Tien jaar na the Bell Curve

Door Marcel Roele

8 november 2004

Het baanbrekend werk van Herrnstein & Murray over het IQ werd hier destijds domweg neergesabeld als ‘racistisch’ en ‘achterhaald’. Maar de Nederlandse ‘experts’ wisten niet waar ze het over hadden. Reconstructie van een ideologische hetze.

Tien jaar geleden (in de herfst van 1994) verscheen het meest roemruchte boek over intelligentie: The Bell Curve van Charles Murray en Richard Herrnstein (die in september, zo ongeveer op het moment dat het boek werd gedrukt, aan kanker overleed). In meer dan 850 pagina’s zetten Herrnstein en Murray de resultaten van decennia intelligentie-onderzoek door honderden wetenschappers op een rijtje. 
 
Ze komen tot de conclusie dat het IQ van alle meetbare psychische eigenschappen het beste voorspelt wie excelleert, IQ een aanzienlijke erfelijke component heeft, blanken gemiddeld intelligenter zijn dan zwarten en dat in een meritocratie (waar talent het maatschappelijk succes bepaalt) een sociale onderlaag van dommeriken ontstaat. 
 
Alsof dat nog niet erg genoeg is, stellen ze eveneens dat speciale programma’s voor achterstandskinderen (zoals Head Start) nauwelijks effect hebben gehad en grotendeels geldverspilling zijn geweest. Positieve discriminatie (lagere eisen stellen aan de intelligentie van zwarte studenten om evenredige vertegenwoordiging van zwarten op de colleges te bereiken) vinden zij onzin.
 
Amerika reageerde geschokt. Het hoofdredactioneel commentaar in de New York Times van 24 oktober 1994 luidde: "The Bell Curve is doorregen met tendentieuze interpretaties. Zo gauw wetenschappers met een andere visie de gelegenheid hebben gehad om te reageren, zullen zij vernietigende kritiek leveren op de bevindingen in dit boek. 
 
In het beste geval is het verhaal van Herrnstein en Murray een opsomming van obscuur en ongeloofwaardig onderzoek. In het slechtste geval is het doelbewust kwetsend en ophitsend." President Clinton zei over The Bell Curve: "Dit land is gebaseerd op het idee van gelijkheid en ik accepteer niet dat dat wordt ontkend."
 
De oordelen in de Nederlandse pers logen er ook niet om. Matt Dings in HP/De Tijd van 28 oktober 1994: “De these is huiveringwekkend koren op de molen van oerconservatieven en racisten. (…) Een massieve aanval op de zwaksten in de samenleving.” Wetenschapsjournalist Hans van Maanen concludeerde in Het Parool van 5 november 1994: “Herrnstein en Murray zijn dom en slecht.” Politiek incorrect waren Herrnstein en Murray zeker, maar waren ze ook wetenschappelijk incorrect? Volgens Michel Thomassen in het Algemeen Dagblad van 27 februari 1995 wordt The Bell Curve “in brede wetenschappelijke kring verguisd als een echo van Adolf Hitlers Mein Kampf.” Dat is een klinkklare leugen – en niet de enige die over The Bell Curve is verteld. Lezers van dag- en weekbladen kregen systematisch desinformatie over de inhoud en de wetenschappelijke status van The Bell Curve voorgeschoteld.
 
In een poging om aan het publiek duidelijk te maken wat men in wetenschappelijke kringen over IQ denkt, schreven 52 hoogleraren, allen gespecialiseerd in IQ, een artikel in het Wall Street Journal van 13 december 1994, getiteld Mainstream Science on Intelligence. Hierin zetten ze puntsgewijs uiteen waarover de experts in het meten van intelligentie (psychometrici), de studie van groepsverschillen (differentiële psychologen) en de erfelijkheid van intelligentie (gedragsgenetici) het met elkaar eens zijn en wat in de gespecialiseerde vaktijdschriften (zoals Intelligence) standaardkost is. Omdat huis-tuin-en-keukenpsychologen vaak weinig verstand van IQ hebben, legde een brede commissie van de American Psychological Association (de belangrijkste vakorganisatie van psychologen) aan haar leden ook nog eens uit dat wat in the Bell Curve over intelligentie wordt beweerd niet of nauwelijks afwijkt van de wetenschappelijke consensus. 
 
Laten we uitspraken in de media eens vergelijken met wat de experts zeggen. Zo stelde wetenschapsjournalist Wim Köhler in NRC/Handelsblad van 17 november 1994 (in een artikel getiteld ‘Het nieuwe IQ-racisme’) dat “IQ-metingen een zwakke wetenschappelijke basis hebben.” Klinisch geneticus Hans Galjaard in HP/De Tijd van 28 oktober 1994: “Zij zien in het IQ de voorspeller van maatschappelijke carrières. Dat is echt achterhaalde onzin.” Volgens de experts is intelligentie snelheid van begrip, het vermogen om structuur aan te brengen in informatie, verborgen patronen te ontdekken, verbanden te leggen enzovoort – en hangt zij samen met fysiologische kenmerken zoals de hoeveelheid hersenen, de relatieve omvang van verschillende gespecialiseerde hersendelen, het netwerk van verbindingen tussen de hersencellen, de snelheid waarmee hersencellen met elkaar communiceren en hoe efficiënt ze met hun brandstof omgaan. Van alle psychische eigenschappen kan de intelligentie het betrouwbaarst vastgesteld worden. Het IQ van een kind voorspelt beter dan de sociaal-economische status van de ouders zijn latere maatschappelijke succes. Bij nieuwe medewerkers die de vereiste diploma's en werkervaring hebben, voorspelt de uitslag op een IQ-test beter hoe productief ze zullen zijn dan het resultaat van persoonlijkheidstests of de inhoud van hun cv. IQ-tests zijn bovendien kleurenblind en sekseneutraal: ze onder- of overschatten de intelligentie van zwarten, vrouwen enzovoort niet.
 
Microbioloog Huub Schellekens in HP/De Tijd van 28 oktober 1994: “We zijn niet uit de vraag in hoeverre intelligentie genetisch bepaald is. (...) Nu komt het erfelijkheidsverhaal weer op de proppen. We moeten ertegen blijven ageren. (…) Dit oude betoog staat dankzij het veranderende politieke klimaat weer op de agenda.” Psycholoog Piet Vroon in hetzelfde artikel: “Een uit de sloot gehaalde koe? Nee, een allang overleden rund.” Vier maanden later ‘zijn we eruit’. 
 
Dezelfde Schellekens in het Algemeen Dagblad van 27 februari 1995: “Wetenschappelijk wordt aangenomen dat intelligentie voor minder dan vijftig procent biologisch is bepaald en dat de rest wordt ontwikkeld.” 
 
Wetenschapsjournalist Hans van Maanen in Het Parool van 5 november 1994: “Aan [de erfelijkheid van] een complexe psychologische eigenschap als intelligentie waagt geen enkele geneticus zich.” De gedragsgenetici zijn het erover eens dat de erfelijkheid van het IQ bij jongvolwassenen zo'n 60 procent is. Ter vergelijking: de erfelijkheid van lichaamslengte is 90 procent; die van criminaliteit krap 50 procent. 
 
Schellekens schijnt te denken dat zo’n erfelijkheidspercentage betekent dat zestig procent van iemand's IQ 'biologisch bepaald' is en veertig procent ‘wordt ontwikkeld’ door de omgeving. Dat is natuurlijk niet zo. Net zomin als bij iemand van 180 centimeter lengte 162 cm genetisch bepaald is en 18 cm door het dieet. De erfelijkheid van een eigenschap sluit veranderingen over generaties ook helemaal niet uit. Vergeleken met een halve eeuw geleden zijn (autochtone) Nederlanders nu gemiddeld langer, intelligenter en crimineler, terwijl er in hun genen niets is veranderd en de erfelijkheid van die drie eigenschappen hetzelfde is gebleven. 
 
Wat betekent die erfelijkheid van 60 procent dan wel? Zestig procent van de verschillen in IQ tussen individuen wordt veroorzaakt door genetische verschillen tussen die individuen. Bovendien geldt zo'n erfelijkheidspercentage (van IQ, lengte of criminaliteit) alleen voor de verschillen tussen individuen die land- en generatiegenoten zijn, tot hetzelfde ras behoren en hetzelfde geslacht hebben. Het verschil in IQ tussen blank en zwart is zo'n vijftien punten; de gemiddelde blanke zit op havo-niveau, de gemiddelde zwarte op vmbo-niveau. Het erfelijkheidspercentage van dat etnische verschil is niet vast te stellen. Er zijn indirecte aanwijzingen dat genen er iets mee te maken hebben, maar er is geen hard bewijs. Ondanks zeer uitgebreid onderzoek naar een mogelijke omgevingsfactor die etnische verschillen in intelligentie kan verklaren, is die nog niet gevonden.
 
Bert van Panhuis in Trouw van 27 oktober 1994: “Waarom zou je de moeite doen mensen via onderwijs op een hoger niveau te brengen als dat resultaat er per definitie niet inzit, is een van de nuchtere vaststellingen van wijlen Harvard-psycholoog Richard Herrnstein en de man die momenteel de klappen incasseert van veel van zijn collega-wetenschappers, Charles Murray.” Hans van Maanen in Het Parool van 5 november 1994: “Zo waarschuwen ze dat het niveau van het onderwijs in de VS – mede omdat er zwarten aan meedoen – steeds lager wordt.” 
 
Volgens de experts zijn tot nu toe alle pogingen om het IQ van kinderen te verhogen weinig succesvol geweest. En de hoogte (of laagte) van het IQ legt weer beperkingen op aan de hoeveelheid en de soort informatie die iemand kan verwerken. Scholieren met een IQ van 80 tot 90 (vmbo-niveau) kun je, al onderwijs je hen tot je scheel ziet (en de arme kinderen doodongelukkig zijn geworden) niet tot vwo-niveau opkrikken. Maar je kunt wel proberen om er het maximale uit te halen en dat bepleiten Herrnstein en Murray: “educate them to the limit of their abilities.” Zij constateren dat er op high schools veel leerlingen zitten die beter af zouden zijn met een praktijkgerichte opleiding met veel stages om bijvoorbeeld automonteur of timmerman te worden. Die kinderen zijn niet geschikt voor het algemeen vormende onderwijs. Om ze toch aan boord te houden, wordt het lesprogramma versimpeld en de lat bij examens veel lager gelegd. Zo verlaten de kinderen de school met een diploma dat het papier niet waard is waarop het is gedrukt. Zowel de typische 'ambachtsschoolkinderen' als de kinderen die wel kunnen leren, worden hierdoor benadeeld. Dit probleem speelt volgens Herrnstein en Murray vooral op zwarte scholen in achterstandswijken.
 
Hanny Roskamp in het Algemeen Dagblad van 26 april 2003: “Wetenschappelijk is The Bell Curve allang achterhaald. (...) Desalniettemin staat vast dat kinderen uit achterstandswijken gemiddeld een lager IQ hebben. En ja: in achterstandswijken in de VS wonen vaker zwarten en latino's. Maar die economische omstandigheden worden door de meeste wetenschappers gezien als oorzaak van het feit dat kinderen uit deze buurten dommer zijn.” 
 
In werkelijkheid zijn de experts het erover eens dat sociaal-economische status (SES) niet het IQ bepaalt. Ofwel, in woorden die wetenschappers liever niet gebruiken: mensen zijn arm omdat ze dom zijn; ze zijn niet dom omdat ze arm zijn. Slechts in extreme gevallen (maar dan heb je het over Derde Wereld-toestanden) schieten voeding en gezondheidszorg zo tekort en is de omgeving zo weinig stimulerend of zo sterk traumatiserend, dat het IQ daardoor achterblijft. Als de SES van de ouders het verschil in IQ tussen blanke en zwarte kinderen zou verklaren dan zouden de kinderen van ouders met een zelfde SES gemiddeld ongeveer even intelligent zijn. 
 
In de Verenigde Staten is dit onderzocht. Als we blanke en zwarte ouders nemen die tot de twee hoogste categorieën in SES behoren, dan zijn de kinderen van de zwarte rijkaards gemiddeld 17 IQ-punten minder intelligent dan de kinderen van de blanke rijkaards. Kijken we naar de twee laagste categorieën in SES, dan zijn de kinderen van zwarte armoedzaaiers gemiddeld tien IQ-punten minder intelligent dan de kinderen van blanke armoedzaaiers.
 
Wetenschapsjournalist Hans van Maanen in Het Parool van 5 november 1994: “Naarmate het boek vordert, wagen Herrnstein en Murray zich steeds verder uit hun eigen vakgebied, in de richting van de sociologie. De gevolgen zijn fataal.” De IQ-specialist Herrnstein was autodidact op het terrein van de sociologie. De socioloog Murray is juist autodidact op het gebied van intelligentie-onderzoek. De sociologische sectie in The Bell Curve grijpt duidelijk terug op Losing Ground, het boek waarmee Murray in 1984 op slag beroemd werd.
 
Wetenschapsjournalist Wim Köhler in NRC/Handelsblad van 17 november 1994: “Om het gelijkheidsdenken af te schaffen, stellen Murray en Herrnstein een kastenmaatschappij voor.” Hans van Maanen in Het Parool van 5 november 1994: “Als er niets gebeurt, zo stellen zij, zal deze genetisch inferieure onderklasse binnenkort de blanke, academisch gevormde elite het leven onmogelijk maken.” Murray en Herrnstein constateren dat er een onderklasse is ontstaan – het is niet zo dat ze de vorming van een onderklasse aanbevelen of juist als een bedreiging zien. Ze zijn wel van mening dat de verzorgingsstaat een armoedeval creëert, waardoor mensen met een lage intelligentie en een lage opleiding niet geïntegreerd worden in de economie en de talenten die ze hebben niet kunnen ontplooien.
 
“Journalisme is een lui beroep,” reageert Murray lakoniek wanneer hij telefonisch met de vertaling van de commentaren op zijn werk wordt geconfronteerd. Inderdaad kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat bovengenoemde journalisten vooral heel slordig uit persmapjes overschrijven, in plaats van wetenschappelijke bronnen te raadplegen. Maar waar komt de voortdurend herhaalde bewering dan vandaan dat The Bell Curve wetenschappelijk allang is achterhaald? Vermoedelijk van mediaprofessoren. Zo consulteerde HP/De Tijd in 1994 Galjaard, Schellekens en wijlen Vroon. 
 
Murray kan zich over dergelijke lieden wel opwinden. “Vroeger bestond de ongeschreven regel dat wetenschappers uitsluitend commentaar gaven over vakgebieden waarop zij een expert waren en dat zij uiterst zorgvuldig erop letten dat zij de kennis die in die vakgebieden was verzameld en de consensus van de specialisten zorgvuldig weergaven. Het is tegenwoordig helaas gebruikelijk dat academici in de media dingen zeggen waarvan ze weten dat het leugens zijn.” 
 
Voor Galjaard, Schellekens en Vroon geldt dat zij dilletanten zijn/waren op het gebied van IQ en nul publicaties hierover op hun naam hebben staan in de gespecialiseerde vaktijdschriften, zoals Intelligence, Personality and Individual Differences, Behavioral and Brain Sciences, Journal of Applied Psychology, American Psychologist en Psychological Bulletin. 
 
Vroon heeft één keer iets over intelligentie gepubliceerd gekregen in een subtoptijdschrift (British Journal of Psychology), maar dat werd prompt door twee experts (David Rowe en David Hay) afgeserveerd als “failed and outdated social science theorizing.” Sindsdien is Vroons onderzoek in de vergetelheid geraakt. Vroon was een absolute nobody in de internationale wetenschappelijke gemeenschap. Maar in HP/De Tijd werd hij geïntroduceerd als iemand “die op het onderhavige vlak als een specialist geldt.” Galjaard, Schellekens en Vroon hebben hun schijn van wetenschappelijke autoriteit misbruikt om het publiek desinformatie voor te schotelen.
 
Terwijl de ene mediaprofessor zich ten onrechte als expert uitgeeft, kiest de andere ervoor om wetenschappers die werkelijk experts zijn verdacht te maken. In de Volkskrant van 19 mei 2000 suggereert moleculair geneticus Ronald Plasterk dat de effecten van de opvoeding een aanzienlijk deel van het intelligentieverschil tussen blank en zwart zouden verklaren. 
 
Volgens de experts is dit onzin, maar Plasterk schrijft dat hij niets van het wetenschappelijk onderzoek wil weten: "omdat je toch snel verzandt in het troebele water van het racisme houd ik me er liever verre van." Verdacht maken is een wel erg platvloerse tactiek die doorgaans alleen door politici wordt gebruikt. Zo beweerde Louis Tobback, voormalig Belgisch minister van Binnenlandse Zaken en ex-voorzitter van de Socialistische Partij, op de Vlaamse tv dat wetenschappers die etnische verschillen in intelligentie onderzoeken “racisten” zijn en dat de American Psychological Association wordt gefinancierd door de Ku Klux Klan. 
 
De publiciteit rond The Bell Curve toont heel duidelijk aan dat als wetenschappelijk onderzoek politiek gevoelig ligt, het publiek er voornamelijk misleidende informatie over ontvangt. Mediaprofessoren kramen veel meer onzin uit over etnische verschillen in intelligentie dan over bijvoorbeeld etnische verschillen in de aanleg voor suikerziekte. 
 
Waarschijnlijk liggen politieke en emotionele motieven ten grondslag aan hun leugens; bij omstreden onderwerpen laten ze zich door onderbuikgevoelens leiden en slaan ze op tilt. De echte experts wijzen hen zelden in het openbaar terecht; zij zijn als de dood dat ze in de media worden gedemoniseerd en net als Wouter Buikhuisen (die in 1978 iets waagde te zeggen over hersenafwijkingen bij criminelen) weggepest worden en een antiekzaak moeten openen. Tegenwoordig mag men vrijuit spreken over de biologische achtergronden van criminaliteit. Men mag zelfs erop wijzen dat allochtonen relatief vaak crimineel zijn. Maar er zijn nog wel taboes. Het verband tussen een laag IQ en een hoge kans op crimineel gedrag bijvoorbeeld. 
 
Of het verband tussen inteelt bij Marokkanen en Turken en een grotere kans op een laag IQ en persoonlijkheidsstoornissen. En de verschillen in gemiddelde intelligentie tussen blank en zwart zijn ook nog steeds taboe, zeker als je, zoals Herrnstein en Murray, suggereert dat genen er wel eens iets mee te maken zouden kunnen hebben. Als The Bell Curve in 2004 was gepubliceerd, zou het nog even provocerend zijn als in 1994.

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl