“Alleen de overheid kan uitstekend papier ter hand nemen, het bedrukken met perfecte inkt en de combinatie waardeloos maken.”
Milton Friedman

Verboden te verbieden!

Door Kim Winkelaar

1 november 2002

In haar onstuitbare drang tot regulatie heeft de overheid een gigantisch scala aan verboden opgesteld. Zodra er een ongewenst element in de samenleving voorkomt, dient dat verboden te worden, en door middel van repressie de kop te worden ingedrukt. Natuurlijk zijn er naast verboden ook talloze verplichtingen. Maar een verplichting is in feite niet meer dan een verbod om iets na te laten.

Wat politici niet lijken te zien is dat de oorzaak van veel van de problemen in de hedendaagse samenleving nu juist de verboden zélf zijn.
Hét voorbeeld bij uitstek hiervan is het verbod op drugs. Er is een vraag naar genotsmiddelen als cocaïne. De economische wetenschap leert ons dat een vraag altijd aanbod zal creëren. De markt zal haar werk doen. Door middel van het verbod op drugs heeft de overheid echter ingegrepen in de markt van genotsmiddelen. Met als gevolg hogere prijzen. De in de pers breed uitgemeten problemen met bolletjesslikkers, stelende junks, cellentekorten en afrekeningen in het criminele milieu zijn uiteindelijk allemaal te wijten aan het verbod op drugs. Opheffing van het verbod op drugs zou een aanzienlijk deel van de bovenstaande problemen in één klap oplossen.

De angst dat bij legalisatie het aantal druggebruikers sterk zal toenemen is al dan niet gerechtvaardigd, maar uiteindelijk zou iedere burger vrij moeten zijn om te kiezen of hij genotsmiddelen wil gebruiken. Een overheid dient zich niet te bemoeien met deze persoonlijke keuze, net zoals diezelfde overheid u en mij vrij moet laten om te kiezen tussen cholesterol verlagende dieetmargarine of ongezonde roomboter.

Het feit dat een verbod op democratische wijze tot stand is gekomen doet hier niks aan af. Dat een bepaalde meerderheid van mening is dat iets niet mag, wil niet per definitie zeggen dat iedereen zich aan die mening dient te conformeren. Zo lang iemand geen schade toebrengt aan het bezit van een ander in de ruimste zin, dient hij of zij vrij gelaten te worden in de keuze om iets al dan niet te doen. Zodra er een verbod wordt ingesteld waarmee een minderheid in haar leefgenot beperkt wordt, is dat verbod discriminerend te noemen.

Iets verbieden is voor een politicus natuurlijk het makkelijkste wat er is. Helaas wordt te vaak voorbij gegaan aan de gevolgen van een verbod. Een verbod beperkt namelijk niet alleen de vrijheid (denk aan het verbod om een willekeurige dakkapel te plaatsen), een verbod zorgt ook voor meer werk voor controlerende instanties. En daarmee zorgt iedere regel, ieder voorschrift en ieder verbod voor meer werk voor ambtenaren. Het vervelende is dat diegenen die de dupe zijn van de verboden tevens degenen zijn die de ambtenaren betalen door middel van belastingen.
Voor politici is dit geen probleem. Hoe meer ambtenaren onder het bewind staan van een bewindspersoon, hoe groter de macht van die persoon. Het instellen van een verbod vergroot daarmee automatisch de macht van politici. En verkleint de vrijheid van het individu.

Sommige verboden zijn uiteraard wel gerechtvaardigd. Denk het verbod om te stelen. Niemand zal in discussie gaan over het nut van dit verbod. De vraag is alleen: mag de overheid zich aan die eigen verboden onttrekken?
Op de keper beschouwd is ook belastingheffing diefstal. Immers, zonder directe tegenprestatie worden burgers gedwongen een deel van hun inkomen af te staan. Dat dit belastinggeld een goed doel dient doet verder niet terzake. Het Rode kruis is ook een erg goed doel, maar niemand wordt verplicht om geld aan hen over te maken. De wereld zou te klein zijn als het Rode kruis blauwe enveloppen zou sturen, en de politie langs komt indien u bijgevoegde acceptgiro niet op tijd heeft ingestuurd. Toch is dat wat de belastingdienst doet.

In feite dienen er slechts twee verboden te zijn om een samenleving draaiende te houden. Het verbod om geweld te initiëren, en het verbod om eigendommen van anderen af te nemen.
Verdere regels zijn in principe overbodig. Bij iedere maatschappelijke situatie is het aan de hand van deze twee basale regels eenvoudig te bepalen wie er in zijn of haar recht staat.

Alle andere regels, verordeningen en wetten dienen ter verduidelijking van bovenstaande twee grondregels. Of dienen ter meerdere eer en glorie van de heersende macht.
In de huidige democratische rechtsstaten is meestal het laatste het geval. Waarmee de vraag rijst in hoeverre er nog valt te spreken over een rechtsstaat. Want wat is een rechtsstaat wanneer het recht enkel en uitsluitend ten dienste komt van de heersende macht? Is die rechtsstaat beter dan een willekeurige dictatuur?

Het wordt de hoogste tijd voor een fundamenteel debat over deze principes. Wellicht zou er naast de twee genoemde regels dan nog een derde moeten worden toegevoegd, speciaal ten behoeve van alle overheden. Het derde gebod: verboden te verbieden!

Over de auteur

Kim Winkelaar (1971) studeerde politicologie en bestuurskunde in Leiden. Hij is werkzaam als account manager in de ICT, en is bestuurslid van de TufTuf-club, een belangenvereniging van automobilisten.

Dankzij een brede interesse en een aangeboren hekel aan hypocrisie schrijft hij, met de nodige humor, over tal van uiteenlopende problemen. Problemen die in zijn visie veelal veroorzaakt worden door linkse politici en een te machtige overheid.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl