Het recht om te discrimineren

Door Scott W. Sixier

11 november 2002

Een groot deel van het pleidooi voor de vrije markt is gebaseerd op het verregaande geloof in vrijheid van keuze. Dit behelst niet alleen de vrijheid om te handelen en om te gaan met wie dan ook, maar ook, en dit is evenzeer belangrijk, de vrijheid om te besluiten niet te handelen of om te gaan met wie dan ook.

Er zijn slechts twee manieren voor iemand om zijn behoeften te bevredigen. De ene methode gaat uit van het gebruik van dwang, waaronder ook de dreiging met geweld of dwang valt. De andere methode is vrijheid, waarbij het proces van vrijwillige uitwisseling centraal staat.

Om zijn eigen positie te verbeteren zal iemand geen goederen of diensten uitwisselen tenzij hij gelooft dat hij er voordeel bij heeft. Iemand die bijvoorbeeld een nieuw kostuum koopt, acht het pak meer waard dan het geld dat hij daarvoor in ruil geeft. De verkoper hecht meer waarde aan het geld dan aan het pak. Beide partijen hebben hun positie verbeterd.

Er kan echter een derde partij op het toneel verschijnen die verhindert dat transacties plaatsvinden die normaal wel zouden hebben plaatsgevonden. Het kan ook zijn dat een van beide partijen gedwongen wordt een transactie aan te gaan tegen zijn wil. In beide gevallen is wederzijds belang niet meer van toepassing en een of beide partijen hebben verloren op de transactie.

Dit soort vrijheidsbeperkingen zijn het gevolg van de verschillende wetten die bedoeld zijn om gelijke behandeling te bewerkstelligen voor minderheidsgroeperingen, vrouwen, gehandicapten en wat meer zij. Deze wetten zijn in essentie een ontkenning van het marktproces van vrijwillige uitwisseling, waardoor alle betrokken partijen nadeel ondervinden.

Het Random House woordenboek definieert discriminatie als volgt: "maken van onderscheid ten gunste of ten nadele van een persoon of ding op basis van de groep, klasse of categorie waartoe een persoon of ding behoort, in plaats van op basis van daadwerkelijke merites." De bedoeling van de wetten ter gelijke behandeling is om discriminatie tegen te gaan. Om te bewijzen dat werkgevers minderheidsgroeperingen hebben gediscrimineerd bij het aannemen en promoten van personeel moet de overheid over een methode beschikken die kan aantonen dat discriminatie heeft plaatsgevonden.

Een algemeen gebruikte methode is statistische representatie. Een analyse van de percentages van verschillende minderheidsgroeperingen binnen de bevolking wordt vergeleken met de percentages die werken in een bepaalde industrie. Wanneer een minderheid twintig procent van een bevolking bedraagt stelt deze theorie dat discriminatie heeft plaatsgevonden wanneer het percentage van diezelfde minderheid slechts 5 procent bedraagt.

Deze procedure houdt echter geen rekening met verschillen in leeftijd en opleiding tussen individuen. De zwakke basis van de statistische representatie als bewijs van discriminatie is uitvoerig gedocumenteerd. Thomas Sowell, een zwarte professor economie aan de U.C.L.A., schrijft het volgende:

Als verschillende etnische groepen min of meer vergelijkbaar zijn in leeftijdsopbouw en opleiding zou representatie op basis van vergelijkingen van het percentage van een bepaalde groep zinnig zijn. Vrijwel elke ondergerepresenteerde raciale of etnische groep in de V.S. heeft een lager dan gemiddelde leeftijd en bestaat disproportioneel uit kinderen en onervaren jonge volwassenen. Deze groepen hebben ook vrijwel altijd een lagere opleiding, zowel kwantitatief als kwalitatief.

De helft van de joodse bevolking in de V.S. is vierenvijftig of ouder, maar slechts twaalf procent van de Puerto Ricaanse bevolking is zo oud. Zelfs als joden en Puerto Ricanen gelijk zouden zijn in elk ander aspect, en zelfs als geen een werkgever ook maar een greintje vooroordeel kende, zouden er qua topposities nog steeds enorme verschillen zijn tussen de twee groepen, alleen al door verschillen in leeftijdsopbouw. Representatie bij zulke banen kan niet vergeleken worden met bevolkingsrepresentatie waarbinnen zich veel vijf jaar oude kinderen bevinden. Maar dat is het wel
. [1]

Quota's voor positieve discriminatie
Overheidsambtenaren, gewapend met zogenaamd sluitend bewijs van discriminatie, leggen vervolgens verschillende quota's op die moeten garanderen dat niemand zal lijden onder welke vorm van discriminatie dan ook. Verpakt als "positieve discriminatie" wetten, stellen deze quota's werkgevers voor een eigenaardig dilemma. Als de wet bijvoorbeeld voorschrijft dat hij het aantal werknemers uit een minderheidsgroep laat groeien van vijf naar tien moet hij feitelijk discrimineren tegen die individuen die geen lid zijn van een minderheidsgroep. Dit wordt omgekeerde discriminatie genoemd. Om consistent te zijn zou het net zo bestreden moeten worden als discriminatie tegen minderheden. De werkgever heeft duidelijk "onderscheid gemaakt ten gunste van" de leden van een bepaalde minderheidsgroep.

Volgens dezelfde gedachte is een werkgever vanwege quotas gedwongen om individuen te discrimineren die niet behoren tot die categorieën - individuen zoals gehandicapte veteranen, Vietnam veteranen, en gehandicapten. Hoe kan een werkgever zich verantwoorden voor zijn falen om het beleid van antidiscriminatie te volgen terwijl hij op een grove manier moet discrimineren jegens individuen uit andere categorieën?

De overheid heeft daarmee, in haar poging gelijke behandeling op het werk te bewerkstelligen, speciale categorieën mensen aangewezen die automatisch minder gekwalificeerd zijn omdat ze tot die groep behoren. Daarmee wordt de indruk gewekt dat minderheden losers zijn die nooit iets zullen bezitten tenzij iemand het hun geeft. Met als resultaat dat leden van een minderheidsgroep zich wel moeten afvragen of zij hun positie gekregen hebben op grond van hun merites (gemeten zoals bij elk ander) of omdat ze tot een minderheid behoren.

Het onveranderbare verleden
Een van de belangrijkste argumenten die door voorstanders van positieve discriminatie naar voren gebracht wordt is dat het compenseert voor de slechte behandeling van minderheden in het verleden. Als je de logica achter dit argument nauwer bestudeert toont het dat het uit gaat van de gedachte dat twee kwaden iets goeds veroorzaken. Is het redelijk te geloven dat het toekennen van een privilege vandaag zal compenseren voor de mishandeling van iemand anders honderd jaar geleden? Professor Sowell zegt hierover:

Is het redelijk te geloven dat het toekennen van een privilege vandaag zal compenseren voor de mishandeling van iemand anders honderd jaar geleden?
Het verleden is een aaneenschakeling van onveranderbare feiten. Niets zal het lijden en het onrecht teniet doen, ongeacht de omvang ervan... Het ligt niet in onze macht om de zonden dan wel het lijden van diegenen die nu dood zijn te veranderen. Er ligt meer dan voldoende morele uitdaging in het eerlijk en eerzaam omgaan met de mensen die in onze huidige tijd leven, zonder dat we ons hoeven te verliezen in illusies omtrent het herschrijven van de morele geschiedenis met behulp van cijfers en categorieën. [2]

Positieve discriminatie veroorzaakt andere effecten voor de werkgever en werknemer die in acht moeten worden genomen. In de meeste gevallen zullen werknemers die samen werken het beter met elkaar kunnen vinden, en daarmee dus productiever zijn, als ze weten dat iedereen aangenomen is of gepromoveerd is op basis van ruwweg dezelfde kwalificaties en niet vanwege het nakomen van overheidsquota's. Samenwerking tussen werknemers en hogere productiviteit zijn doelen waar werkgevers voortdurend naar streven.

Bovendien is het verlagen van toelatingseisen om zo bepaalde doelen te bereiken hoogst verdacht. Deze lagere eisen betekenen dat een werkgever gedwongen is andere mensen aan te nemen en te benoemen dan de besten die hem daartoe ter beschikking staan. Operationele doelmatigheid wordt zo overeenkomstig lager dan dat wat die normaal zou zijn geweest. Zo'n beleid moet op den duur wel leiden tot kwade wil en conflicten tussen werknemers.

Onvoorziene consequenties
In veel gevallen heeft positieve discriminatie prikkels gegeven aan werknemers die tegengesteld zijn aan de bedoelingen. Iemand aannemen om aan de quota's te voldoen houdt de overheid een tijdje op afstand, maar vervolgens wordt hij geconfronteerd met de mogelijkheid van een kostbare rechtszaak die door ontevreden sollicitanten of werknemers zijn aangespannen die beweren dat hen door diezelfde quota's een bepaalde positie is ontzegd. Het risico van zo'n rechtszaak is een reden om juist geen mensen aan te nemen uit groepen die door de overheid zijn aangewezen.

Op dezelfde wijze stelt de logica achter gelijke behandeling de werkgever voor een ander dilemma. Stel dat een werkgever juist meer minderheden wil aannenem en ze meer kansen wil bieden dan ze in het verleden hadden. Als hij consistent minderheden rekruteert uit een aantal sollicitanten met overeenkomstige kwalificaties, handelt hij niet in overeenstemming met de wet. De huidige wet dicteert dat hij zijn idee niet in de praktijk mag brengen! [3]

De wet schaadt dus (1) de werkgever, die een hogere productiviteit wenst, grotere efficiency, en hogere winsten, (2) andere werknemers die billijk behandeld willen worden, en (3) het lid van de minderheidsgroep, dat moet lijden onder een verlies aan trots en eigenwaarde.

Als je kijkt naar de andere kant van de werkgever-/werknemer relatie zie je een ander perspectief.

Slecht één persoon kan een baan vervullen. Met als gevolg dat er discriminatie zal zijn; iemand moet iemand kiezen voor de functie.
Een sollicitant vervult dezelfde rol als een consument doet bij elke andere transactie. Wat vaak vergeten wordt is dat een baan in feite hetzelfde is als elke andere uitwisseling. Het verschil is dat het een continue transactie is. De werkgever ruilt loon of salaris tegen de arbeid of de diensten van de werknemer. De werknemer verruilt zijn arbeid voor loon.

Werknemers en sollicitanten discrimineren bij hun keuze van en in hun omgang met werkgevers. Deze keuzen worden vrij vaak gemaakt op basis van wat veel mensen zouden omschrijven als irrationele redenen. Het zou bijvoorbeeld onmogelijk zijn om te bepalen hoeveel sollicitanten een functie weigerden (of hoeveel simpelweg niet solliciteerden) omdat ze vonden dat hun toekomstige manager een ongepaste jurk had, te lang haar of de verkeerde huidskleur.

Tussenkomst door de overheid aan slechts een kant van de werkgever/werknemer transactie lijkt inconsistent. Uiteraard kan ook een werkgever aantonen dat hij schade geleden heeft vanwege sollicitanten die een functie geweigerd hebben op basis van vooroordelen of een of ander gek idee.

Slecht één persoon kan een baan vervullen. Met als gevolg dat er discriminatie zal zijn; iemand moet iemand kiezen voor de functie. De vraag is dan: Wie zal het recht hebben te beslissen?

Een arbitraire keuze
De regering heeft geen recht om te beslissen wie een bepaalde baan in de particuliere sector mag hebben. De bureaucraat kan slechts een willekeurig besluit nemen. Hij is gewoonlijk ver verwijderd van de dagelijkse personeelsbesluiten die door individuele werkgevers worden genomen. De wetten die worden aangenomen om arbeidsdiscriminatie tegen te gaan doen dat in werkelijkheid niet helemaal niet. Zij overhandigen slechts het recht van discriminatie aan de regeringsbureaucraat.

Wij verliezen vaak het feit uit het oog dat de regering niet de onzelfzuchtige, onfeilbare organisatie is die het pretendeert te zijn. De regering is echter samengesteld uit individuen die onderworpen zijn aan dezelfde fundamentele wetten van menselijke actie zoals alle andere personen dat zijn. Omdat wij dit feit soms vergeten, wordt de regering vaak bevoegdheden toegewezen die, indien ze aan individuen zouden worden toegekend, als totaal onaanvaardbaar worden beschouwd.

Wat zou onze reactie bijvoorbeeld zijn als onze buurman ons met een pistool zou bedreigen opdat wij zijn vijftien jaar oude zoon inhuren om ons gazon te maaien? Uiteraard zou men dit als een flagrante schending van de individuele keuzevrijheid beschouwen. Wat veroorzaakt toch voor dit wijd verspreide geloof in de alwetendheid van de regering? Waarom wordt er naar de bureaucraat gekeken voor antwoorden op problemen waarvan de meeste mensen menen dat hij er niets mee te maken heeft? Het antwoord zou kunnen worden gevonden door een nadere blik te werpen op de aard van bureaucratie.

De bureaucraat heeft een onbetwistbare en schijnbaar eeuwigdurende wens om zijn macht en invloed uit te breiden. Aangezien er geen markttest bestaat voor zijn vaardigheden, moet hij zijn waarde door zijn capaciteit bewijzen via het verkrijgen van politieke aanhang. Hij is van mening dat hij iets moet beheersen wil het enigszins gladjes functioneren. Daar komt bij dat het de overtuiging is van de bureaucraat dat individuen meestal gewoon niet intelligent genoeg zijn om hun eigen zaken af te behandelen. Maar toch zijn diezelfde individuen vermoedelijk slim genoeg om hun heersers te kiezen, die hen graag zullen vertellen hoe ze hun eigen zaken moeten regelen!

Bovendien kan of wil een bureaucraat gewoonlijk niet de lange termijn consequenties van zijn acties overzien. Hij is slechts geïnteresseerd in hetgeen er voor zorgt zijn positie te handhaven. De bureaucraat heeft de neiging om de indirecte gevolgen op alle andere individuen uit het oog te verliezen wanneer die personen niet direct te maken hebben met zijn verordeningen.

Misschien is de belangrijkste reden dat bureaucraten antidiscriminatiewetten goedkeuren omdat het eenvoudigweg niet in hun belang is om het probleem van de minderheden kwijt te raken. Reusachtige overheidsinstanties zijn ontstaan om de diverse programma's voor positieve discriminatie te beheren. Het is in het belang van diegenen die aan deze instanties verbonden zijn om hun organisatie te zien groeien. Het is niet in hun belang om een oplossing voor het "probleem" te vinden waarvoor hun organisatie in het leven werd geroepen. Als plotseling het probleem opgelost zou worden, zou er geen behoefte meer zijn aan deze instanties, en de ambtenaren zouden hun baan verliezen.

De vraag blijft: Wie moet het recht hebben iemand voor een baan te selecteren? Als wij aan een baan of een positie denken in termen van een "continue vrijwillige uitwisseling", volgt het dat de werkgever en de werknemer de enige twee personen zijn die belang in de kwestie hebben. Eisen van derden brengen gewoonlijk conflicten en onrecht.

Wiens keuze is juist?
De verdedigers van positieve discriminatie beweren dat, in gevallen waarbij er een overeenkomstige gelijkheid in productiviteit kan worden aangetoond, er minderheidsgroepen onterecht worden benadeeld wanneer een werkgever weigert mensen van deze groepen aan te nemen.

Maar is dit wel een juiste bewering? Als wij een baan zien in termen van een continue vrijwillige transactie, betekent het dat de werkgever en de werknemer de enige twee personen zijn die een reëel belang hebben.

Zouden wij het bijvoorbeeld als "discriminatie " beschouwen, als iemand liever naar een concert van een klassieke pianist gaat dan van een jazzpianist? Uiteraard niet. Het zou gelden als bewijs voor iemands persoonlijke smaak. Vele mensen hebben echter bezwaar wanneer een werkgever een blanke sollicitant verkiest boven een zwarte sollicitant. Of een man boven een vrouw. De tegenstanders beweren dat diegenen die niet worden aangenomen worden geschaad.

Maar hoe zit het dan met de jazzpianist? Als je aanneemt dat een groot aantal mensen klassieke muziek prefereert boven jazz, wordt dan de jazzpianist ook niet geschaad door de beperkte kansen op werk? In feite wordt de jazzpianist "geschaad". Hij zou uiteraard beter af zijn als meer mensen zijn muziek prefereerden dan dat van de klassieke pianist. Maar als één persoon wel werk kan vinden en een ander kan dat niet, dan betekent het dat de eerste iets aanbiedt waarvoor mensen willen betalen en de tweede niet. Zoals Milton Friedman al eerder aangaf zijn er twee zeer verschillende soorten schade:

Het eerste type is de positieve schade die iemand wordt aangedaan door fysieke dwang of door iemand te dwingen een contract te tekenen zonder zijn toestemming. Een typisch voorbeeld is de man die een ander op zijn hoofd slaat met een slagwapen....Het tweede type is de negatieve schade die zich voor doet wanneer twee individuen er niet in slagen een overeenkomst te sluiten die voor beide partijen acceptabel is, zoals wanneer ik iets niet wil kopen dat een ander aan mij wil verkopen en hem daarmee slechter af breng dan wanneer ik het artikel zou hebben gekocht.... Het is een goede zaak om de overheid te gebruiken om te voorkomen dat iemand een ander positieve schade toe brengt, ofwel, om dwang te voorkomen. Er is echter geen enkele reden om de overheid te gebruiken negatieve schade te voorkomen. In tegendeel, zulke tussenkomst van de overheid vermindert vrijheid en beperkt vrijwillige samenwerking. [4]

Milton FriedmanIn ons voorbeeld heeft discriminatie in beide gevallen plaatsgevonden. Het verschil is dat we wel sympathiseren met de keuze van het individu, maar dat we het niet eens zijn met de keuze van de werkgever. Maar welke gebieden van de markt moeten uitgesloten worden van wetten die vrije keuze verbieden als de rechtvaardiging voor zulke wetten het geloof is dat een groep haar voorkeuren mag opleggen aan een andere groep?

Discriminatie houdt het recht in om te kiezen tussen voorkeuren. Het recht van het individu om te kiezen staat aan de basis van het proces van vrijwillige uitwisseling. Om een keuze te maken tussen verschillende alternatieven moet hij over de mogelijkheid beschikken om voorkeuren te onderscheiden. Wetten tegen discriminatie proberen de verschillen tussen deze voorkeuren teniet te doen waarbij tegelijkertijd ook de mogelijkheid om verschil te maken wordt verwijderd. Uiteindelijk zou alle uitwisseling tot een einde komen. Zoals F. A. Harper aangeeft:

Je kunt de reden voor een keuze niet in twijfel trekken zonder het recht op vrije keuze in twijfel te trekken. Het is niet zinnig om te zeggen dat ik het recht heb om bijvoorbeeld welke kaas dan ook te kiezen die ik wens, maar dat ik geen recht heb om er een te kiezen boven een andere omdat het beter smaakt, of een mooiere kleur heeft, of omdat het gemaakt is van de melk van betere koeien. Het recht om te kiezen is het recht om te kiezen; de redenen worden daarom een onaantastbaar deel van het recht zelf. [5]

De overheid dicteert alles
Als antidiscriminatiewetten helemaal logisch worden doorgevoerd geeft het de overheid het recht om niet alleen te bepalen wie moet worden aangenomen maar ook waar een persoon werkt tegen welk loon, voorwaarden, werkuren en zo verder. Als wordt toegegeven dat de overheidsinmenging noodzakelijk is op een gebied van individuele consumptie omdat sommige personen keuzes maken die geacht worden onacceptabel te zijn, zou de overheid dan niet alle keuzes moeten dicteren?

Sovjet Rusland en vergelijkbare totalitaire landen zijn voorbeelden van naties die getracht hebben de vrijheid van keuze aangaande werk te elimineren. Denken we nou werkelijk dat er daar meer mogelijkheden zijn in die landen? Zijn de werkomstandigheden en levensstandaarden in die landen superieur aan andere landen waar mensen een bepaalde mate van vrije keuze is toegestaan?

In elke samenleving zijn er ongetwijfeld sommige individuen die extreem bevooroordeeld zijn. Wat echter erkend moet worden is dat vooroordelen onmogelijk te elimineren zijn door wetten aan te nemen. Een persoon zou gerechtigd moeten zijn tot het hebben van welke vooroordelen dan ook. Dat is zijn opinie. Wat hij niet zou mogen hebben is het recht om zijn vooroordelen aan anderen op te leggen. Zoals Ayn Rand stelt:

Ayn RandGeen mens...heeft enig recht op het eigendom van een ander mens. Iemands rechten worden niet geschaad door de weigering van een individu om met hem om te gaan. Racisme is een kwaad, irrationeel en een moreel verachtelijke doctrine - maar doctrines moeten niet verboden worden of door de wet worden voorgeschreven. Net zoals we de vrijheid van meningsuiting van een communist moeten beschermen, hoewel zijn doctrines kwaadaardig zijn, moeten wij het recht van een racist beschermen om zijn eigendom te gebruiken en te verhandelen. Privaat racisme is niet een juridische, maar een morele zaak - en kan alleen bevochten worden met private middelen, zoals een economische boycot of sociale uitsluiting. [6]

Voorstanders van antidiscriminatiewetten worden dus geconfronteerd met het feit dat wat zij voorstaan een belichaming is van dezelfde principes die zij zogenaamd verafschuwen. Door massaal te protesteren voor "raciale gelijkheid" roepen ze in feite om een duidelijk onderscheid tussen de verschillende minderheden. Dit onderschrijft echter de stereotypering van bepaalde minderheidsgroeperingen als onderbedeeld, onderontwikkeld of wat dan ook. Je kunt je afvragen wie de werkelijke voorstanders van racisme zijn als je dat label niet kunt plakken op die voorstanders die een speciale behandeling wensen voor sommige individuen ten koste van het rechten van anderen.

De vrije markt biedt enorme prikkels voor producenten om de verschillende factoren voor productie zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Een werkgever die op de werkvloer irrationele discriminatie toepast snijdt zich daardoor in zijn eigen vingers.
We moeten daarom bezwaar maken tegen de antidiscriminatiewetten om twee redenen. Ten eerste bereiken ze niet wat wordt beoogd. In feite zijn ze nadelig voor alle betrokken partijen, met inbegrip van diegenen die men hoopte te helpen. Ten tweede zijn ze gebaseerd op de interventionische illusie die, wanneer die helemaal logisch wordt doorgetrokken, alle mensen het recht op vrije keuze ontneemt, en daarbij dus het principe van individuele vrijheid overtreedt.

Als we een vermindering wensen van de mate waarin minderheden nadelen ondervinden in de markt, wat kan dan gedaan worden om dat te bereiken? Het moet duidelijk een systeem zijn dat werkgevers en consumenten aanmoedigt individuele verschillen als huidskleur, religie, achtergrond, et cetera ter zijde te schuiven. Het moet een systeem zijn dat iemands productieve vaardigheden benadrukt en niet wie zijn voorouders zouden kunnen zijn-een systeem dat ambitie en individuele vaardigheden beloont. Dit systeem heet vrije markt kapitalisme.

Het is de vrije markt dat minderheden de grootste bron van mogelijkheden heeft geboden wat betreft hun economische activiteiten. De vrije markt biedt enorme prikkels voor producenten om de verschillende factoren voor productie zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Een werkgever die op de werkvloer irrationele discriminatie toepast snijdt zich daardoor in zijn eigen vingers. Milton Friedman verklaart dit proces als volgt:

... er is een economische prikkel in een vrije markt om economische efficiëncy te scheiden van andere individuele eigenschappen. Een zakenman of een ondernemer die zich bij zijn zakelijke activiteiten laat leiden door voorkeuren die niets te maken hebben met de productieve efficiency ondervindt een nadeel in vergelijking met andere individuen die dat niet doen. Zo'n individu brengt zichzelf hogere kosten dan anderen die niet zulke voorkeuren hebben. Met als gevolg dat in een vrije markt de anderen hem eruit zullen drukken. [7]

Op dezelfde wijze moet een consument de kosten dragen van zijn discriminatie in de vorm van verloren diensten. Als hij weigert goederen of diensten te kopen van individuen die hij niet mag vermindert hij zijn keuzemogelijkheden. Hij zal het moeten stellen zonder die goederen of diensten of zal in het algemeen hogere prijzen moeten betalen voor wat hij aanschaft of ergens anders ontvangt.

In plaats dat de vrije markt de vijand is van minderheidsgroeperingen kan het deze juist voordeel opleverden. Het legt werkgevers namelijk voortdurend hogere kosten op wanneer die kiezen iemand aan te nemen op basis van irrelevante eigenschappen in plaats van op basis van merites en kwalificaties.

Het marktproces van vrijwillige transacties zal altijd superieur zijn in het bevredigen van consumentenwensen. Zij die het vrije markt kapitalisme verdedigen zien discriminatie als een noodzakelijk ingrediënt in dit proces. Onze vrijheid om keuzes te maken is de basis voor alle markt activiteiten. In de woorden van F. A. Harper:

Als er geen arbeidsdiscriminatie zou zijn - geen recht om te kiezen - zouden er geen middelen zijn via welke personen de beste werkplek kunnen vinden; geen mogelijkheden voor personen om hun beste eigenschappen te gebruiken en te ontwikkelen; geen mogelijkheden voor het management om het juiste te doen in plaats van het verkeerde; geen middelen om goede resultaten en kwaliteiten te belonen. [8]

Discriminatie is dus essentieel voor het goed functioneren van de markteconomie. Het is een proces van differentiatie - een proces via welke wij onze voorkeuren kunnen aangeven. Het individu moet vrij zijn om te kiezen. Hij moet het recht hebben onderscheid te maken tussen voorkeuren.

Wetten die twee of meer individuen beperken in het aangaan van vrijwillige contracten, of die hen dwingen iets uit te wisselen tegen hun wens, staan uiteraard menselijke vooruitgang in de weg. Als sommige mensen beslissingen nemen die wij als immoreel ervaren dient vreedzame overtuiging de manier te zijn om deze waarden te veranderen. Het is duidelijk geen oplossing om onze waarden aan anderen op te leggen.

Als ons doel is om een systeem te bieden dat ons de hoogste levensstandaard biedt, een systeem dat de meest efficiënte middelen biedt om menselijke behoeften en verlangens te bevredigen, een systeem dat consistent is met de principes van persoonlijk eigendom en vrijwillige uitwisseling, dan moeten we elke gelegenheid aangrijpen om de fundamentele concepten van individuele vrijheid uit te breiden. We moeten voor vrijheid kiezen.

Eindnoten
1. Thomas Sowell, "Are Quotas Good for Blacks?" Commentary, June 1978, pp. 39-40.
2. Ibid., p. 40.
3. Milton Friedman, Capitalism and Freedom (Chicago: University of Chicago Press, 1962), p. 114.
4. 1bid., pp. 112-113.
5. F. A. Harper, "Discrimination," Essays on Liberty, Vol. 11 (h-vington-on-Hudson, N.Y.: The Foundation for Economic Education, 1954), pp. 370-371.
6. Ayn Rand, The Virtue of Selfishness (New York: New American Library, 1963), p. 134.
7. Friedman, op. cit., pp. 109-110.
8. Harper, op. cit. , p. 371.

Vertaling door Stichting MeerVrijheid van "The right to discriminate" door Scott W. Sixier

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl