Slachtoffers van de slavernij

Door Bart Croughs

9 januari 2002

Op het eerste gezicht lijkt het duidelijk dat de nakomelingen van de slachtoffers van de Westerse slavenhandel geluk hebben gehad.

Zwarten die geen nakomelingen zijn van slaven, leven voor het merendeel in Afrika, lijdend onder armoede en onderdrukking; slechts een klein deel van hen slaagt erin naar het Westen te ontkomen. De nakomelingen van de slaven daarentegen kunnen vaak al vanaf hun geboorte van de welvaart en relatieve vrijheid in het Westen profiteren.

Toch zijn er nakomelingen van slaven in het Westen die zich slachtoffer van het verleden voelen. Zij eisen erkenning van hun slachtofferschap in de vorm van musea en monumenten over de slavernij, een nationale herdenkingsdag, subsidies voor onderzoek naar de slavernij, het ontwikkelen van lesmateriaal, enzovoorts. Een aantal van deze slachtoffers komt aan het woord in de bundel 'Het verleden onder ogen. Herdenking van de slavernij'.

Zoals het uitgangspunt al doet vermoeden, biedt het boek veel stof tot vermaak. De samensteller van de bundel, Gert Oostindie, spreekt over de 'diepe littekens, frustraties en woede' waar 'talloze nazaten' van de slaven onder lijden, en vergelijkt diegenen die nu strijden voor een monument voor de slavernij - onder wie Oostindie zelf - met degenen die in het midden van de vorige eeuw voor afschaffing van de slavernij streden. Helaas loopt Nederland weer eens achter, aldus Oostindie, 'net als ooit met de afschaffing van de slavernij'. Twee andere medewerkers aan de bundel gaan in hun enthousiasme nog verder: de identificatie van de huidige nakomelingen van de slaven met hun voorouders wordt door hen zover doorgevoerd dat ze de nakomelingen aanduiden als 'ex-slaven' (Edwin Marshall) en 'voormalige slaven' (Hugo Pos). Het enige wat ontbreekt is dat de huidige Nederlanders worden aangeduid als 'voormalige slavenhouders'.

Impliciet is deze beschuldiging overigens wel prominent aanwezig in het boek. Bij de discussie over de slavernij gaat het erom, aldus Pos, hoe in Nederland 'aan de erkenning van schuld, of beter de verwerking daarvan, een passende blijvende vorm kan worden gegeven'. Nederlanders moeten dus hun schuld aan de slavernij erkennen en vervolgens verwerken. Helaas wordt hier een nogal elementair feit over het hoofd gezien: de hier en nu levende Nederlanders kunnen in het geheel geen schuld hebben aan zaken die meer dan 135 jaar geleden plaatsvonden. Hoe hier een mouw aan te passen?

Frank Martinus Arion doet een poging: een Nederlander kan 'niet prat gaan op de verworvenheden van de Gouden Eeuw, zonder zich medeverantwoordelijk te voelen voor de barbaarse praktijken als de slavernij'. Nu zullen er ongetwijfeld Nederlanders zijn die menen dat ze persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de prestaties die hun voorouders in de 17e eeuw hebben neergezet - idioten heb je overal. Maar waarom moeten de Nederlanders die beseffen dat dat flauwekul is daaronder lijden? Overigens is het ook niet echt zinnig om de Nederlanders die zichzelf op de borst kloppen vanwege de Gouden Eeuw schuldig te verklaren aan de slavernij. In plaats van dergelijke mensen een tweede waandenkbeeld aan te praten, zoals Arion voorstaat, zou het zinniger zijn om te proberen ze te genezen van hun eerste waandenkbeeld.

Een andere veelbeproefde manier om de huidige Nederlanders verantwoordelijk te stellen voor de slavenhandel van een handvol verre voorouders bestaat uit het zaaien van verwarring met behulp van een eenvoudige semantische truc. De vraag wordt opgeworpen of 'Nederland een helend gebaar moet maken ten opzichte van de volkeren, waartegen het misdaden tegen de mensheid heeft gepleegd' (Arion). De vraag stellen is 'm beantwoorden. Als 'Nederland' misdaden heeft gepleegd, dan is het logisch dat 'Nederland' daarvoor schuld bekent en boete doet. De truc zit erin dat 'Nederland' hier in twee totaal verschillende betekenissen wordt gebruikt: de eerste keer verwijst de term 'Nederland' naar een kleine groep Nederlandse slavenhandelaren uit de vorige eeuw, de tweede keer verwijst de term naar alle nu levende Nederlanders.

Ook Oostindie doet een poging om de seculiere versie van de christelijke leer van de erfzonde te verdedigen. 'Directe individuele verantwoordelijkheid is vrijwel niet aantoonbaar', moet hij weliswaar toegeven, 'maar er is ook zoiets als nationale verantwoordelijkheid'. Dus: de 15 miljoen Nederlanders zijn elk afzonderlijk niet verantwoordelijk voor de slavernij, maar als je ze bij elkaar optelt, dan krijg je een optelsom ('de natie') die wel verantwoordelijk is ('nationale verantwoordelijkheid'). Door de zuivere handeling van het optellen is Oostindie op magische wijze in staat om uit het niets ineens een collectieve verantwoordelijkheid tevoorschijn te toveren.

Oostindie verwacht overigens niet dat de Nederlandse bevolking de realiteit van deze mythische 'nationale verantwoordelijkheid' meteen aanvaardt, maar van 'de leiders' verwacht hij dit wel. En het valt te vrezen dat hij daar wel eens gelijk in zou kunnen krijgen: van politici, die van intellectuele oplichterij hun beroep hebben gemaakt, valt nu eenmaal niet veel goeds te verwachten.

Dit soort goocheltrucs waarmee getracht wordt de Nederlanders een schuldcomplex aan te praten, gaan regelmatig vergezeld van de vraag om allerlei subsidies. Het is een beproefd middel: mensen die zich schuldig voelen zijn nu eenmaal makkelijker te manipuleren.

De meest populaire theorie waarmee het vragen om subsidies wordt beargumenteerd, luidt ongeveer als volgt: dat het met een aantal zwarten maatschappelijk zo slecht gaat, is niet alleen te wijten aan de slavernij van hun voorvaderen, maar ook aan hun gebrekkige historische bewustzijn daaromtrent. Het opkrikken van dit historische bewustzijn zal leiden tot meer gevoel van 'eigenwaarde' en 'identiteit'. Daarom moeten er subsidies beschikbaar komen voor documentatiecentra, bibliotheken, conferenties, seminars, onderzoek, enzovoorts. Het over de brug komen met dit geld is een kwestie van genoegdoening voor de slavernij.

Maar waarom het feit dat je voorouders in slavernij leefden en 136 jaar geleden werden vrijgelaten, reden is om trots op jezelf te zijn, blijft onduidelijk. Plaatsvervangend slachtofferschap als oorzaak van eigenwaarde - je moet bijna wel een intellectueel zijn om zoiets te kunnen geloven.

Aan de andere kant: dat bij het tot stand komen van een dergelijk geloof de subsidiepotten die aan de einder lonken een rol zouden kunnen spelen, valt natuurlijk nooit helemaal uit te sluiten.

Bart Croughs

Over de auteur

Bart Croughs (1966) is een van de vruchtbaarste libertarische geesten van Nederland. Hij is afgestudeerd in de filosofie en was voorheen hoofdredacteur van het tijdschrift "Reactie".

Bart Croughs schreef het boek "In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon". U kunt het bestellen bij Lulu.com of delen ervan hier lezen. Het is een humoristische en felle aanval op het links intellectuele denken in Nederland en legt op zeer leesbare wijze de inconsequenties ervan bloot.

Verder schreef hij voor Playboy zijn eigen column in de periode van maart 1997 tot en met augustus 1998. Gedurende enkele jaren had Croughs een column in het opinieweekblad HP/de Tijd.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl