Discrimineren mag!

Door Marcel Roele

27 februari 2003

We zijn bang om te discrimineren, maar dat is nergens voor nodig.

Onze voorkeur om met Ons Soort Mensen om te gaan, schaadt niemand. Pas als de overheid zich ermee bemoeit, lijden alle burgers eronder - blank én zwart.


Jesse Jackson
De Amerikaanse zwarte dominee Jesse Jackson, die zijn leven wijdt aan het behartigen van de belangen van zwarten, zei acht jaar geleden: "Het is gênant om het te moeten toegeven, maar als ik 's avonds over straat loop en ik hoor voetstappen, ben ik opgelucht als ik zie dat een blanke achter mij aan loopt." Geen wonder: de kans dat de ander kwaad in de zin heeft, is (in de Verenigde Staten) acht keer groter wanneer hij een zwarte huid heeft. Jackson zal niet schrikken als vrouwen in zijn voetsporen treden, want vrouwen maken zich (zowel in de Verenigde Staten als in Nederland) tien keer minder vaak schuldig aan gewelddadige criminaliteit dan mannen. Ook de ontdekking dat de achtervolger een leeftijdgenoot is, zal Jackson geruststellen. Vanaf middelbare leeftijd zijn mannen vrijwel net zo ongevaarlijk als vrouwen.

Waarom vindt Jackson het gênant om te moeten toegeven dat een nachtelijke ontmoeting met leden uit risicogroepen voor crimineel gedrag niet zijn voorkeur heeft? Vermoedelijk omdat hij bang is om te discrimineren. Maar discrimineren is niets anders dan onderscheid maken tussen mensen. Jackson wil eigenlijk discrimineren tussen engerds en lieverds. Helaas is bij een oppervlakkig contact, zoals tussen degenen die elkaar op straat tegenkomen, alleen discriminatie mogelijk op basis van eigenschappen die op het eerste gezicht herkenbaar zijn - fysiek, lichaamstaal, kleding, kapsel, huidkleur, geslacht en leeftijdskenmerken. Die zeggen niet alles, maar er is wel een duidelijk statistisch verband tussen dergelijke uiterlijkheden en criminaliteit.

Jackson gedraagt zich dus volkomen rationeel. Zijn angst voor jonge, zwarte mannen verkleint de kans dat hij in een donker park of steegje in elkaar geslagen of beroofd wordt. Tegelijkertijd schaadt Jacksons angst niet of nauwelijks de belangen van anderen. Hij zegt niet: "Als ik in een donker steegje word benaderd door een groepje jonge zwarten, pak ik mijn pistool en begin meteen te schieten; want je weet maar nooit." Natuurlijk zullen fatsoenlijke, politiek geïnteresseerde zwarte jongeren die 's avonds Jackson zien lopen en wel even kennis willen maken, het teleurstellend en misschien zelfs beledigend vinden wanneer hun idool een angstige blik op hen werpt en de pas versnelt. Maar je kunt een ander nu eenmaal niet verplichten om je gezelschap op prijs te stellen. Sterker nog, als Jackson liever niet omgaat met mannen, bejaarden, blanken en moslims - niet omdat er een statistisch risico zou zijn dat ze hem kwaad willen doen, maar gewoon omdat hun geslacht, leeftijd, ras of geloof hem niet aanstaat, heeft hij daartoe het volste recht.

De individuele burger mag persoonlijke voorkeuren koesteren voor bepaalde medemensen, maar in iedere rechtsstaat behoort de overheid in haar rol van handhaafster van de wet niet te discrimineren. De overheid is immers monopolist. Als de overheid een hekel aan bepaalde mensen zou hebben om hun huidkleur, kunnen zij niet besluiten om de diensten van bijvoorbeeld rechtbank en politie voortaan te betrekken van een concurrerend bedrijf.
Daarom mag de rechter in functie niet discrimineren op grond van geslacht, geloof, huidkleur enzovoort - hij discrimineert uitsluitend criminelen. De rechter hoeft zich niet te behelpen met het statistisch verband tussen criminaliteit en uiterlijk (het enige waar Jackson bij een ontmoeting in een donker steegje op af kan gaan). Hij beschikt over een dossier met de staat van dienst van de verdachte.

De rechter kan (in theorie) het vooroordeel vermijden, maar bij de inzet van politie om criminaliteit te voorkomen of tijdig te signaleren is het bijna onvermijdelijk dat men zich door groepskenmerken laat leiden. Immers, voor de veiligheid op straat is het beter wanneer een politieagent zwarte jongens dan blanke of Chinese jongens in de gaten houdt. In Nederland begaan allochtone jongeren gemiddeld drie keer zoveel misdrijven als autochtone jongeren in vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden. Oost-Aziaten zijn braver dan autochtonen; Marokkanen en Antillianen (tot tien keer crimineler dan autochtonen) scoren het slechtst. Allochtonen nemen volgens de politie zo'n 99% van de straatroven in Rotterdam voor hun rekening. De logica achter de inzet van de politie is vergelijkbaar met die achter de inzet van de brandweer: ongeacht welk gebouw in de hens vliegt, ga zij daar blussen, maar in het kader van preventie controleert de spuitgast een pakhuis scherper wanneer het vuurwerk dan wanneer het flessen bronwater bevat. Zo zou het ook begrijpelijk zijn als het blauw op straat achter ieder alarmsignaal aangaat, maar speciale preventieve belangstelling zou hebben voor het doen en laten van leden van risicogroepen.

Dat is echter wel een vorm van discriminatie en het gevolg daarvan kan zijn dat bijvoorbeeld een jonge zwarte wetsovertreder een groter risico loopt op een proces verbaal dan een bejaarde blanke wetsovertreedster. De sociologe Talja Blokland betitelde in de Volkskrant van 28 juli 2001 de selectieve aandacht van de Amerikaanse politie bij het inzetten van schaars personeel om deze reden als racistisch. Over de Nederlandse situatie zei Blokland dat het onzorgvuldig is om te stellen dat criminaliteit relatief veel voorkomt bij Antillianen en Marokkanen; ze lopen alleen een grotere kans om te worden aangehouden door de politie.

Uit angst voor dergelijke beschuldigingen van racisme en discriminatie is in het verleden wel eens verzuimd om de politie achter allochtonen aan te sturen. Toen in 1990 de drugsoverlast in de Amsterdamse Mercatorbuurt de spuigaten uitliep, slaagde burgemeester Ed van Thijn erin om drie jaar lang politie-ingrijpen tegen te houden, omdat veel drugshandelaren Turken waren. Zo kregen allochtone criminelen steun van de overheid in hun concurrentiestrijd met autochtone criminelen. Dat is ook een vorm van discriminatie op basis van groepskenmerken, maar omdat allochtonen werden bevoordeeld, heet dit positieve discriminatie.

De overheid heeft het schijnbaar nobele streven om alle groepen gelijk te behandelen en een gelijke mate van maatschappelijk succes te bezorgen. Leden van groepen die laag op de maatschappelijke ladder staan, worden ontzien als zij over de schreef gaan of geholpen als zij het goede willen. Maar dat gelijkheidsstreven leidt tot positieve discriminatie en beperking van de vrijheid van individuele burgers.

Positieve discriminatie wordt ingezet om allochtonen vooruit te helpen op weg naar een respectabele maatschappelijke carrière. Zo trachten veel Amerikaanse universiteiten evenredige vertegenwoordiging van alle etnische groepen onder hun studenten te realiseren door de toelatingseisen voor jongeren van joodse, Japanse of Chinese afkomst (die op academisch gebied gemiddeld beter scoren dan niet-joodse blanken) drastisch te verhogen en die voor zwarte jongeren (van wie het groepsgemiddelde op tests van intelligentie en kennis het laagst ligt) te verlagen.

Dit beleid heeft niet altijd de zegen van de meerderheid van de bevolking. Zo besloot de Amerikaanse staat Californië dat universiteiten op hun aanmeldingsformulieren niet langer mochten vragen tot welke etnische groep de kandidaat-student behoort. Niet voor één gat gevangen, liet de California State University voortaan op aanmeldingsformulieren weten dat de toekomstige student desgewenst een foto mag bijsluiten. In de praktijk blijkt dat het 'teveel' aan aanmeldingen van jongeren die blijkens de foto een bleekgezicht of spleetoog zijn, wordt afgewezen. Tientallen jaren geleden plachten Amerikaanse universiteiten bij aanmeldingsformulieren ook om een foto te vragen, maar toen juist met de onuitgesproken bedoeling om zwarte studenten af te wijzen.

Intelligente jongeren werden en worden op basis van raciale kenmerken van sommige Amerikaanse universiteiten geweerd, alleen is de huidkleur van de slachtoffers van discriminatie in de loop der tijd veranderd. Maar zelfs zwarte jongeren die tegenwoordig 'ten onrechte' worden toegelaten, zijn uiteindelijk het slachtoffer van positieve discriminatie. De Texaanse hoogleraar rechten Lino Graglia constateerde enkele jaren geleden dat zwarte studenten het minder goed doen dan blanke studenten op Amerikaanse elite-universiteiten. Dat is frustrerend en demotiverend voor degenen die worden geacht te profiteren van positieve discriminatie.

Jesse Jackson sprong uit zijn vel en riep "het volk" op om "Graglia te behandelen als een morele en sociale paria". Graglia stond stil bij een feit (de relatief lage academische prestaties van zwarten), zoals Jackson bij een andere gelegenheid stil stond bij een feit (de relatief hoge criminaliteit onder zwarten) - dus kan het constateren van het groepsverschil nauwelijks de reden zijn waarom Jackson vindt dat Graglia als een paria moet worden behandeld.

Graglias zonde in Jacksons ogen is waarschijnlijk zijn impliciete afwijzing van positieve discriminatie. Jackson meent dat als je leden van achterstandsgroepen een tweede kans biedt om te excelleren uiteindelijk alle groepen gelijk zullen presteren. Wie (zoals Graglia - en in Nederland een paar jaar geleden Dolph Kohnstamm), op basis van ervaringen in de praktijk of wetenschappelijk onderzoek naar groepsverschillen, suggereert dat bepaalde talenten misschien niet helemaal gelijk zijn verdeeld over etnische groepen wordt al snel van discriminatie (racisme) beschuldigd.

Ook in Nederland zijn er voorstanders van positieve discriminatie aan de poort van de universiteit. Zo zei Pieter Drenth, hoogleraar psychologie en oud-president van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, in de Volkskrant van 2 januari 1998: "De lat zou voor allochtonen aan het begin wat lager mogen liggen." In de praktijk blijkt de lat voor allochtonen al aan het begin van het middelbaar onderwijs lager te liggen. Zo constateerde de Landelijke Evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid dat Turkse en Marokkaanse scholieren relatief vaak op een hoger middelbare schooltype terechtkomen dan het resultaat van de CITO-toets (die in de hoogste groep van de basisschool wordt afgelegd) rechtvaardigt. Ze krijgen het voordeel van de twijfel. Ten onrechte, want ze blijken op de middelbare school alsnog te falen. Het onderwijsvoorrangsbeleid (tegenwoordig 'onderwijsachterstandenbeleid' geheten) is een vorm van positieve discriminatie op basisscholen: voor een autochtone leerling met laag opgeleide ouders krijgt de school 1,25 keer en voor een leerling met laag opgeleide allochtone ouders 1,9 keer meer geld van de belastingbetaler dan voor een 'gewone' leerling. Hoe de kosten en baten van deze positieve discriminatie zich verhouden is onduidelijk, maar geld schijnt geen rol te spelen zolang de bedoelingen goed zijn.


Moslimdames op school
De overheid discrimineert dus volop in het Nederlandse onderwijs. Daarnaast mogen onderwijsinstellingen en 'onderwijsconsumenten' tot op zekere hoogte zelf ook discrimineren; er is vrijheid van onderwijs. De consument mag de school discrimineren op gezindte (protestants, katholiek, islamitisch, joods, hindoeïstisch) en onderwijsmethode (Montessori, Steiner, Dalton, Jena); de school mag van ouders en leerlingen eisen dat ze haar doelstellingen onderschrijven of op zijn minst respecteren. Voor wie niet gebruik kan of wil maken van het bijzonder onderwijs is er de vergaarbak van het openbaar onderwijs.

Er is duidelijk een markt voor nóg meer discriminatie. Wat op het eerste gezicht opvalt, is dat er te weinig islamitische onderwijsinstellingen zijn. Atheïsten in de grote steden die geen affiniteit met Montessori, Steiner, Dalton of Jena hebben, troffen vroeger in het openbaar onderwijs vrijwel uitsluitend mensen aan die een aantal idealen uit de Verlichting (vóór scheiding van kerk en staat; tegen fundamentalisme) met hen deelden. Tegenwoordig barst het in de klas van de hoofddoeken; een teken dat de draagster en/of haar ouders de islam ongeveer net zo fundamentalistisch interpreteren als SGP-ers en hun kinderen het christendom. Maar SGP-ers sturen hun kinderen naar het bijzonder onderwijs.

Op de beroepsopleiding sociaal-pedagogisch werk en kinderverzorging van een Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) in Amsterdam liepen onlangs zelfs drie Marokkaanse meiden in niqaab rond - waarmee een statement wordt gemaakt dat heel wat verder gaat dan dat van een hoofddoek. De niqaab is een pij die alleen een balkje bij de ogen openlaat. Hij zit wat betreft mate van bedekking en religieus-politieke connotaties in tussen de chador (aangezicht mag worden getoond; voorgeschreven door ayatollah Khomeiny) en de burqa (gehele gezicht bedekt; voorgeschreven door de Taliban). Men mag aannemen dat de draagster van een niqaab weinig affiniteit heeft met vrijheid van meningsuiting, democratie, homo's, feministen, joden, christenen enzovoort. De niqaab is nu door het ROC verboden omdat de gezichtssluier de communicatie met docenten en (in de latere beroepspraktijk) met kindertjes belemmert.

De directie van het Amsterdamse ROC zegt het niet openlijk (uit angst om te discrimineren, natuurlijk), maar eigenlijk hoort het gesluierde trio helemaal niet op dit ROC thuis. De enige juiste school voor dergelijke extremisten is een islamitisch ROC met allemaal vrouwen onder elkaar, waar dus ook geen niqaab nodig is. Helaas is zo'n ROC er nu nog niet. Later zouden de moslima's kunnen werken op een instelling met louter islamitische kindertjes. Nu worden aanhangers van religieus extremisme en leerlingen die daar helemaal niets van moeten hebben, gedwongen om met elkaar op één school te zitten.

De onderwijsconsumenten willen op nog meer gronden kunnen discrimineren: taal en cultuur bijvoorbeeld. Ouders willen hun kinderen niet naar een school sturen waar kinderen buiten de les Turks of Marokkaans spreken. Ouders willen hun kinderen ook niet naar een school sturen waar geen orde heerst omdat de softe benadering van leerlingen door autochtone onderwijsgevenden botst met de cultuur van sommige groepen allochtonen die alleen autoritair optreden respecteren.

Vrijheid van schoolkeuze betekent discriminatie en segregatie: er ontstaan witte en zwarte scholen. De overheid vindt dat niet goed. Zo hebben, onder anderen, oud-minister van Grote Steden- en Integratiebeleid Roger van Boxtel (D66), PvdA-lijsttrekker Wouter Bos, de Amsterdamse wethouder van onderwijs Rob Oudkerk (PvdA) en Femke Halsema (fractievoorzitter van Groen Links) gepleit voor beperking van de vrije schoolkeuze. Die beperking komt er steevast op neer dat alleen kinderen van ouders die tot dezelfde sociaal-economische elite behoren als Van Boxtel, Bos, Oudkerk en Halsema nog naar een witte school mogen; de overigen worden gedwongen geïntegreerd. De keuzevrijheid van gewone burgers en het streven van de overheid om haar onderdanen gelijk te maken, botsen onvermijdelijk.


Discotheek
Onderwijsinstellingen worden gefinancierd door de belastingbetalers en dus is het gerechtvaardigd dat volksvertegenwoordigers zich bemoeien met discriminatie in onderwijsinstellingen. Maar ook bedrijven die particulier eigendom zijn, mogen van de overheid niet naar goeddunken discrimineren. Zo dient men iemand aan te nemen die optimaal gekwalificeerd en gemotiveerd is voor de baan en niet te selecteren op groepskenmerken en uiterlijkheden. Dat is merkwaardig, want de klanten en het personeel van de onderneming zullen wel degelijk op de groepskenmerken en het uiterlijk van een nieuwe medewerker letten.

Wanneer bijvoorbeeld de klanten met wie de werknemer persoonlijke contacten zal hebben overwegend jong, mooi en gekleurd zijn, is het commercieel onverstandig om iemand aan te nemen die oud, lelijk en blank is. De nieuwe werknemer zal ook in een team met collega's moeten functioneren - en als dat bijvoorbeeld grotendeels bestaat uit geëmancipeerde homo's, feministen en andere vrijgevochten figuren, zal het rekruteren van een fundamentalistische moslim de onderlinge harmonie en dus de arbeidsproductiviteit niet bevorderen. Het marktmechanisme voorkomt automatisch dat werkgevers zich teveel door hun persoonlijke voorkeuren voor geslacht, huidkleur, religie enzovoort laten leiden. Als het bedrijf van Jansen verzuimt een briljante vertegenwoordiger in te huren omdat de man een donkere huid heeft, neemt concurrent Pietersen de zwarte parel aan en drukt hij Jansen dankzij zijn superieure personeel uiteindelijk uit de markt.

In haar streven discriminatie uit te bannen, beperkt de overheid niet alleen de vrijheid van ondernemers om hun werknemers, maar ook om hun klanten te kiezen. Eind vorig jaar ontstond er opwinding rond de Tilburgse discotheek The Talk of the Town, die achtereenvolgens een gekleurd koppel en enkele Turkse jongens de toegang had geweigerd. PvdA-burgemeester Johan Stekelenburg onderzocht mogelijkheden om de disco te sluiten. Een politiewoordvoerder wees erop dat het incident een strafbaar feit is. De heer Akaya (gemeenteraadslid van Groen Links) becommentarieerde: "Meestal komen de uitbaters er met een boete vanaf. Wat mij betreft mag er harder worden opgetreden. We leven toch niet meer in het tijdperk van de slavernij?"

Nu betekent slavernij dat je wordt gedwongen om aan iemand diensten te verlenen. De anti-discriminatie wetgeving maakt in dit geval juist de uitbater tot slaaf. De disco is privé-eigendom, geen openbare ruimte - dus zou de eigenaar het recht moeten hebben om te beslissen wie er binnen mag, net zo goed als u en ik beslissen wie er bij ons over de vloer komt. Vaak is het commercieel interessant voor eigenaren van discotheken om gasten niet alleen te discrimineren op grond van hun gedrag (willen ze betalen en zich aan de huisregels houden), maar ook op grond van hun uiterlijk. Zo heeft een disco met veel mooie, jonge meiden een hoge status in het uitgaansleven - die dames laat je dus met voorrang binnen omdat ze klantenlokkers zijn. Een uitbater die gedreven door zijn persoonlijke racisme prachtige, getinte jongedames weert, wordt door het marktmechanisme effectiever bestraft dan door een boete. De markt corrigeert privaat racisme zonder de vrijheid aan te tasten om slechts op basis van wederzijdse vrijwilligheid relaties aan te gaan, zonder dat de overheid meer macht over ons krijgt en zonder dat er meer ambtenaren en hogere belastingen nodig zijn.


Ayn Rand (1905 - 1982)
De vrijheid om te discrimineren kan tot enorme uitwassen leiden, bijvoorbeeld een café met een bordje 'voor joden verboden' voor het raam. Zestig jaar geleden waren deze bordjes algemeen, maar dat was door de overheid verordonneerd. Als nu een ondernemer op het idee zou komen zo'n bordje voor het raam te hangen, bleven niet alleen joden maar ook alle fatsoenlijke niet-joden weg. Hooguit zouden wat jihadisten en nazi's zijn etablissement frequenteren - des te beter, dan komen we deze sujetten in ieder geval niet in andere café's tegen. De romancier en filosoof Ayn Rand concludeerde veertig jaar geleden al: "Privaat racisme is niet een juridische maar een morele zaak - en kan alleen bevochten worden met private middelen, zoals een economische boycot of sociale uitsluiting."

De Augusta National is een exclusieve Amerikaanse golfvereniging, die jaarlijks het prestigieuze Masters-toernooi organiseert, waarvoor de beste golfers van de wereld worden uitgenodigd. De driehonderd stemgerechtigde leden van de vereniging zijn door ballotage geselecteerd; over het algemeen zijn het rijke blanke zakenmannen - er zijn enkele zwarten maar geen vrouwen bij. Jesse Jackson heeft aangekondigd dat hij een demonstratie bij de poort organiseert als er vóór 10 april geen vrouw bij de club zit. Zo pak je discriminatie aan; daar is geen overheid voor nodig.

Marcel Roele

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd

Gerelateerde links:
- Het recht om te discrimineren
- Het recht om uit te sluiten

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl