“De overheid is op zijn best waardeloos, en op op zijn slechts contra-productief.”
Kakha Bendukidze (Georgische Minister van economische zaken)

Nyenrode aan de Nijl

Door Marco Visscher

19 augustus 2017

In arme landen staat het onderwijs er slecht voor. Zijn particuliere scholen de oplossing?

Makoko is een sloppenwijk in Lagos, Nigeria. Vroeger was het een vissersdorp, inmiddels is het opgeslokt door ’s werelds snelst groeiende metropool. Makoko is het Venetië van Afrika, maar dan zonder de romantiek: de bootjes zijn gammel en het water stinkt er. Deze sloppenwijk is een drijvende stad op zichzelf, met tienduizenden opeengepakte hutjes, gebouwd op houten palen. De meeste inwoners leven op of onder de armoedegrens. Af en toe komt een grote groep gewapende politieagenten langs om een deel van de wijk te ontruimen.

Dit is niet de meest voor de hand liggende plek om een particuliere school aan te treffen: een school, geheel buiten het gratis staatsonderwijs om, waar ouders elke maand schoolgeld betalen. Toch zijn er in Makoko zeker enkele tientallen van die scholen. In de hele wijk, waar al gauw tienduizenden mensen wonen, gaan zeven op de tien kinderen naar een privéschool.

Wat? Privéscholen in een sloppenwijk?!

Jazeker, wíj denken bij die term wellicht aan een chic, duur onderwijsinstituut voor de elite, maar dat is niet de realiteit in het grootste deel van de wereld. Want Makoko staat verre van alleen. In heel Lagos gaat het om 12.000 particuliere scholen. Negen van de tien kinderen krijgen basisonderwijs op een particuliere school. In het hele land gaat één op de vier kinderen naar een particuliere school.

Dat beeld gaat op voor vrijwel alle ontwikkelingslanden. In Kenia, Ghana, China, Haïti, Nicaragua, Honduras, India, Bangladesh: overal wemelt het van de particuliere scholen.

Malala Yousafzai, die vijf jaar geleden in Pakistan werd beschoten door een talibanstrijder, ging naar een particuliere school, opgericht en gerund door haar vader. Wereldwijd gaat het naar schatting om zeker een miljoen particuliere scholen.

Soms wordt zo’n school gerund door een liefdadigheidsinstelling of kerk, maar veruit de meeste zijn opgezet door ondernemers uit de wijk. Deze scholen – voor peuters, pubers en alles ertussenin – tellen tientallen tot honderden leerlingen. Ze worden gefinancierd door het schoolgeld dat de ouders betalen: een paar euro per maand per kind.

In arme landen blijken ontelbaar veel kinderen naar zo’n particuliere school te gaan. Ze zijn letterlijk ontelbaar, want de meeste van die scholen zijn niet geregistreerd. Op die manier hoeven ze niet te voldoen aan allerlei eisen, zoals een fatsoenlijk salaris voor de leerkracht, een speeltuin of schoon drinkwater. Als de autoriteiten gebreken zouden constateren, kunnen ze de school sluiten. Dan is het iets veiliger in de luwte.

In een studie waarin alleen geregistreerde scholen waren meegenomen, meldde de Wereldbank dat één op de vijf basisscholieren in ontwikkelingslanden naar een betaalbare particuliere school gaat. Dat is een verdubbeling in twintig jaar. Maar één op de vijf is nog altijd een zeer conservatieve schatting. In sommige dichtbevolkte stedelijke gebieden in landen als India, Nigeria en Kenia zijn er meer niet-erkende particuliere scholen dan gratis openbare scholen die worden vergoed door de overheid. In een sloppenwijk in Hyderabad in India, waar 800.000 mensen wonen op de oppervlakte van Wassenaar, zijn er wel zeshonderd. In Accra, de hoofdstad van Ghana, gaat het soms om meer dan 75 procent.

Enorme bedragen

Lange tijd bleef de stormachtige opkomst van betaalbare particuliere scholen onder de radar. Maar nu bekende weldoeners als Bill Gates en Mark Zuckerberg met veel tamtam enorme bedragen pompen in de expansie van westerse onderwijsketens in Afrikaanse landen, klinkt het verzet tegen de privatisering luider.

We zijn hier gestuit op misschien wel een van de meest onderbelichte, meest fascinerende verhalen over ontwikkelingslanden. Het is een verhaal waarnaar je op verschillende manieren kunt kijken. Zo zegt Pauline Dixon, hoogleraar Internationale ontwikkeling en onderwijs aan Newcastle University en auteur van het lijvige Handbook of International Development and Education, na talrijke werkbezoeken aan allerlei soorten scholen in al gauw tien landen, verspreid over de afgelopen achttien jaar, en na bestudering van de vakliteratuur, waaraan ze zelf substantieel heeft bijgedragen: ‘Wat geweldig en ontzettend positief is dit.’

In een grote sloppenwijk in Inda zijn wel zeshonderd privéscholen.
Aan de andere kant stelt Fred van Leeuwen, topman van Education International, belangenbehartiger van tientallen miljoenen leerkrachten in 170 landen: ‘Onderwijs is te belangrijk om uit te besteden aan commerciële firma’s.’

Gratis staatsonderwijs

Waarom zouden ouders die zelf maar een schamel inkomen bij elkaar sprokkelen hun kinderen in hemelsnaam naar een privéschool sturen?

Ze weten niet dat er gratis staatsonderwijs is, zeggen de ambtenaren. Of: ze worden erin geluisd door gewiekste ondernemers. Nee, zeggen anderen: ze willen hun aanzien opkrikken door aan de buren te laten zien dat ze hun kinderen naar een particuliere school sturen. Toch is dat niet wat blijkt uit de onderzoeken die zijn gehouden onder de ouders zelf. Zij willen gewoon – en let op de verbluffende eenvoud van het antwoord – een school waar hun kinderen iets kunnen leren.

Om dat antwoord te begrijpen, is het goed om eerst te kijken naar de staat van het onderwijs in ontwikkelingslanden. Dat levert een somber beeld op. Onderwijzers komen vaak niet opdagen. Van de scholen in plattelandsgebieden in India was gemiddeld een kwart van de dagen de leraar afwezig, bijvoorbeeld wegens een staking of wegens geen zin. Als ze er zijn, is dat bepaald geen garantie dat ze lesgeven. Soms slapen ze of zijn ze dronken. Ze laten leerlingen klusjes voor hen opknappen. Lijfstraffen zijn niet ongebruikelijk. Ze maken ouders wijs dat hun kind achterloopt en bijles nodig heeft – tegen betaling.

Het is de vraag wat de leerlingen er precies leren. De helft van de kinderen in Zuidoost-Azië en eenderde van de kinderen in Afrika kunnen na vier jaar op school, openbaar of particulier, nog altijd niet voldoende lezen. In India kan meer dan de helft van de kinderen tussen 6 en 14 jaar niet lezen op het niveau waarop een kind zou moeten zijn na twee jaar scholing.

Nepleraren

‘Er is een mondiale leercrisis,’ zegt Prachi Srivastava, expert op het gebied van onderwijs en ontwikkeling en als professor verbonden aan de Western University in Canada.

Die belabberde toestand hoeft niet te verwonderen. Zelfs wanneer een ontwikkelingsland een behoorlijk deel van het budget aan onderwijs uitgeeft, komt het nog altijd uit een bescheiden potje dat moet worden besteed aan allerlei voorzieningen voor een snel groeiende bevolking. En dan gaat er, zo blijkt, ook nog geld naar onderwijzers die allang zijn overleden maar nog altijd op de loonlijst staan, of naar scholen waarvan de deuren allang zijn gesloten. Sinds Sierra Leone besloot om eerst een controle uit te voeren voordat salarissen worden overgemaakt, zijn er zesduizend ‘nepleraren’ ontmaskerd. Een onderzoek in Pakistan onthulde dat meer dan achtduizend staatsscholen die subsidie ontvingen helemaal niet bestonden.

We willen er maar mee zeggen: in ontwikkelingslanden is de realiteit in het klaslokaal en op de ministeries van Onderwijs heel anders dan bij ons. Verwacht op de privéscholen dan ook geen weldadige luxe. De gebouwen zijn vervallen. Vaak ontbreekt zelfs maar de ruimte om buiten te spelen. Sommige scholen zijn niet meer dan een veredelde dagopvang. Zoals we zagen in Makoko in Nigeria – onderwerp van een reportage van BBC-programma Newsnight – is het er bepaald geen Harvard. Maar dát is ook niet de vergelijking die de ouders maken: zij vergelijken de privéschool met de openbare school in de buurt. En die schiet ernstig tekort.

Is particulier onderwijs ook werkelijk beter? Het blijkt nog niet zo eenvoudig om het openbare onderwijs te vergelijken met het betaalbare particuliere onderwijs. Daarvoor heb je een willekeurige selectie leerlingen nodig. Je moet scholen hebben die willen meewerken. Je moet alle kosten in kaart brengen, gerelateerd aan de lokale economische situatie. Je moet uitsluiten dat het opleidingsniveau en de sociaal-economische achtergrond van de ouders een rol spelen. Academici hebben nog maar weinig interesse getoond om dergelijke studies uit te voeren.

Weggehoond

In de jaren negentig was het cv van James Tooley een rommeltje. Hij werkte enkele jaren als wiskundeleraar in Zimbabwe, had korte aanstellingen op universiteiten in Zuid-Afrika en Canada en kreeg een positie aan de universiteit van Oxford aan de vakgroep Onderwijsstudies. Ook was hij consultant en fondsenwerver voor elitaire, prestigieuze privéscholen. In opdracht van de Wereldbank kwam hij in Hyderabad terecht. Op een dag, in het jaar 2000, verliet Tooley zijn vijfsterrenhotel en trok te voet door de sloppenwijken. Na een tijdje viel hem iets op: een billboard voor een particuliere school. Toen hij beter keek naar de scholen waar hij langsliep, zag hij dat veruit de meeste werden gerund door een ondernemende wijkgenoot. Hij knoopte gesprekjes aan met ouders, leerkrachten en schoolhoofden – en raakte enthousiast. Geweldig vond hij het dat deze mensen zelf een alternatief voor de openbare scholen hadden opgezet of gevonden. Maar toen hij op het kantoor van de Wereldbank in Washington geestdriftig vertelde over zijn ervaringen werd hij weggehoond.

Toch behield hij zijn vuur. Sinds zijn ‘ontdekking’ van het privéonderwijs in arme landen is Tooley er voltijds mee bezig: als onderzoeker, als adviseur, als professor aan Newcastle University en ook als ondernemer. Stellig zegt hij: ‘Particuliere scholen doen het beter tegen een fractie van de kosten. Ik ken geen enkele studie die deze bewering weerspreekt.’

De rapporten waaraan Tooley meewerkte, blijken echter genuanceerd. Dan staat er bijvoorbeeld dat in een bepaald vak de meisjes op particiliere scholen het zus en zoveel standaarddeviatie beter doen dan meisjes op openbare scholen, maar dat er bij jongens geen verschil is. De verschillen zijn doorgaans relatief klein. Zo is er een studie onder zesduizend leerlingen in Andhra Pradesh, in het zuiden van India, waaruit blijkt dat ze op de particuliere scholen beter presteerden bij Engels en Hindi, maar in wiskunde en Telugu, de lokale taal, waren er dan weer geen verschillen. Wel bereikten de particuliere scholen dit met eenderde van de kosten van de openbare scholen.

Prachi Srivastava ziet geen eenduidig beeld. Een tikkeltje cynisch zegt ze: ‘Het heeft geen zin te spreken over kwaliteit wanneer je het op taalgebied een paar procentpunten beter doet dan anderen, maar nog altijd je eigen naam niet kunt spellen.’

Een zekere kwaliteit eisen

Maar er is nóg een reden voor ouders om voor voor een betaalbare particuliere school te kiezen: ze hebben invloed. Doordat ze voor een dienst betalen, kunnen ze bij het schoolhoofd aankloppen om te klagen als iets niet bevalt. Ze kunnen dreigen en besluiten hun kind van school te halen als de kwaliteit tegenvalt, een overweging die weinig indruk zal maken op de directeur van een openbare school en nog minder op een anonieme ambtenaar die ergens ver weg op een kantoor werkt.

De macht waarover je beschikt wanneer een betalende consument bent, en niet de ontvanger van een gratis dienst, is feitelijk een heel alledaags aspect van een vrije markt. Bij alles, van restaurants tot mobiele telefoons, zorgt het voor een gezonde concurrentie waardoor klanten beter af zijn. Ja, er zijn restaurants en telefoonaanbieders die hun klanten schofferen, maar die kunnen daar in een vrije markt op worden afgerekend. Hoogleraar Internationale ontwikkeling en onderwijs Pauline Dixon: ‘Als ouders betalen voor het onderwijs van hun kinderen, kunnen ze bij het schoolhoofd klagen wanneer ze niet tevreden zijn, of als de leraar afwezig is of de leerlingen slaat. Ze kunnen een zekere kwaliteit eisen. De school kan niet om zijn verantwoordelijkheid heen.’

Ouders hoeven niet meer te blijven hangen in een systeem dat niet werkt.

Haar collega James Tooley benadrukt het belang van die consumentenmacht: ‘Als ouders de keuze hebben om hun kind weg te halen uit het systeem van slechte openbare scholen, dan is dat een bevrijding voor hen. Ouders hoeven niet meer te blijven hangen in een systeem dat niet werkt.’ Tooley heeft geen goed woord over voor de mensen die beweren dat arme landen hun jonge generaties moeten opleiden via openbaar onderwijs omdat wíj dat nu eenmaal ook zo hebben gedaan. ‘Cultureel imperialisme’ noemt hij dat.

Betaalbaar

Kritiek is er genoeg op de inmenging van de vrije markt op het onderwijs in ontwikkelingslanden. Deze scholen ontwijken wettelijke normen. Onderwijzers verdienen soms maar een kwart van wat een leraar op een openbare school zou verdienen, en zijn bovendien niet gekwalificeerd. Hoe kan de kwaliteit dan worden gewaarborgd? En wie bepaalt eigenlijk of de scholen ‘betaalbaar’ zijn?

Betaalbaar: het is een woord dat in deze context vermoedelijk het eerst werd gebruikt in het promotiemateriaal van een school, meent Prachi Srivastava. Zij was er in 2001 vroeg bij toen ze zich ging verdiepen in particuliere scholen in ontwikkelingslanden, waarvoor toen nóg minder aandacht was dan nu. Ze kwam met ‘low-fee private schooling’, een term waar ze nu ongelukkig mee is. ‘Achteraf had ik het niet zo moeten noemen. De állerarmsten hebben een ander idee van lage kosten. Voor een gezin dat leeft van een dollar per dag is 20 tot 30 cent per dag voor schoolkosten niet echt betaalbaar.’ Bovendien komen er in de praktijk nog kosten bij voor boeken, de maaltijd, het uniform – dat alles is vaak gratis op de openbare school.

De critici hebben uiteraard hun eigen agenda. Leerkrachten zien een regelrechte bedreiging in hun ‘vakgenoten’ die zonder onderwijsbevoegdheden en voor veel minder salaris voor de klas staan. Wat doet dat met de status van hun beroep? Onderwijsvakbonden – machtige spelers in ontwikkelingslanden – zien hun invloed afnemen omdat het lastig is om het personeel op al die kleine particuliere scholen te organiseren. Politici zijn afwijzend omdat ze onderwijs zien als een gewichtige taak voor de overheid. En ngo’s staan van oudsher argwanend tegenover initiatieven uit de commerciële sector.

Vergaande ambities

De bemoeienis van grote, westerse bedrijven met het onderwijs in arme landen deed de kritiek op de ‘betaalbare’ particuliere scholen nog verder aanzwellen. Zij tonen vergaande ambities en proberen de schaal te vergroten via standaardisering en nauwe contacten met overheden. Omega Schools, bijvoorbeeld, wordt gesteund door de internationale boekenuitgeverij Pearson. Deze scholen zijn, zo wordt wel beweerd, de fastfoodketens onder de particuliere scholen. De bekendste – en onderwerp van de meeste protesten – is Bridge International Academies, een netwerk van betaalbare particuliere scholen, in 2008 opgericht door drie Amerikanen die elkaar kenden van hun studie aan Harvard, waar het jaarlijkse collegegeld in de tienduizenden dollars loopt.

Deze scholen zijn de fastfoodketens onder de particuliere scholen.

Bridge werkt samen met overheden en richt zich naar eigen zeggen op families die rondkomen van zo’n twee dollar per dag. Momenteel biedt het onderwijs aan zo’n honderdduizend kinderen op ruim vijfhonderd scholen in Kenia, Oeganda, Nigeria, Liberia en India. De ambitie is om in 2025 zeker 10 miljoen kinderen in minstens twaalf landen te bereiken. Gezien de tientallen miljoenen dollars van filantropen als Gates en Zuckerberg, maar ook de steun van de Wereldbank en diverse ministeries van ontwikkelingssamenwerking, inclusief die in Nederland, zouden hun groeiprojecties zomaar eens kunnen slagen.

De methode van Bridge verloopt via – hoe kan het anders met zulke investeerders? – technologie. Onderwijzers die zelf geen diploma hoeven te hebben, beschikken over een tablet waarop zij elke dag lesmateriaal krijgen aangeleverd. Het is een strikt gecentraliseerd model, waarbij de voortgang van zowel de onderwijzers als de leerlingen nauwlettend wordt gevolgd. De administratie verloopt al even centraal, met speciaal ontwikkelde applicaties in de cloud, waardoor de kosten laag blijven.

Het klinkt modern en fraai, maar de praktijk is eerder: iemand die net van de middelbare school af is, leest woord voor woord op wat er op de tablet staat. Er staat precies wanneer ze een pauze moet laten vallen en hoelang die pauze moet duren, wanneer ze het bord moeten schoonvegen en leerlingen moeten opdragen het boek dicht te doen. Het is allemaal bedacht door een team knappe koppen in Cambridge. Critici zeggen dat Bridge op deze manier alle creativiteit uit het lesgeven haalt en onderwijzers reduceert tot robots.

Erbarmelijke staat

‘Ze buiten gezinnen uit,’ stelt Fred van Leeuwen, secretaris-generaal van Education International. ‘In Kenia moeten arme gezinnen wel 20 procent van hun inkomen aan zo’n school geven. Dat vind ik nogal wat. Bij drie kinderen zou dat 60 procent zijn.’
Van Leeuwens organisatie probeert via lobby’s, acties en campagnes ondernemingen als Bridge tegen te werken: bij de regering in de landen waar ze neerstrijken, bij instellingen als de Wereldbank en de Verenigde Naties die invloed kunnen uitoefenen, bij aandeelhoudersvergaderingen van investeerders als Pearson, bij ministeries die over ontwikkelingshulp gaan.

Van Leeuwen verwacht dat de Wereldbank, net als het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, binnenkort de steun terugtrekt, ‘mede dankzij de druk die wij hebben uitgeoefend’. Nederland wil echter niet van wijken weten. Na Kamervragen van de SP in februari stelde minister Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dat ‘de investering een goede aanvulling vormt op het gebrekkige publieke onderwijs’.

Ook benadrukte zij dat ‘particulier onderwijs positief kan bijdragen aan het streven om wereldwijd alle kinderen toegang te geven tot kwalitatief goed en gratis onderwijs in 2030’.

Wat zeggen ze bij Bridge? Op de eigen website zinspeelt het bedrijf op een antwoord aan de critici. ‘Wat wij doen, ontregelt de gevestigde orde’, staat er. ‘Wij beseffen dat dit mensen van streek kan maken die willen dat alles bij het oude blijft. Maar de status quo van vandaag is simpelweg onacceptabel.’

Gezien de erbarmelijke staat van het onderwijs in arme landen zal iedereen die constatering onderschrijven. Maar is de vrije markt in staat om het onderwijs te verbeteren? Wat is nu de manier om in ontwikkelingslanden beter onderwijs te garanderen?

Dit gaat te ver

Regulering van de vrije markt: dat is nu het dringende advies vanuit de Verenigde Naties. De particuliere scholen moeten onder wettelijke regels vallen en er moet overheidstoezicht komen. Zo’n benadering zou de ondernemerszin erkennen en tegelijk een garantie bieden voor een zekere kwaliteit. India heeft dat voorstel gevolgd en criteria opgesteld: over alles, van het salaris van de leerkrachten tot de omvang van het klaslokaal. Het resultaat was dat tienduizenden kleine particuliere scholen de deuren moesten sluiten.

James Tooley, die zelf enkele particulier-onderwijsketens heeft opgezet en runt in India, Ghana en Honduras, vreest dat strengere regels door ambtenaren zullen worden aangegrepen om hogere steekpenningen te vragen. ‘Regulering kan goed zijn om ouders te beschermen en te informeren,’ zegt hij, ‘maar het wordt overgewaardeerd. Dat wij in onze supermarkten geen bedorven fruit hebben liggen, is niet vanwege regulering, maar omdat klanten niet meer komen als een supermarkt bedorven fruit probeert te verkopen. Concurrentie stuwt de kwaliteit omhoog. Dat is in het onderwijs niet anders.’

Dat is het wél, vindt Van Leeuwen. ‘Onderwijs is een elementaire sociale voorziening die zo ontzettend belangrijk is, dat een democratische samenleving daaraan geen enkele concessie mag doen.’ Van Leeuwen wijst op de ‘gezonde relatie’ van de scholen met het bedrijfsleven: ze drukken schoolboeken, ontwikkelen software, bouwen scholen, et cetera. ‘Maar waar we een streep trekken,’ zegt hij, ‘is waar bedrijven de ruimte van leerkrachten inperken en de scholen gaan runnen. Dan zeggen we: ho, dit gaat te ver. Het winstoogmerk mag de ontwikkeling van een goed openbaar schoolsysteem niet in de weg zitten.’

Overheden hebben bovendien afgesproken dat het basis- en voortgezet onderwijs gratis moet zijn. Dat hebben ze vastgelegd in de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, in 2015 door de Verenigde Naties opgesteld. Pauline Dixon vindt het een teken van de jarenlange ‘kruistocht’ tegen betaalbare particuliere scholen dat het woordje ‘gratis’ in de tekst is geslopen. ‘Ja, gratis onderwijs is natuurlijk ideaal,’ zegt ze, ‘en wat zou het prachtig zijn als we álles gratis konden krijgen, nietwaar? Maar dat is helaas niet zoals het werkt. U mag nog zo verontwaardigd zijn over het bestaan van privéscholen in Afrika die arme gezinnen geld vragen, en ik kan er op mijn beurt nog zo enthousiast over zijn, maar de werkelijkheid is dat ze bestaan, in groten getale zelfs, en dat ouders er uit zichzelf voor kiezen. Willen we hun die keuzevrijheid ontnemen?’

Selectief gebruik van ideologie

Intussen zetten regeringen in Afrika en Azië de deuren open voor instellingen als Bridge en Omega. Kishore Singh, de speciale VN-rapporteur over onderwijs, noemde het ‘ironisch’ dat Liberia kennelijk niet beschikt over de middelen om ‘zijn belangrijkste verplichtingen na te komen om elk kind gratis basisonderwijs te bieden, maar wel een grote som geld weet te vinden om dit uit te besteden een particuliere onderneming’.

Datzelfde verwijt klinkt overigens ook als het gaat om investeerders als Gates. Met zijn filantropische stichting ondersteunt hij in de Verenigde Staten openbare scholen in probleemwijken. Waarom, zo vragen critici zich af, doet hij niet hetzelfde in ‘probleemlanden’?

Prachi Srivastava wil het woord ‘hypocriet’ vermijden, spreekt van een staaltje van ‘selectief gebruik van ideologie’. Immers, dergelijke bedrijven mengden zich in het onderwijs omdat ze zich afzetten tegen de wijze waarop de overheid het aanpakt. ‘Ze wantrouwden de overheid, verfoeiden de bureaucratie en wilden laten zien dat de private sector het beter kon,’ zegt Srivastava. ‘Hoe kan het dan dat ze nu, na een paar jaar al, zo dolgraag met de regeringen willen samenwerken?’

Niet zitten wachten

De verbetering van het onderwijs in ontwikkelingslanden is een groot vraagstuk. De private sector mag daarin wel een rol spelen, meent Srivastava, maar liever ziet ze dat bedrijven zich bezighouden met de infrastructuur. ‘Misschien zijn er manieren om de openbare scholen financieel te ondersteunen,’ begint ze, ‘maar ook de bureaucratie, zodat er beter toezicht en betere handhaving komt, zodat leerkrachten trainingen krijgen en zodat de faciliteiten worden verbeterd. Of misschien kunnen ze helpen ervoor te zorgen dat leerkrachten zich veilig voelen in de gemeenschappen waar ze lesgeven.’ De lijst van verbeterpunten, daarover zijn de kenners het eens, is lang.

Concurrentie stuwt de kwaliteit omhoog, ook in het onderwijs.

Pauline Dixon schudt haar hoofd als ze wordt geconfronteerd met zo’n oplossing. ‘Ouders hebben daar het geduld niet voor,’ zegt ze. ‘Het zal nog wel een paar decennia duren voordat het schoolsysteem echt is verbeterd, maar als je een kind van vier of vijf jaar hebt, dan ga je niet zitten wachten. Als ik in een sloppenwijk zou wonen, dan zou ik mijn kind ook niet naar een school willen sturen waar de leraar vaak afwezig is, de leerlingen niets leert en grof is.’ Ze laat even een stilte vallen. ‘Wat zou u doen?’
 

Dit artikel verscheen eerder in Vrij Nederland (link)
 

Over de auteur

Marco Visscher is zelfstandig journalist. Hij is oprichter en samensteller van Tegengeluid, een tweewekelijkse digitale nieuwsbrief met introducties en linkjes naar de meest uitdagende, controversiële opiniestukken. MarcoVisscher.nl

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl