De postume karaktermoord op Cyril Burt

Door Marcel Roele

20 maart 2003

De Britse psycholoog Sir Cyril Lodovic Burt (1883-1971) stond van het begin van de jaren dertig tot aan het begin van de jaren zeventig bekend als de titaan van de IQ-studies.

Pal voor zijn dood kende de American Psychological Association hem als eerste buitenlander de prestigieuze Edward Lee Thorndike- prijs toe. In een postuum verschenen verzameling essays die zijn collega's aan hem opdroegen, werd hij de "dean of the world's psychologists" genoemd. Binnen acht jaar sloeg de publieke opinie volkomen om. Burt werd zowel in de populaire pers als door collega-wetenschappers omschreven als een fraudeur en een charlatan. Hedendaagse critici van IQ-studies verwijzen nog gaarne naar de Burt-affaire. Zij zou immers aantonen dat het onderzoek naar de erfelijkheid van intelligentie, een gebied waarop Burt een pionier was, niet alleen politiek omstreden is, maar ook een traditie kent van wetenschappelijke fraude.

Burt studeerde klassieke talen, wiskunde, fysiologie en psychologie in Oxford. Hij werkte vier jaar als promovendus bij de neurofysioloog Sir Charles Sherrington aan de universiteit van Liverpool. Na een korte periode als docent in de experimentele psychologie aan de universiteit van Cambridge, werd Burt in 1913 in dienst genomen door de stadsprovincie Londen. Tot zijn taken behoorde onder andere het ontwikkelen van psychologische tests en schooltoetsen voor alle scholen in Londen. Hij zorgde ervoor dat consultatiebureaus werden opgericht voor de begeleiding van jonge kinderen en hun ouders en speciale scholen voor kinderen met leermoeilijkheden. Burt combineerde zijn praktische werk met een professoraat in de onderwijspsychologie aan de universiteit van Londen en het schrijven van boeken over jeugdcriminaliteit en leer- en opvoedingsmoeilijkheden. In 1932 gaf hij zijn baan als `stadspsycholoog' op, toen hij het aanbod kreeg om de beroemde statisticus en IQ-tester Charles Spearman op te volgen als hoogleraar en hoofd van de afdeling psychologie van het Londense University College.

In 1946 werd Burt bij de eerste lintjesregen die door de nieuwe Labour-regering werd georganiseerd als eerste psycholoog in de Britse geschiedenis geridderd. Ellen Wilkinson, minister van Onderwijs, schreef hem bij die gelegenheid: "Veel van het werk waarin u een pionier bent geweest speelt nu een rol van toenemend belang in het onderwijs." Burt steunde het gebruik van IQ-tests om vast te stellen welke leerlingen wel en welke niet zouden profiteren van algemeen vormend onderwijs. Hij zette zich in om ervoor te zorgen dat de tests getalenteerde leerlingen van lagere komaf zouden identificeren. Dit moest tijdig gebeuren, opdat de talenten uit achterstandsbuurten op een goede school konden worden geplaatst voordat ze, slechts omgeven door zwakkere broeders, een hopeloze achterstand bij het leren zouden oplopen. Het 11+-examen, vergelijkbaar met de CITO-toets, die van de jaren veertig tot de jaren zestig op Britse scholen werd gebruikt, sloot helemaal aan bij de ideeën van Burt: het resultaat bepaalde of je aan een opleiding begon die je voor de universiteit of de fabriek klaarstoomde.

Burt ging in 1950 met pensioen maar bleef publiceren over zijn wetenschappelijke specialiteit: de erfelijkheid van intelligentie. Sinds de jaren dertig had Burt nieuwe statistische technieken ontwikkeld, die hij combineerde met de inzichten van twee pioniers op het gebied van de wiskundige genetica: Sir Ronald A. Fisher en John B. S. Haldane. Burt verzamelde informatie over de intelligentie van tweelingen en gebruikte zijn kennis van statistiek en erfelijkheidsleer om te berekenen welk gedeelte van individuele verschillen in intelligentie verklaard kan worden uit individuele verschillen in erfelijke aanleg

Gould en Kamin


Stephen Jay Gould
(1941-2002)
Stephen Gould reconstrueert het verhaal van Burts ondergang in zijn boek De mens gemeten: de geschiedenis van de intelligentietest, waarvan de eerste editie in 1981 en de tweede in 1996 verscheen. De eerste verdenkingen tegen Burt werden volgens Gould al in 1974 gekoesterd door Goulds oudere vriend Leon Kamin, een psycholoog en net als Gould communist en bestrijder van het erfelijkheidsdenken. Dit is geen toevallige combinatie van politiek en wetenschappelijk engagement. Vanaf het einde van de jaren dertig werden in de Sovjet-Unie genetici doodgeschoten of naar concentratiekampen gestuurd en sinds 1948 was de erfelijkheidsleer door Stalin verboden omdat zij "een Westerse bourgeois-constructie is die in strijd is met de waarheden van het marxisme-leninisme." Marxistisch-leninistische Westerse genetici, zoals Haldane en Hermann Muller, hadden toen allang hun partijkaart ingeleverd en werden door goede communisten als renegaten beschouwd. Sinds die tijd lieten communistische wetenschappers geen gelegenheid voorbij gaan om erfelijkheidsdenkers zwart te maken.

Kamin signaleerde dat, terwijl Burt zijn onderzoeksgroep van eeneiige tweelingen die gescheiden waren opgegroeid in een reeks publicaties had uitgebreid van minder dan twintig tot meer dan vijftig, het statistisch verband tussen de IQ-scores van de helften van de tweelingen tot op drie cijfers achter de komma hetzelfde bleef. Volgens Kamin is dat onmogelijk: een bewijs dat er op zijn minst sprake is geweest van onvergeeflijke slordigheid. Vervolgens scherpte Oliver Gillie, de medisch correspondent van de Londense Sunday Times, in een voorpagina-artikel op 24 oktober 1976 de aanklacht aan tot bewuste oplichterij. Gillie had geprobeerd om twee coauteurs van publicaties van Burt uit de jaren vijftig en zestig, Margaret Howard en Jane Conway, te lokaliseren, maar zelfs een annonce in The Times had niets opgeleverd. Gillie concludeerde dat de vrouwen nooit bestaan hadden.

Charles Spearman
Charles Spearman
Charles Spearman
(1863-1945)
Gould schrijft over de affaire: "Cyril Burt baseerde zich op vervalste gegevens die waren verzameld door de fictieve mevrouw Conway. (...) Deze aanklacht leidde opnieuw tot een herbeoordeling van Burts `bewijsmateriaal' voor zijn rigide erfelijkheidsstelling. En inderdaad, ook met andere onderzoeken was geknoeid, in het bijzonder met zijn IQ- correlaties tussen nauwe bloedverwanten."

Gould stelt dat de meest "bizarre" vorm van fraude die Burt pleegde, de "intellectuele vadermoord" op Charles Spearman was, zijn voorganger en "mentor". Burt probeerde zichzelf in plaats van Spearman uit te roepen als de grondlegger van een statistische techniek die factoranalyse wordt genoemd.

Gould vervolgt zijn analyse van Burt met de observatie: "De erfelijkheid van de intelligentie was het idee-fixe van Burt. Als hij het over de erfelijkheid van de intelligentie had verschenen de oogkleppen en raakte zijn rationele gedachtegang zoek in het erfelijkheidsdogma waarmee hij beroemd is geworden en dat uiteindelijk zijn intellectuele ondergang betekende." Gould spreekt zijn verwondering erover uit dat "zo velen zijn beweringen over de erfelijkheid van intelligentie geloofden terwijl zijn argumenten en gegevens, die allemaal in populaire publicaties eenvoudig te vinden waren, zulke evidente vergissingen en misleidende beweringen bevatten." "Het erfelijkheidsdogma" is volgens Gould een "ingeplant sociaal vooroordeel" dat is veroorzaakt door "opzettelijk bedrog" zoals in het geval van "de gedocumenteerde vervalsing door Cyril Burt van gegevens over het IQ van identieke tweelingen."

Gould is nog wel zo vriendelijk om verzachtende omstandigheden voor Burts bedrog te noemen. Na Burts dood in 1971 begon Leslie S. Hearnshaw, een hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie, op verzoek van Burts zuster aan een postume biografie. Hearnshaw had toegang tot de dagboeken van Burt en er werd, vooral na 1976, halsreikend uitgekeken naar zijn boek, dat in 1979 verscheen onder de titel Cyril Burt, Psychologist. Voordat hij de biografie had gelezen meende Gould dat Burts fraude een `rationeel' idee was van een onbetrouwbaar persoon: Burt probeerde zijn erfelijkheidsdogma te redden, terwijl hij wist dat het spel was afgelopen. Hearnshaws boek overtuigde Gould ervan dat de fraude "de handeling was van een zieke en gekwelde man."

Gould concludeert uit de biografie, dat Burt met verzinsels begon in de jaren veertig. Zijn vroegere werk was geborneerd maar oprecht, ook al was het, zelfs naar de maatstaven van die tijd, vaak onvergeeflijk slordig en oppervlakkig. Burts onderzoeksgegevens gingen bij Duitse bombardementen op Londen in 1941 verloren; zijn huwelijk liep op de klippen; hij ging met onmin weg bij het University College en "zijn dogma van de erfelijkheidsleer paste niet meer in de geest van het tijdsgewricht dat net de holocaust achter de rug had." Burt was, meent Gould, geen "ontspoorde en sluwe charlatan," maar "dat is hij wel geworden," misschien door al die persoonlijke teleurstellingen of doordat hij leed aan de ziekte van Méniäre, een aandoening van het evenwichtsorgaan die ook vaak negatieve consequenties voor de persoonlijkheid heeft.

Joynson en Fletcher
Wat ontdekte Hearnshaw nu precies? Hij las de dagboeken die Burt tussen 1953 en 1960 bijhield. Uit de dagboeken en uit Burts correspondentie blijkt niet dat hij in deze periode nieuwe eeneiige tweelingparen die gescheiden waren opgegroeid heeft gelokaliseerd en getest. De dames die hem zogenaamd hierbij geassisteerd zouden hebben zijn onvindbaar. Desalniettemin voert Burt in publicaties uit 1955 en 1966 nieuwe tweelingparen op. Hearnshaw concludeert dat deze tweelingparen fictief zijn.

Volgens Gould onderstreept Burts fraude het failliet van het `erfelijkheidsdogma'. Hearnshaw wees er echter op, dat de resultaten van Burts studies uit de jaren vijftig en zestig volkomen in overeenstemming waren met de resultaten van onomstreden studies van diverse andere onderzoekers en met de resultaten van Burts eerdere onderzoeken. In tegenstelling tot wat Gould beweert was het erfelijkheidsdenken na de Tweede Wereldoorlog niet in diskrediet geraakt. Burt, als belangrijke representant van het erfelijkheidsdenken, was in de laatste decennia van zijn leven niet een marginale figuur geworden die door niemand nog serieus werd genomen. Hij werd juist beschouwd als de grijze eminentie van het intelligentieonderzoek.

Bovendien negeert Gould twee gezaghebbende onderzoeken naar de Burt-affaire, die de zaak in een volkomen nieuw licht hebben geplaatst. In de late jaren tachtig onderzochten twee Britse wetenschappers, de psycholoog Robert B. Joynson en de socioloog Ronald Fletcher, onafhankelijk van elkaar en zelfs zonder van elkaars projecten af te weten, het bewijsmateriaal waarop de beschuldigingen tegen Burt waren gebaseerd.

Joynson en Fletcher hebben detectivewerk verricht; Hearnshaw niet. Hearnshaw was al ver gevorderd met zijn biografie toen de beschuldigingen tegen Burt in de publiciteit kwamen. Hij was zelf niet op aanwijzingen gestuit dat Burt fraude had gepleegd. Het artikel van Gillie in de Sunday Times was voor Hearnshaw de directe aanleiding om in zijn biografie aandacht te besteden aan fraude. Zonder noemenswaardig onderzoek te verrichten naar de beschuldigingen tegen Burt, plaatste Hearnshaw ze tussen 1976 en 1979 in de biografie. Het enige punt waar Hearnshaw zelf mee kwam, namelijk dat Burts dagboeken aantonen dat hij geen onderzoek had verricht in de jaren vijftig en zestig, is een zwaktebod.

Hearnshaw wekt in zijn biografie de indruk dat Burts dagboeken compleet en gedetailleerd waren: ze vermeldden zelfs wanneer hij theedronk met iemand, een wandelingetje had gemaakt of naar de kapper was geweest. In werkelijkheid bevatten Burts `dagboeken' uitsluitend dergelijke trivialiteiten. Ze houden het midden tussen opschrijfboekjes en agenda's. Op de meeste dagen noteerde Burt helemaal niets, soms schreef hij maandenlang niet in de boekjes. Belangrijke gebeurtenissen in zijn leven, zoals de dood van zijn privésecretaresse en het bijwonen van haar begrafenis zijn niet genoteerd. Eén van de beschuldigingen tegen Burt die Hearnshaw klakkeloos overnam, was afkomstig van het echtpaar Alan en Ann Clarke. Alan en Ann waren in 1950 bij Burt gepromoveerd. Ruim een kwart eeuw later beweerden zij in artikelen en radioprogramma's dat Burt onder hun namen wetenschappelijke artikelen had geschreven waarin Burt gegevens die door de Clarkjes waren verzameld vervalst weergaf.

Karl Pearson

Karl Pearson (1857-1936)
Joynson en Fletcher laten niet veel heel van de beschuldigingen tegen Burt. De enige artikelen die Burt onder de namen van Alan en Ann Clarke had gepubliceerd, bleken samenvattingen van hun dissertaties te zijn. Burt had ze ter publicatie aangeboden aan het vakblad voor Britse onderwijspsychologen, een gebruikelijke manier om de aandacht van collega's op nieuwe proefschriften te vestigen. Alan Clarke schreef de samenvatting van zijn dissertatie; Burt redigeerde haar, waarbij hij de stijl verbeterde maar de inhoud ongemoeid liet. Ann Clarke had geen samenvatting aan haar proefschrift toegevoegd; Burt schreef er een voor haar die de toets der kritiek nog steeds glansrijk doorstaat en gunde haar de eer.

Burt vervalste evenmin de geschiedenis van de factoranalyse. Factoranalyse is de speurtocht naar de achterliggende verklaring voor statistische verbanden. Hoe verhouden bijvoorbeeld de cijfers die middelbare scholieren halen voor de diverse vakken zich tot elkaar: in hoeverre staan alle vakken op zich, in hoeverre vormen ze clusters (bijvoorbeeld de talen, de bètavakken en geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer) en in hoeverre is er een algemene factor die schoolcijfers bepaalt? Alle moderne vormen van meervoudige factoranalyse zijn gebaseerd op de principale componentenanalyse die de Britse statisticus Karl Pearson in 1901 uitvond.

Onafhankelijk van Pearson had Spearman de enkelvoudige factoranalyse ontwikkeld, waarover hij in 1904 voor het eerst publiceerde. Zoals de naam al doet vermoeden, is enkelvoudige factoranalyse alleen een geschikte methode om te meten hoe één factor, bijvoorbeeld algemene intelligentie, het verband tussen variabelen kan beãnvloeden. Spearman geloofde sterk in het bestaan van een, in belangrijke mate erfelijke, algemene intelligentie. Deze hypothese van Spearman is nog steeds zeer actueel, maar zijn statistische techniek niet: ze was al voor de Tweede Wereldoorlog in onbruik geraakt.

Spearmans statistische methode werd verdrongen door de allereerste vormen van meervoudige factoranalyse; een ervan werd ontwikkeld door Burt, een andere door zijn Amerikaanse collega en rivaal Thurstone. Tegenwoordig gebruikt men complexere technieken dan die van Burt en Thurstone, omdat de beschikbaarheid van goedkope en krachtige computers de noodzaak heeft weggenomen om zoveel mogelijk op rekenwerk te besparen.

Eeneiïge Tweelingen
TweelingVolgens Stephen Gould zijn de cijfers uit de publicaties van Burt sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog "verdacht fraai en klaarblijkelijk geconstrueerd op de ideale statistische spreiding in plaats van in het echt gemeten te zijn." Het verband tussen de intelligentie van de helften van gescheiden opgegroeide eeneiïge tweelingen blijft in Burts artikelen 0,77 terwijl het aantal onderzochte tweelingen verdubbelt. Zo gek is dit echter niet, wanneer men in aanmerking neemt dat het gewogen gemiddelde van alle andere, onomstreden studies naar de overeenkomsten in intelligentie tussen genetisch identieke tweelingen eveneens een verband van 0,77 oplevert. De recentste studie van Thomas Bouchard van het Minnesota Twin Project kwam op een correlatie van 0,78.

Burt heeft de eindresultaten van de IQ-tests die de drieënvijftig genetisch identieke tweelingen maakten en waaruit hij het verband van 0,77 had berekend, desgevraagd opgestuurd aan vijf collega's: L. Erlenmeyer-Kimling, Christopher Jencks, Sandra Scarr, William Shockley en John Werth. De testscores weken net zo vaak en net zo sterk af van het gemiddelde als bij alle studies van de intelligentie van genetisch identieke tweelingen die door andere onderzoekers waren verricht.

De oude Burt ging echter ontzettend slordig om met zijn tabellen. Soms kopieerde hij de uitkomsten van berekeningen simpelweg van oude naar nieuwe artikelen. In een ander geval draaide hij cijfers om: 172 werd 127. Zijn gepruts leidde er zelfs toe dat hij uitkwam op een lagere erfelijkheid van intelligentie (terwijl de hoge erfelijkheid van intelligentie Burts "idee-fixe" was volgens Gould) dan wanneer hij zijn cijferwerk goed had verricht.

Enig bewijs van doelbewuste vervalsing valt in de berekeningen niet te ontdekken. De Amerikaanse psycholoog Dorfman (die met instemming wordt geciteerd door Gould) meende in 1978 Burt op het toepassen van statistische trucs te kunnen betrappen. Burt zou deze trucs hebben gebruikt om te bewijzen dat sociale mobiliteit (de positie van het kind op de sociaal- economische ladder vergeleken met die van de ouders) voornamelijk een kwestie is van aangeboren aanleg. Al in 1979 toonden twee vooraanstaande statistici aan dat Dorfman ongelijk had (dit verzwijgt Gould).

Verdwenen dames
Als Burts onderzoeksgegevens uit zijn fantasie waren ontsproten, dan was hij een fantast met een grote realiteitszin. Als de gegevens niet fictief zijn, dan moet Burt ze ooit verzameld hebben. De oude Burt zat als een studeerkamergeleerde temidden van hopen papier in zijn flat te werken. Hij was al jaren niet meer aan een instituut verbonden en beschikte niet over onderzoeksassistenten. Voorzover bekend ging hij er niet op uit om genetisch identieke tweelingen te lokaliseren en intelligentietests af te nemen. Maar dat hoefde ook niet, want Burts onderzoeksgegevens waren niet bij de Blitz verloren gegaan.

Na de eerste Duitse bombardementen werd Burts instituut in grote haast geëvacueerd. De gegevens over tweelingen werden in verhuisdozen gestopt, waarvan sommige naar een diepe schuilkelder en andere naar een veilige plek in Wales werden gebracht. Pas na de evacuatie van het instituut werd het gebouw door een bom geraakt. Charlotte Banks, die jarenlang met Burt heeft samengewerkt, verklaarde dat de gegevens na de oorlog zijn teruggevonden. Dit gebeurde stukje bij beetje; sommige dozen doken jaren later pas op, omdat in de chaos niet goed was geregistreerd waar ze waren opgeslagen en wat ze bevatten.

Burt heeft waarschijnlijk deze aanzwellende stroom van teruggevonden gegevens op zijn flat geanalyseerd. Joynson en Fletcher ontdekten dat de verdwenen dames Margaret Howard en Jane Conway voor de oorlog met Burt hadden samengewerkt bij het verzamelen van al deze gegevens; klaarblijkelijk gunde hij ze in zijn naoorlogse publicaties de eer hiervoor. Maar waarom heeft Burt niet duidelijk vermeld dat de gegevens waarop hij zich baseerde voor de oorlog waren verzameld? Volgens Arthur Jensen, die de laatste twee jaar van Burts leven kind aan huis was bij hem, speelde Burts ijdelheid wellicht een rol. De hoogbejaarde Burt wilde bij de buitenwereld de indruk wekken dat hij nog steeds actief onderzoek verrichtte, dus liet hij in het midden waar en wanneer hij zijn gegevens had verzameld.

Arthur Jensen

Arthur Jensen
Wat is er met deze gegevens gebeurd? Daags na Burts dood bezocht professor Liam Hudson, een onderwijspsycholoog aan de universiteit van Edinburgh in Schotland, de Londense flat van de dode. De huishoudster, Gretl Archer, was bezig om de flat zo snel mogelijk te ontruimen, want de huur was torenhoog. Mevrouw Archer had een bestemming voor Burts boeken en correspondentie, maar ze wist niet wat ze met een paar grote dozen van een thee-importeur moest doen, die gevuld waren met oude onderzoeksgegevens. Archer nam aan dat Hudson een vriend of collega van Burt was en vroeg de geachte professor om haar van advies te dienen. Hij nam de papieren door en zei dat ze achterhaalde en waardeloze gegevens bevatten die zo de open haard in konden. Zo gezegd zo gedaan. De volgende dag ontving Archer een brief van Arthur Jensen. Hij vroeg haar of ze de theedozen vooral wilde bewaren, omdat die de gegevens van Burts tweelingenonderzoek bevatten. Jensen zou zo snel mogelijk naar Londen reizen om ze op te halen. Jensen keek vreemd op toen Archer hem van Hudsons bezoek vertelde. Hij kende Hudson van een openbaar debat het jaar daarvoor aan de universiteit van Cambridge over de erfelijkheid van intelligentie. Bij deze gelegenheid had Hudson met opmerkelijke haat en bitterheid over Burt gesproken, ook al gaf hij toe Burt nooit ontmoet te hebben. Hudson was van mening dat het onderzoek naar de erfelijkheid van intelligentie moreel verwerpelijk was en werd uitgevoerd door slechte mensen die er bedenkelijke motieven op na hielden. Een paar jaar later schreef Hudson het voorwoord van het boek van Leon Kamin waarin Burt voor het eerst van fraude werd beschuldigd. Deze merkwaardige episode is door Hudson in een interview met de wetenschapsjournalist Nicholas Wade bevestigd.

Oliver Gillie
En hoe zit het met de wetenschapsjournalist Oliver Gillie? Gillie hield er al voordat hij de Burt-affaire aanhangig maakte uitgesproken ideeën over het intelligentieonderzoek op na. Hij had een populair boek getiteld Who do you think you are? gepubliceerd, waarin hij het standpunt innam dat onderzoek naar de erfelijkheid van intelligentie verwerpelijk is: intelligentie wordt door opvoeding en scholing bepaald. Gillies wetenschappelijk adviseur in de Burt-affaire was Jack Tizard, een klinische psycholoog werkzaam aan de afdeling ontwikkelingspsychologie van de universiteit van Londen en lid van de Britse Communistische Partij.

Arthur Jensen leerde Tizard kennen in 1956, toen Jensen voor twee jaar postdoc werd in de onderzoeksgroep van Hans Eysenck. Tizard maakte destijds deel uit van dezelfde onderzoeksgroep. Zij gingen vaak samen lunchen. Tizard was volgens Jensen een gepassioneerd gelijkheidsdenker en fel anti-Burt. Jensen interesseerde zich destijds nog helemaal niet voor Burt of voor erfelijkheid, dus dat stond de vorming van vriendschappelijke betrekkingen niet in de weg. Een paar maanden voor de publicatie van het artikel van Gillie moest Jensen in Londen zijn. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zijn oude collega weer eens op te zoeken. Jensen vertelde Tizard dat de gegevens over Burts tweelingenonderzoek verloren waren gegaan en dat hij Margaret Howard en Jane Conway wilde vragen of zij misschien nog over materiaal beschikten. Geen van Burts collega's met wie hij de laatste jaren voor zijn pensionering had samengewerkt, kende de dames echter. Volgens Jensen klapte Tizard in zijn handen toen hij dit verhaal hoorde en riep: "Zou het niet fantastisch zijn wanneer aangetoond kon worden dat die Burt niets meer was dan een oude bedrieger!"

De dag na publicatie van Gillies artikel over de `grote IQ- fraude' verscheen in de Sunday Times een interview met Tizard, waarin hij zei: "De theorie van Sir Cyril Burt dat de menselijke intelligentie voornamelijk wordt veroorzaakt door erfelijke aanleg is nu volkomen in diskrediet geraakt."

Jensenisme

Matt Ridley
In 1979 concludeerde de Britse Vereniging van Psychologen, op basis van een rapport van een commissie van zeven, dat Burt zich inderdaad schuldig had gemaakt aan fraude. In de commissie zaten Hearnshaw, Gillie en het echtpaar Clarke: vier van de aanklagers van Burt. De overige drie leden namen hun aanklachten over zonder een poging te doen ze op juistheid te onderzoeken. In 1992 kwam de Vereniging terug op haar conclusie dat Burt een fraudeur was, echter zonder haar fout uit 1979 toe te geven; ze besloot slechts dat het niet passend was zich hierover uit te spreken.

De boeken van Joynson en Fletcher werden lovend besproken in de wetenschappelijke vakbladen, zoals Science, Nature en Behavior Genetics, maar volkomen genegeerd door de populaire pers, zoals de New York Times en Washington Post. De New York Times had in de tijd dat Burts schuld nog algemeen werd aanvaard ongeveer acht artikelen over de affaire gepubliceerd, met als boodschap dat nu was aangetoond dat ideeën over de erfelijkheid van intelligentie onjuist en frauduleus waren. Sommige artikelen beschreven de schade die in het verleden was aangericht door dergelijk erfelijkheidsdenken.

Aangezien een analyse van al het tweelingonderzoek dezelfde resultaten oplevert, of we Burts werk er nu wel of niet in betrekken, is de Burt-affaire wetenschappelijk niet interessant, alleen politiek. Bijna iedere hedendaagse schrijver die het jensenisme (de theorie van Jensen dat de intelligentieverschillen tussen etnische groepen deels berusten op erfelijke aanleg) wil bekritiseren, maar niet beschikt over een sterke argumentatie, wijst op de fraude van Burt. Op kerstavond van 1999 besteedde de wetenschapsbijlage van de NRC aandacht aan de wetenschappelijke mislukkingen van de eeuw, waaronder volgens deze krant de IQ-test: "de grote beloften van de IQ-test hielden geen stand. Het werd een vehikel voor discriminatie en racisme." De schrijver van het artikel, Pieter Bol, vermeldt dat Burt "fraudeerde om de hoge mate van erfelijkheid van intelligentie aan te tonen." Dezelfde retorische truc wordt zelfs toegepast door Hans Galjaard in Alle mensen zijn ongelijk en Matt Ridley in Genoom, het recept voor een mens. De fraude van Burt is politiek te aantrekkelijk om hem te rehabiliteren.

Marcel Roele

Dit hoofdstuk komt uit het boek "De mietjesmaatschappij, Over politiek incorrecte feiten" van Marcel Roele. De gebruikte afbeeldingen zijn door MeerVrijheid toegevoegd.

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl