Progressieve intellectuelen tegen echte wetenschappers

Door Marcel Roele

9 januari 2003

In 1992 zou de viering van het eeuwfeest van de psychologie in Nederland worden opgeluisterd door een bezoek van de psycholoog Hans Jürgen Eysenck, die was uitgenodigd om in Amsterdam de Duijkerlezing te geven.

In De Psycholoog werd de aankondiging van de lezing vergezeld van een geschreven portret van Eysenck door Willem Hofstee, hoogleraar te Groningen en deskundige op het gebied van persoonlijkheid en intelligentie.

Hofstee noemde Eysenck "iemand die in de tweede helft van deze eeuw een dominante factor in de psychologie is geweest en is tot op de dag van vandaag. (...) Boven elke discussie verheven is de bijdrage die Eysenck heeft geleverd tot wat men de emancipatie van de wetenschappelijke psychologie, of van de psychologie als wetenschap zou kunnen noemen. (...) Zonder mensen als Eysenck zou de psychologie niet in de jaren tachtig zijn toegelaten tot de International Council of Scientific Unions."


Oxymoron
Eysenck was niet alleen beroemd maar ook berucht. Hofstee herinnerde zich de eerste keer dat hij Eysenck hoorde spreken, op een wereldcongres van psychologen in Duitsland: "Mensen waren boos op hem en verontwaardigd." Begin jaren zeventig was Eysenck zelfs het mikpunt van studentendemonstraties. In zijn autobiografie plaatste Eysenck twee beroemde foto's hiervan. Op de eerste is te zien hoe hij tijdens een lezing op de London School of Economics door maoïstische studenten in elkaar werd geslagen. De tweede toont een leus die over de volle lengte van de buitenmuur van de bibliotheek van de universiteit van Birmingham was geschilderd: "uphold genuine academic freedom - fascist Eysenck has no right to speak!" De auteurs van deze oxymoron waren verenigd in de Progressive Intellectuals Study Group. Zij lieten per pamflet weten dat Eysenck zijn ziel had verkocht aan het imperialisme en onwetenschappelijke ideeën verkondigde die de ideologische basis creëerden voor de ontwikkeling van het fascisme. Zij kondigden aan dat een maoïstische revolutie deze ideeën zou vernietigen.

In 1992 zou het activisme van de progressieve intellectuelen nog eenmaal de kop opsteken, dankzij de psycholoog Ewald Vervaet. Hij wist de studentenvakbonden ASVA en VSPA ertoe over te halen om actie te voeren tegen het bezoek van Eysenck. Een ASVA-woordvoerder noemde Eysenck een racist en iemand die zei namens de VSPA te spreken, belde de vijfenzeventig jaar oude Eysenck op om de gewelddadige verstoring van zijn lezing aan te kondigen. Eysenck besloot lekker thuis te blijven. Hij was het al zestig jaar gewend dat mensen kwaad op hem waren. Van zijn allereerste tot zijn allerlaatste onderzoek heeft Eysenck consequent de juistheid van modieuze ideeën getoetst. Hij was bij uitstek een verkondiger van onaangename waarheden.


Eysenck op jonge leeftijd
Begin jaren dertig was Eysenck een middelbare scholier in Duitsland. Toen waren de ideeën van de nazi's in de mode. Zo werd verkondigd dat de Duitse joden zich tijdens de Eerste Wereldoorlog als een soort vijfde colonne hadden gedragen. Een docent van Eysenck vertelde zijn leerlingen dat joden slechte Duitsers zijn en laf bovendien.
De schooljongen Eysenck besloot de feitelijke juistheid van deze uitspraak te toetsen. Hij koos als objectieve maatstaf voor dappere dienst aan het Duitse vaderland de uitreiking van het IJzeren Kruis voor heldendaden tijdens de Eerste Wereldoorlog. De oorlog tegen het tsaristische Russische Rijk, waar joden sinds 1880 het doelwit van pogroms waren, kon op brede steun in de joodse gemeenschap rekenen. Dat bleek ook uit het aantal joodse oorlogshelden; Eysenck ontdekte dat joden relatief vaker dan niet-joden met het IJzeren Kruis waren onderscheiden. Ten overstaan van de hele klas presenteerde hij deze gegevens bij de nazi-leraar.

In 1934 vluchtte Eysenck, die een joodse moeder had, uit Duitsland. Na een kort verblijf in Frankrijk kwam hij in Engeland terecht, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen. Zijn Duitse diploma werd niet erkend; hij moest opnieuw examen doen. Doordat hij onbekend was met het Engelse onderwijssysteem maakte Eysenck een fout bij de samenstelling van zijn vakkenpakket, als gevolg waarvan hij geen natuurkunde mocht studeren. Van armoede ging hij maar psychologie doen. In zijn autobiografie stelt Eysenck vast - weinig tactvol tegenover zijn medepsychologen – dat het heel wat moeilijker was geweest om uit te blinken als natuurkunde zijn vakgebied was geworden. De gemiddelde natuurkundige is immers een stuk intelligenter dan de gemiddelde psycholoog.


Cyril Burt (1883–1971)
Eysenck promoveerde bij professor Cyril Burt. Burt was een baanbrekende intelligentie-onderzoeker aan het University College London. Eysenck koos een heel ander onderwerp voor zijn proefschrift: experimentele esthetica. Hij ontdekte dat de waardering voor kleuren en vormen samenhangt met de persoonlijkheid. Extraverten houden van felle kleuren, introverten van complexe vormen. Bovendien hebben extraverten vooral waardering voor moderne kunst; introverten voor oude kunst.

Eysencks wetenschappelijke carrière kwam op gang dankzij de psychiater Aubrey Lewis. Lewis zocht een psycholoog die hem wilde helpen bij het opzetten van het Institute of Psychiatry aan de universiteit van Londen, waar psychiatrie zou worden geïntegreerd met de klinische psychologie, destijds nog helemaal onbekend in Engeland. Eysenck werd medewerker en uiteindelijk hoogleraar aan het nieuwe instituut. Hij richtte er een onderzoeksgroep op, waar veel van de beste psychologen van de laatste decennia promoveerden. Onder zijn leiding werd de psychologieafdeling de succesvolste van het land: de medewerkers publiceerden meer en werden vaker geciteerd dan hun collega's van beroemdere universiteiten, zoals Cambridge. Eysencks eigen productie droeg in niet geringe mate bij aan dit succes: hij werd de meest geciteerde psycholoog van zijn tijd.


De sofa van Freud
Al vroeg in zijn carrière trapte Eysenck op de gevoelige tenen van de psychoanalytici: aanhangers van Freud, Jung en consorten. Eysenck analyseerde alle gepubliceerde studies naar de effecten van psychotherapie, die in die tijd werd gedomineerd door psychoanalytici. Hij concludeerde dat zij zich voornamelijk bezighielden met het verspillen van andermans tijd en geld. De patiënt profiteerde evenveel van een gesprek van een uur met een leek als van een jarenlange therapie bij een gediplomeerde therapeut. De therapieën waarbij in het zieltje van de patiënt werd gewoeld bleken grotendeels te berusten op een placebo-effect: de patiënt is blij dat hij aandacht krijgt. Maar zelfs de aandacht is niet essentieel. Binnen twee jaar herstellen zeventig procent van de patiënten met zware neurotische klachten, ongeacht of ze therapie hebben ontvangen.

Eysenck heeft een belangrijk aandeel gehad in de ontwikkeling van gedragstherapie, een vorm van psychotherapie die wel effectief bleek. Gedragstherapeuten laten de jeugd en het zieleleven van de patiënt links liggen. Zij leren hem bepaalde handelingen aan of af, zodat hij beter kan omgaan met dagelijkse problemen. Een andere belangrijke verdienste van Eysenck is dat hij, na jarenlange strijd, ervoor heeft gezorgd dat niet alleen medici, zoals psychiaters, maar ook psychologen `geesteszieken' mochten behandelen. Veel psychiaters hebben Eysenck nooit vergeven voor wat zij als broodroof zagen.

Eysenck drukte ook zijn stempel op de persoonlijkheidspsychologie. Hij zorgde ervoor dat er eenduidige beschrijvingen van karaktertrekken kwamen. Op basis van patronen in de manier waarop iemand reageert, kan men volgens Eysenck vaststellen in welke mate de persoon assertief, sociaal, impulsief, depressief, et cetera is. Sommige van die eigenschappen blijken meestal samen te gaan; daarin herkent men de gronddimensies van de persoonlijkheid.

Eysenck creëerde orde in de chaos. Vroeger noemde de ene psycholoog iemand een neuroot, terwijl zijn collega meende dat dezelfde persoon alleen maar introvert was. Volgens Eysenck waren dat totaal verschillende eigenschappen: er zijn introverte neuroten, extraverte neuroten, emotioneel stabiele introverten en emotioneel stabiele extraverten. De meeste mensen zitten ergens tussen die vier uitersten in.

Natuurlijk wist Eysenck ook in de persoonlijkheidsleer feilloos de controversiële onderwerpen te vinden. Hij hield zich bezig met de autoritaire persoonlijkheid, die veel vooroordelen heeft, intolerant en agressief is tegenover andersdenkenden en kritiekloos achter een grote leider aan loopt. De geaccepteerde mening was dat het persoonlijkheidsprofiel paste bij een aanhanger van extreem rechtse partijen; linkse mensen zouden een meer verlichte persoonlijkheid hebben. Eysencks promovenda Thelma Coulter wist in de vroege jaren vijftig met veel list en bedrog een gewaardeerd lid te worden van zowel de communistische als de fascistische partij van Groot-Brittannië. Uit de persoonlijkheidstests die haar partijgenoten invulden, bleek dat de leden van beide partijen een zeer sterk ontwikkelde autoritaire persoonlijkheid hadden. Coulters bevindingen werden in later onderzoek bevestigd; het enige verschil tussen fascisten, nazi's en communisten in hun score op psychologische tests is dat communisten gemiddeld intelligenter zijn.


Rijp voor nazisme?
Adolf Hitler waren de overeenkomsten tussen communisten en nazi's al eerder opgevallen. In 1934 zei hij: "De verschillen tussen ons en de bolsjewisten zijn kleiner dan de overeenkomsten. Bovenal hebben wij een waarlijk revolutionair gevoel gemeen. Hiermee rekening houdend, heb ik verordonneerd dat voormalige communisten ogenblikkelijk als lid van de nationaal-socialistische partij geaccepteerd dienen te worden. De kleinburgerlijke sociaal-democraat en de vakbondsbaas zullen nooit een echte nazi worden, maar een communist altijd."

Later bewezen Eysenck en zijn Australische collega Nick Martin dat individuele verschillen in intolerantie, vooroordelen, volgzaamheid, houding tegenover andersdenkenden, revolutionair elan, conservatisme en religiositeit voor minstens de helft uit individuele genetische verschillen kunnen worden verklaard. De opvoeders, de kerk, de partij, de school, et cetera hebben geen invloed op de attitudes, wel op de meningen. Met andere woorden: het sociale milieu is er niet verantwoordelijk voor dat de ene mens meer bevooroordeeld, revolutionair, religieus, enzovoort, is dan de andere, maar bepaalt wel de inhoud van de vooroordelen, de revolutionaire ideologie of de religie.

Dankzij een vruchtbare samenwerking met zijn Engelse collega Lindon Eaves, geneticus en Anglicaans priester, kon Eysenck de erfelijkheid van een hele reeks persoonlijkheidskenmerken vaststellen, zoals neuroticisme, extraversie, altruïsme en agressiviteit.

Eysenck gebruikte zijn kennis over de erfelijkheid van persoonlijkheid om in zijn boek Crime and Personality de criminologie te bekritiseren. In de jaren dertig had de criminologie zich stukje bij beetje losgemaakt van de biologie, de psychologie en de fysiologie. Edwin Sutherland, de belangrijkste gangmaker van deze ontwikkeling, verkondigde dat crimineel gedrag het product is van socialisatie en sociaal-economische omstandigheden. Erfelijke aanleg speelde volgens hem geen enkele rol. In 1950, het jaar van Sutherlands dood, was zijn vakgebied veranderd in een vorm van sociologie. Een biologische benadering van criminaliteit was taboe.

Als twee jongetjes in hetzelfde getto opgroeiden en de een werd brave burger en de ander crimineel, verklaarde de criminologie dit uit de problematische socialisatie van het boefje. Eysenck legde uit waarom zo'n verklaring niet compleet is zonder psychologie, fysiologie en erfelijkheid. Persoonlijkheidskenmerken die de socialisatie tot brave burger bemoeilijken, zijn een hoog niveau van extraversie, neuroticisme en psychoticisme. Deze persoonlijkheidskenmerken hangen samen met fysiologische kenmerken van de hersenen en zijn in belangrijke mate erfelijk. De eerste editie van Crime and Personality verscheen in 1964, veertien jaar voordat in Nederland Wouter Buikhuisen werd afgebrand omdat hij voorstander was van de herintroductie van de biologie in de criminologie.


Arthur Jensen
Terwijl op wetenschappelijk gebied Eysencks ster tot grote hoogte rees, werd hij steeds impopulairder bij communisten en tegenstanders van het erfelijkheidsdenken, wier ideeën vanaf de jaren zestig in de mode raakten bij veel studenten en journalisten. In 1971 koos Eysenck ervoor om deze progressieve intellectuelen te provoceren. Zijn voormalige postdoc Arthur Jensen was sinds 1969 het slachtoffer van een voortdurende campagne van schriftelijke en fysieke aanvallen omdat hij intelligentieverschillen tussen zwart en blank ter sprake had gebracht. Eysenck had zich nog nooit met dit onderwerp bezig gehouden maar wilde weten of Jensen een poot had om op te staan. Hij las alle onderzoeken die sinds 1920 waren verricht (dat waren er zo'n vijfhonderd) kritisch door en concludeerde dat Jensen de beschikbare wetenschappelijke kennis zeer zorgvuldig had samengevat. In plaats van deze bevinding te publiceren in een wetenschappelijk vakblad dat door geen enkele progressieve intellectueel wordt gelezen, schreef Eysenck er een populair-wetenschappelijk boek over: Race, Intelligence, and Education.

De openhartigheid van Eysenck maakte progressieve intellectuelen zo kwaad dat ze nog hun gal spuwden toen Eysenck al in zijn graf lag. In zijn necrologie van Eysenck, die op 4 september 1997 aan een hersentumor was overleden, schreef Volkskrant-redacteur Gerbrand Feenstra: "In navolging van zijn leermeester Cyril Burt verdedigde Eysenck de erfelijkheid van intelligentie en de superioriteit van het blanke ras tegenover het zwarte ras."

In 1992, toen Eysenck de Duijkerlezing zou geven, schreef Feenstra: "In het debat over erfelijkheid en intelligentie, waarin Eysenck extreme standpunten inneemt, hoeft maar de naam van Cyril Burt te vallen, of velen zetten argwanend en achterdochtig hun stekels op. Zij gaan ervan uit dat overtuigend is aangetoond dat Burt met zijn befaamde tweelingen onderzoek van voor de Tweede Wereldoorlog de kluit belazerd heeft."

Voor de Volkskrant was het nog niet effectief genoeg om Eysenck weg te zetten als een marginale figuur met extreme wetenschappelijke en politieke denkbeelden. Hij moest ook nog gekoppeld worden met de beruchte fraudeur Burt, waarna de Volkskrant, op basis van guilt by association, concludeerde dat "de wetenschappelijke zorgvuldigheid bij Eysenck afwezig lijkt." Als het aan de progressieve intellectuelen in de media lag, kwam niemand ooit te weten dat Eysenck onder echte wetenschappers het pleit gewonnen heeft.

© Marcel Roele. Alle rechten voorbehouden.

Foto van wat schuttingtaal richting Eysenck
Foto: Uphold genuine academic freedom
Foto: Fascist Eysenck has no right to speak!
Dit hoofdstuk komt uit "De mietjesmaatschappij".

Marcel Roele (1961) is columnist van AD Magazine en schrijft over sociobiologie voor HP/De Tijd en Intermediair. Eerder publiceerde hij De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties (tweede druk, 1996), De menselijke soort en De Mietjesmaatschappij.

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl