Kyoto: de illusie van het maakbare klimaat

Door Marcel Roele

1 oktober 2002

Het klimaat is in de war.

De winter was extreem zacht, terwijl we in 1997 nog een Elfstedentocht hadden, El Niño bracht in 1998 overstromingen in de woestijnen en droogte in het regenwoud, en in 1996 werden de subtropen geteisterd door verschrikkelijke orkanen.

Het lijkt allemaal onze eigen schuld. De laatste anderhalve eeuw verstoken wij in een hoog tempo fossiele brandstoffen - en ook de tropische wouden gaan in vlammen op. Deze menselijke activiteiten hebben tot een uitstoot van ongeveer duizend miljard ton CO2 (koolzuurgas) geleid. Als gevolg hiervan is de concentratie CO2 in de dampkring sinds 1850 met ruim een kwart gestegen. CO2 is een broeikasgas: het laat zonnestralen met een korte golflengte ongehinderd door, maar weerkaatst langgolvige warmtestraling van het aardoppervlak.

Er is een duidelijk verband tussen de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer en de temperatuur op aarde. Op basis van wetenschappelijk onderzoek constateerde de Tweede Kamercommissie Klimaatverandering dat de afgelopen 200.000 jaar de temperatuurschommelingen correspondeerden met de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Dankzij de daadkracht van de toenmalige milieuminister, Margreeth de Boer, besteden wij nu miljarden per jaar aan de bestrijding van het broeikaseffect door onze uitstoot van CO2 te verminderen. Wij trachten ons te houden aan de afspraken van de milieuconferentie van Kyoto uit 1997, waarvoor de onderbouwing is geleverd door het IPCC, het Intergovernmental Panel for Climate Change, waarin ambtenaren, beleidsmakers en politici overleggen met door hen betaalde wetenschappelijke adviseurs. De politiek heeft de oorlog verklaard aan CO2, dat door De Boer een "giftig gas" werd genoemd.

Het `gifgas' CO2 zit in de bubbeltjes van het glaasje prik dat u uw kind voorzet. Dat is geen reden tot bezorgdheid: CO2 is een goed gas, dat het leven op aarde mogelijk maakt. Groene planten zetten water en CO2 om in suiker, olie en andere brandstoffen - een proces waarvoor zonne-energie nodig is en waarbij zuurstof als afvalproduct vrijkomt. Mens en dier verbranden in hun lichaamscellen met behulp van zuurstof de energie die planten hebben opgeslagen. CO2 en waterdamp worden uitgeademd, waarna de kringloop opnieuw kan beginnen. Bij de ontbinding van dode planten en dieren gaan maden en bacteriën aan tafel; ook zij ademen CO2 uit. De energie in de resten van hun maaltijd wordt diep in de aarde in de loop van miljoenen jaren geconcentreerd in steenkool, aardolie en aardgas. Ook in afzettingsgesteenten, zoals kalksteen (dat bestaat uit de samengeperste skeletjes van zeedieren), zitten enorme hoeveelheden CO2 opgeslagen.

Een plaag van zes miljard stuks ongedierte dat zich mens noemt, verkwist de bodemschatten en natuurlijke hulpbronnen, waardoor veel CO2 vrijkomt. Het is echter onduidelijk in hoeverre dit bijdraagt tot het broeikaseffect. Waterdamp is verreweg het belangrijkste broeikasgas - en menselijk handelen heeft vrijwel geen invloed op de hoeveelheid water in de dampkring. Er is een verband tussen de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer en de temperatuur op aarde, maar de oorzakelijke relatie is onduidelijk. Koud oceaanwater kan veel meer CO2 vasthouden dan warm water, zodat bij het opwarmen van onze planeet CO2 vrijkomt. Als het warm wordt, stijgt automatisch de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, maar dat wil helemaal niet zeggen dat veel CO2 in de atmosfeer ervoor zorgt dat het warm wordt.

De toename van CO2 in de atmosfeer staat niet stil als onze machtige arm dat wil. Sinds het dieptepunt van de vorige ijstijd is de hoeveelheid CO2 toegenomen, zonder dat de mens daar enige invloed op uitoefende. In deze periode van global warming smolten de ijskappen (die eerst het grootste deel van Nederland bedekten) langzaam weg en steeg de zeespiegel. Het hoogtepunt in de verwarming van onze planeet ligt niet in de nabije toekomst - we hebben het al lang achter de rug. Ongeveer zesduizend jaar geleden was de aarde veel warmer dan nu. De laatste milieuminister Jan Pronk had toen moeten leven, want hij had zijn plicht (zorgen voor de Nederlandse natuur) kunnen combineren met zijn interesse (welvaart in de Derde Wereld). Nederland was zesduizend jaar geleden een wetland waarbij natuurbeschermers hun vingers zouden aflikken. In wat nu de Sahara is, leefden nijlpaarden en krokodillen. De vruchtbaarste landbouwgebieden van de wereld waren in het Midden Oosten. Het ging goed met de Derde Wereld!

Ongeveer eens in de tienduizend jaar komt een nieuwe ijstijd. Drie cycli verklaren een groot deel van deze klimaatverandering op lange termijn: kleine wijzigingen in de baan van de aarde om de zon, in de positie van de aardas en in de hoek die de aardas ten opzichte van de zon maakt. Op de lange termijn is niets terug te vinden van het verband tussen CO2 en het klimaat. Zo'n 110 miljoen jaar geleden, in de bloeitijd van de dinosaurussen, zorgde een groot aantal actieve vulkanen ervoor dat de dampkring tien keer meer CO2 bevatte dan tegenwoordig. Vliegende reptielen en primitieve vogels profiteerden van de dikke lucht, die het opstijgen vergemakkelijkte. De zuurstofisotopensamenstelling in de stoffelijke overschotten van deze dieren laat zien dat het toen nauwelijks warmer was dan nu.

De zorg over het zogenaamde broeikaseffect is voornamelijk gebaseerd op het feit dat het, over de afgelopen eeuw gezien, in Amerika en Europa ongeveer een halve graad Celsius warmer is geworden. Zwartkijkers constateren dat menselijke activiteiten hiervoor verantwoordelijk zijn, maar toen in de periode van 1942 tot 1977 de gemiddelde temperatuur juist met 0,2ºC daalde, waarschuwden diezelfde zwartkijkers voor een nieuwe ijstijd.

In plaats van global warming hebben wij waarschijnlijk een grote ijstijd voor de boeg. Een kleine ijstijd hebben we net achter de rug; waardoor het lijkt alsof de twintigste eeuw warm was. Van de tiende tot het eind van de dertiende eeuw had Nederland een Frans en het hoge noorden een Nederlands klimaat. De Middeleeuwse Nederlanders bedreven wijnbouw. De Vikingen koloniseerden in 986 Groenland, waar toen landbouw mogelijk was. In 1577 ontdekten Noorse vissers dat de kolonie (die uit een paar duizend keuteboertjes had bestaan) was uitgestorven. Wellicht waren de laatste kolonisten meegetrokken met of over de kling gejaagd door de Eskimo's.

Landbouw was in de zestiende eeuw niet meer mogelijk op Groenland. In Europa was een kleine ijstijd uitgebroken die duurde tot het einde van de negentiende eeuw. De allerkoudste periode was in de Gouden Eeuw, maar ook in de negentiende eeuw was het drommels guur. In de zeventiende eeuw schilderden Pieter Bruegel jr., Hendrick Avercamp en Aert van der Neer winterlandschappen met ijsvermaak - en tweehonderd jaar later herleefde het genre met epigonen als Barend Koekkoek. De schilders legden niet een ideaalbeeld van een `ouderwetse winter' vast, maar de jaarlijkse praktijk.

In het begin van de zeventiende eeuw bestudeerde Galileo Galilei als eerste vlekken op de zon. De Italiaanse astronoom Giovanni Cassini constateerde in 1671 dat er bijna geen zonnevlekken meer over waren. Uit hedendaags onderzoek blijkt dat er al minstens vierhonderd jaar een sterk statistisch verband bestaat tussen de zonnevlekkencycli en het weer in Europa en China (uit andere werelddelen zijn geen gedetailleerde historische gegevens beschikbaar). De hoeveelheid zonnevlekken stijgt en daalt in een cyclus die acht tot twaalf jaar duurt. Hoe langer de cyclus, hoe minder zonnevlekken en hoe slechter het weer. Een korte cyclus met hoge pieken in het aantal zonnevlekken zorgt voor warm weer. In de zeventiende eeuw waren de cycli lang en hadden zeer lage pieken, waardoor er weinig te zien was voor Cassini.

De Denen Henrik Svensmark en Eigil Friis-Christensen hebben de afgelopen tien jaar bewijs verzameld voor de invloed van de zon op ons weer. Bij zonnevlekkenmaxima stoot de zon veel ionen en elektronen uit. Deze zware zonnewind zorgt ervoor dat zich drie procent minder wolken in onze dampkring vormen, zodat er meer zonlicht de aarde bereikt. Gemiddeld is op elk willekeurig moment van de dag tweederde van het aardoppervlak in wolken gehuld. Een vermindering van drie procent komt erop neer dat twee procent extra van het aardoppervlak in het zonnetje wordt gezet: dat is een gebied zo groot als Europa.

Het extra zonnetje hoeft niet bij ons te gaan schijnen; dat kan ook in Australië gebeuren. In december 1996 was er een zonnevlekkenminimum en op dit ogenblik staat er meer zonnewind dan in de afgelopen jaren - maar toch viel het zomerse weer in West-Europa tegen. Het statistisch verband tussen de zonnecycli, de hoeveelheid zonneschijn op de hele planeet en de gemiddelde temperatuur staat als een paal boven water. De meeste politici, milieuactivisten en meteorologen willen dit liever verzwijgen. Voor hen is het ontzettend gênant, want zonnecycli zijn niet te voorspellen en niet te beïnvloeden. Na tientallen jaren onderzoek, dat tientallen miljarden euros heeft gekost, is men tot de sensationele conclusie gekomen dat het warmer wordt als de zon schijnt.

Marcel Roele

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd

Marcel Roele (1961) is columnist van AD Magazine en schrijft over sociobiologie voor HP/De Tijd en Intermediair. Naast "De Mietjesmaatschappij" publiceerde hij De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties (tweede druk, 1996), De menselijke soort .

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl