vijftig en zag ook in dat zoiets door de emancipatie van bijna elke groep ook helemaal niet mogelijk was. Het herstel van de menselijke maat in het onderwijs en een voortdurende discussie over de normen en waarden van de moderniteit met een nadruk op het zelforganiserende vermogen leek hem de beste oplossing. Ook zou de fundamentalistische islam door "een koude oorlog met woorden" moeten worden aangepakt.


Fortuynisme en libertarisme
Het lijkt dan duidelijk dat er grote overeenkomsten zijn tussen het gedachtegoed van Fortuyn en het libertarisme. In zijn constante wetenschappelijke en politieke strijd als David tegen Goliath tegen het Rijnlandse model zal iedereen zich kunnen vinden. Weinigen zullen ook iets tegen het herstellen van de menselijke maat hebben door middel van het terugdringen van de overheid. Het opnieuw indelen van Nederland in met elkaar concurrerende regio’s zou waarschijnlijk volgens velen tot een snellere economische en maatschappelijke vooruitgang leiden.

Het grote probleem is de nadruk op de moderniteit in de vorm van de Nederlandse identiteit en het willen opleggen hiervan als collectieve normen en waarden door middel van vorming onder leiding van welwillende maar toch autoritaire personen. Niet iets dat snel terug te vinden zal zijn in een libertarisch boek of partijprogramma. Fortuyn viel het (klassiek) liberalisme ook hard aan door te stellen dat het een blinde vlek heeft voor die culturele zaken die noodzakelijk zijn voor de sociale samenhang. Dit lijkt een harde tegenstelling want maar heel weinig libertarische denkers zullen zoiets als indoctrinatie willen accepteren: zelfs niet diegenen die voor harde actie zijn tegen de islamitische fundamentalisten.

Toch lijkt er wel wat speelruimte te zijn om de standpunten wat nader tot elkaar te brengen. Iemand als Hayek bijvoorbeeld stelde al in de jaren veertig dat kanalisering van informatiestromen door culturele regels de basis was voor een effectieve economische samenwerking; iets dat organisatiedeskundigen en sociobiologen in de praktijk goed gedocumenteerd hebben. Ook het paleo-libertarisme stelt dat cultuur (vooral de christelijke elementen) onmisbaar zijn. Hieruit kan voor de meeste libertarisch ingestelde mensen echter niet volgen dat kinderen en onaangepasten onder dwang gevormd worden tot leden van een bepaalde cultuur. Maar ook het standpunt van Fortuyn is flexibeler. Zo moet er uit gegaan worden van het feit dat de emancipatie niet terug te draaien is. Ook ergert hij zich aan het star vasthouden aan de leer van katholieke bisschoppen als Simonis en van bepaalde protestantse groepen. Het lijkt er toch sterk op dat er hier sprake is van meningen die rationeel bekeken niet eens zover uiteen lopen maar toch tot grote emotionele ruzies kunnen leiden. Bekijken we de twisten aan de rechterflank van het politieke spectrum en de redenen voor mensen om tegen rechts te zijn dan is het altijd weer dit thema dat opduikt: angst voor de dominantie van de eigen cultuur, voor een terugkeer naar een bijna mythisch tijdperk van sociale onderdrukking: de gevreesde jaren vijftig! Die angst is vaak ook zeer groot bij mensen die zich kapot ergeren aan "de verloedering van de maatschappelijke normen".

Welnu, die angst en de rationeel ongefundeerde meningsverschillen lijken me vooral het gevolg van het spoor van vernieling dat het Rijnlandse model en het vervangen van de menselijke maat door bureaucratie heeft getrokken door het traditioneel kapitalistische, regionalistische en republikeinse Nederland. Als de menselijke maat verdwenen is dan verschijnt de onzekerheid en daarmee ook de angst. De angst om onderdrukt te worden door het collectief. De rationele erkenning dat voor succesvolle samenwerking bepaalde gedeelde normen en waarden nodig zijn die met een beetje gedukl en goede wil een kind zonder al te veel dwang aan te leren zijn houdt geen stand tegen de instinctieve angst door de democratische massa onderdrukt te worden. Fortuyn worstelde met het probleem net als iedere Nederlander en westerling. Tegelijk droeg hij ook de kern van de oplossing aan: herstel van de vrije markt en het herstellen van de menselijke maat. In combinatie met nieuwe technologie als ICT zou Nederland weer terug kunnen keren naar de voorspoed zoals de Republiek die tijdens de Gouden Eeuw kende, alleen dan nog beter. Het probleem van de fundamentalistische islam zou dan een trivilialiteit geworden zijn.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl