Herbert Spencer: een man alleen tegen de staat

Door Marc Bajema

29 december 2002

Ooit een van de meest bekende en gevierde filosofen, Herbert Spencer (1820-1903) werd in 1946 door Bertrand Russell in zijn Geschiedenis van de westerse filosofie zelfs niet terloops genoemd. Afgezien van een handvol wetenschappelijke publicaties wordt Spencer vandaag de dag vooral verguisd als de man die de leer van Darwin op de menselijke maatschappij toepaste en daardoor indirect verantwoordelijk gehouden wordt voor de grootste massamoorden uit de menselijke geschiedenis. Een merkwaardig lot voor een man die zijn leven lang streed tegen oorlog, de staat en imperialisme.

Evolutie
Spencer was zeer geinteresseerd in kennis van alle soorten en maten en het Engeland van de Victorianen was een uitgelezen plek om daar aan te komen zonder dat er sprake was van een overdaad zoals tegenwoordig het geval lijkt te zijn. Vanuit alle hoeken van het Empire kwam bijvoorbeeld gedetailleerde informatie binnen over de gewoonten en leefomstandigheden van andere volken. Niet gehinderd door enige vorm van politieke correctheid rangschikten de Victorianen deze volken van primitief naar geavanceerd op basis van kwantitatieve (grootte steden, legers, territorium, etc.) en kwalitatieve (levensduur, huwelijksvorm, voedselvoorziening, etc.) factoren.


Sir Charles Lyell
Het revolutionaire inzicht hierbij was de recente ontdekking door de geoloog Lyell dat de Aarde veel ouder was dan 5.500 jaar zoals de Bijbel stelde. Lyell kwam hierop via het principe van het uniformitarisme: dezelfde geologische processen die men dagelijks kon waarnemen waren er in het verleden ook geweest en het vormen van zulke complexe geologische formaties had miljoenen jaren gekost schatte Lyell. Veel meer dan de 5.500 jaar van de Bijbel in ieder geval. Het uniformitarisme werd nu ook toegepast op wat al snel de antropologie zou gaan heten. India kenner Mill stelde dat praten met een Hindoe eigenlijk was als het praten met een inwoner van Babylon uit de tijd van Cyrus of een Egyptenaar uit de tijd van Alexander de Grote. De primitiefste stammen in de jungles van Azie, Zuid-Amerika en Afrika waren vergelijkbaar met de holbewoners uit het stenen tijdperk. Ondanks alle chaos in de geschiedenis met haar meeslepende veldslagen, tragische liefdes en schrijnende hongersnoden was er blijkbaar een constante factor; een meetlat waarmee de antropoloog de ontwikkeling van een bepaald volk in een bepaalde tijd kon aflezen.

Wat Spencer wilde was een theorie die de wetmatigheid in de ontwikkeling van de mensheid zou verklaren en zijn artikel 'Progress. Its law and causes.' gepubliceerd in 1857 in de Westminster Review (twee jaar voor Darwin's evolutietheorie!) was zijn openingszet. Niet alleen menselijke samenlevingen maar ook organismen, geologische formaties en astronomische objecten gehoorzaamden aan de volgende definitie van vooruitgang (later evolutie genoemd):

"Een verandering van een onbepaalde, incoherente massa naar een bepaalde, coherente structuur door middel van een doorlopend proces van differentiatie en integratie."

Hoewel Spencer vaak gewezen werd op zijn wollige taalgebruik is het proces dat achter deze formuleringen schuilgaat zeker niet wollig. Een metafoor voor dit proces zou een LEGO bouwdoos kunnen zijn. Kieper hem leeg en je hebt een massa eenvormige blokken zonder functie. Door te bouwen integreer je de blokken in een structuur waarbij elk blok een bepaalde functie in het geheel heeft. Zo gaat dat ook in een organisme: de verschillende moleculen voegen zich samen tot organen met bepaalde functies en zo kan het als geheel complexe taken in zijn ruimtelijke omgeving uitvoeren. Het geheel is meer dan de som van de delen.


Adam Smith
In de menselijke maatschappij is dit nog veel duidelijker. Adam Smith had bijvoorbeeld in zijn The wealth of nations al gewezen op de noodzaak van de verdeling van arbeid in een hoogwaardige economie. Ook op het gebied van taal stelde men vast dat de Europese talen veel meer en preciezer gedefinieerde woorden kende dan primitieve talen. Spencer voegde zulke observaties bij elkaar en stelde dat de vorming van grotere samenlevingen ofwel integratie (de kwantitatieve maatstaf) tot een grotere complexiteit ofwel differentiatie leidde (de kwalitatieve maatstaf). Deze trend naar integratie was het gevolg van de strijd om het bestaan tussen samenlevingen die ertoe leidde dat de ene de andere veroverde of dat men zich verenigde in een federatie om zo machtige vijanden het hoofd te kunnen bieden. Het was de ontwikkeling van de talloze simpele stammen van het stenen tijdperk naar de grote en complexe landen en wereldrijken uit Spencer's tijd.

De staat

Union Jack
Vanuit dit theoretische perspectief viel het te verwachten dat Spencer een warm pleitbezorger zou zijn van een alles overheersend Empire als eindpunt wellicht van de menselijke evolutie. Ondanks dat veel tijdgenoten dit perspectief hadden vervulde het Spencer's libertaire gemoed van een pure walging die van zijn geschriften afstraalt. Geconfronteerd op zijn club met het nieuws dat Britse soldaten in Afghanistan in nood waren reageerde hij koeltjes door te stellen dat dit hun eigen schuld was omdat ze uit veroveringszucht een ander land waren binnengevallen. In de 'white man's burden' van Kipling zag Spencer een universele slavernij voor zowel de onderworpenen als voor de kolonialen zelf die de vrijheid van het burgerschap omruilden voor een ondankbare taak als administratieve slaven in de kolonies.

Dezelfde weerzin had Spencer tegen de moderne oorlogsvoering en tegen de toenemende rol van de staat in de maatschappij. De schaal van de moderne oorlogsvoering leidde ertoe dat het leger en de darrbij behorende cultuur van het militarisme (de gehoorzaamheid en de hierarchie) een grotere invloed op de samenleving zou krijgen wat tot een terugval in de barbaarsheid zou leidden omdat geweld het van de rede zou winnen. Het leger zou zich moeten beperken tot het verdedigen van het eigen grondgebied.

Was de invloed van het leger duidelijk herkenbaar, de staat probeerde op een slinksere wijze de samenleving over te nemen. Door kleine stapjes, die de redelijkheid zelf waren zoals het geven van voedsel aan de armen en ook beperkt openbaar onderwijs, kreeg de staat een steeds grotere invloed op de maatschappij. Was een staatsinterventie niet succesvol dan leidde dat tot meer staatsinterventie om de situatie 'beheersbaar' te maken. Volgens Spencer zou dit uiteindelijk leidden tot een toestand waarin de burger tot slaaf van de staat werd gemaakt: de socialistische samenleving.

Spencer zag deze ontwikkeling ook als onvermijdelijk en ontwikkelde de theorie van de Rhythm of motion. Een fase van expansie waarin meer complexe samenlevingen zich vormden werd gevolgd door een fase van stabilisatie waarin de staat machtiger werd om vervolgens te degenereren en uiteen te vallen. Victoriaans Engeland bevond zich op het punt waarin de stabilisatie begon en de invloed van de staat toe begon te nemen. Een goed vergelijkingspunt is het Rome van Augustus: op het toppunt van haar bloei maar met de bureaucraten al in opmars.

Het verzet

H.G. Wells
Als de ontwikkeling naar een socialistische samenleving zo onvermijdelijk was blijft de vraag waarom Spencer zich er tegen verzette. Een van de gevolgen is immers geweest dat hij werd doodgezwegen door de generatie intellectuelen die na hem kwam waaronder bijvoorbeeld de sociaal-darwinist H.G. Wells die enthousiast voor een socialistische wereldstaat pleitte.

Een oppervlakkig argument zou zijn opvoeding kunnen zijn. Hij groeide op in een onconventionele familie en vrijheidsdrang was een familietrekje. Ook zijn loopbaan als ingenieur bij de spoorwegen en redacteur van The economist tot een erfenis hem in 1853 in staat stelde om zich op het schrijven te richten heeft hem ongetwijfeld ook gesterkt in zijn geloof in het libertaire gedachtengoed.

Maar het was meer dan een geloof, Spencer beredeneerde dat terwijl een minimale staat voor de bescherming van de burgers diende te zorgen de kracht van een samenleving afhing van de iniatieven van deze burgers en niet van de plannen van bureaucraten. Zijn rijke kennis van de structuur van andere samenlevingen moeten hem in dit standpunt gesterkt hebben. Was de positie van de Victorianen bovenaan de evolutionaire ladder niet juist te danken aan de grote vrijheid van het individu en de civil society? Waren de eens zo creatieve Grieken niet weggekwijnd onder het juk van de keizers en later van de Orthodoxe kerk?

De balans

Opkomst kapitalisme
Herbert Spencer, zou ik willen stellen, was de eerste cultuurpessimist van het Westen. De expansie van het Westen was begonnen ten tijde van de reformatie. De reformatie brak de macht van de kerk en beroofde daarmee de koningshuizen van een belangrijk middel om haar onderdanen onder controle te houden. Niet voor niets heeft de socioloog Weber de protestant ethic als een belangrijke factor voor het ontstaan van het kapitalisme aangewezen. Ondanks vele tekortkomingen gingen de ontwikkelingen in Europa daarna in de richting van een libertaire samenleving. Een nieuwe cultuur was geboren waarin individuele vrijheid en particulier initiatief vooropstonden en waarbij de staat een beschermende rol speelde. Met de opkomst van de staatsinterventie op grote schaal en het oorlogszuchtige imperialisme zag Spencer deze cultuur bedreigd worden.

De ontwikkelingen in de twintigste eeuw hebben Spencer alleen maar gelijk gegeven. Ondanks af en toe een terugslag is de invloed van de staat alleen maar groter geworden en er zijn zelfs nieuwe bureaucratische instituten bijgekomen zoals de VN, de EU, de WTO enzovoorts: de embryonische elementen van een wereldstaat, zoveel is duidelijk. Wat is de stem van de Nederlandse burger nog waard? Ondanks alle geklaag over de 'privatiseringen' is de macht van de overheid door de grootte van haar afhankelijke semi-publieke sector groter dan ooit en wanneer de verzorgingsstaat faalt zal de oplossing ongetwijfeld een nog grotere invloed van de staat zijn die dan in feite een totalitaire zal worden. Ook de libertaire Westerse cultuur van individuele vrijheid wordt krachtig te lijf gegaan met behulp van het multiculturalisme. Ondanks dat alle statistieken uitwijzen dat de Westerse cultuur de kwalitatief en kwantitatief beste samenlevingen heeft voortgebracht dient dit verzwegen te worden. Verdeel en heers lijkt hier het motto van de staat.

Toch lijken er aanwijzingen te zijn dat het tij te keren valt. De opkomst van Fortuyn was al een aanwijzing dat verandering in principe mogelijk is. Interessant genoeg werd hem ook in een opiniestuk verweten een aanhanger van Herbert de Verschrikkelijke te zijn, een enge sociaal-darwinist. Blijkbaar was de Nederlandse kiezer hier erg gecharmeerd van.

Geraadpleegde literatuur
Rizzo, M.J., 1999 'The coming slavery. The determinism of Herbert Spencer.' Review of Austrian Economics 12, pp. 115-130.
Spencer, H., 1857 'Progress. Its law and causes.' The Westminster Review 11, pp. 445-485.
Spencer, H., 1971 Structure, function and evolution. Edited and with an introductory essay by S. Andreski. Michael Joseph, London.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl