Waarom de overheid graag wil dat mensen stemmen

Door Maarten Berg

10 mei 2017

Veel mensen vinden het leuk om zich overal mee te bemoeien, zelfs met zaken waar ze helemaal niets mee te maken hebben.

Zo bemoeien mensen zich, via het politieke proces, met de vraag of andere mensen mogen roken, of andere mensen hun kinderen naar een christelijke school mogen sturen, of andere mensen een hoofddoekje mogen dragen en of andere mensen op zondag inkopen mogen doen.

Hoewel het voor sommige mensen een aantrekkelijke gedachte is om hun neus in andermans zaken te steken, realiseert men zich niet altijd dat hiervoor een hoge prijs wordt betaald. Want als je invloed wilt hebben op tien miljoen andere mensen, zul je in een democratie moeten accepteren dat tien miljoen mensen eveneens invloed hebben op jouw leven. Deze ruil pakt in de praktijk bijzonder ongunstig uit.

Wanneer je je hele leven gaat stemmen (Tweede Kamer verkiezingen, Provinciale Staten verkiezingen, gemeenteraadsverkiezingen, waterschapsverkiezingen, verkiezingen voor het Europees Parlement en referenda), is de kans dat jouw stem op enig moment in je leven enig verschil zal maken voor de toewijzing van macht vrijwel gelijk aan nul. Altijd is de eigen stem een druppel op een gloeiende plaat van miljoenen andere stemmen. De kans dat jouw stem ooit enig verschil zal maken voor de dingen die je belangrijk vindt, is zelfs nog kleiner. 

Want de concept-regeerakkoorden worden eerst nog bijgeschaafd door ambtenaren (de ‘vierde macht’), getoetst door de Raad van State, getoetst aan Europese regels, doorgerekend door het Centraal Planbureau en afgestemd met lobbyisten, werkgevers en werknemers. Wanneer je op de PvdA hebt gestemd voor behoud van de WAO, kan juist dat punt worden weggegeven door de PvdA-onderhandelaars. Wanneer je als CDA-stemmer onder geen beding een regering met de PVV wilt, kan dat toch de uitkomst zijn van de formatie, waardoor je stem aan het CDA in feite zelfs een negatieve impact heeft gehad. 

Het stemrecht is dus vooral een gevoelsmatig recht, zonder enig concreet, meetbaar positief effect.

Wanneer partijen zeggen dat ze nooit ergens hun handtekening onder zullen zetten, blijkt later regelmatig dat zij ‘kiezersbedrog’ minder erg vinden dan een kabinetscrisis of een onbestuurbaar Europa. Het stemrecht is dus vooral een gevoelsmatig recht, zonder enig concreet, meetbaar positief effect. We vinden het een prettig idee mee te mogen beslissen. Dat neemt echter niet weg dat het politieke klimaat waarin we leven en de regels en wetten die we moeten gehoorzamen gedurende ons hele leven een gegeven zullen zijn, net zo min te beïnvloeden als het weer. Karsten en Beckman zeggen:

“Er worden elk jaar duizenden maatregelen genomen door het parlement. Die ene stem van jou (per vier jaar, op één persoon, die verder zonder ruggespraak met jou kan besluiten wat hij wil) heeft daar dus geen enkele meetbare invloed op”.

Tegenover het puur theoretische recht om mee te beslissen over ‘de maatschappij’, staat de zeer reële, voelbare en allesomvattende macht van ‘de maatschappij’ om mee te beslissen over ons. De maatschappij gaat over alles: over de mate waarin we beschikken over ons eigen geld, over onze leefgewoonten, over het onderwijs van onze kinderen, over onze cultuur, over de rol van religie en over de vraag wat waardevolle kunst is. We moeten in het democratische Nederland in de 21e eeuw net zo gehoorzaam zijn aan de geldende regels als in het Frankrijk van Lodewijk XIV. En net zoals toen, hebben we geen enkele invloed op de inhoud van die regels. 

Sommigen zien een essentieel verschil in de procedures waarlangs de regels tot stand zijn gekomen. Misschien zouden deze mensen toegeven dat we tegenwoordig net zo weinig invloed hebben op het bestuur als enkele eeuwen geleden, maar doordat er nu democratie, een onafhankelijke rechterlijke macht en regels van behoorlijk bestuur zijn, heeft de overheid een legitieme machtsbasis. We hebben tegenwoordig in ieder geval inspraak en het voorrecht om in een rechtsstaat te leven. 

Maar wat zijn die inspraak en die ‘rechtsstatelijkheid’ waard als de overheid ongelimiteerd over ons inkomen en vermogen kan beschikken? Wat zijn onze rechten waard als ze op ieder moment ondergeschikt kunnen worden gemaakt aan de rechten van de kiezers van een andere, meer populaire partij? Hoe behoorlijk is een bestuur dat zich zonder expliciet mandaat overal mee bemoeit en mensen dwingt zich te onderwerpen aan zijn regels?

Het is waar dat de huidige overheid een betere reputatie heeft dan overheden uit vorige eeuwen. Maar juist in deze reputatie, mede opgebouwd en in stand gehouden door de overheid zelf in de vorm van staatsonderwijs en een publieke omroep, schuilt de enorme macht van de staat. Door zichzelf aanvaardbaar te maken heeft de overheid zichzelf in het zadel gehouden en haar positie alleen maar sterker gemaakt. 

Toen het ancien regime, het tijdperk van zonnekoningen en absolute monarchen, op instorten stond, had de staat geen andere keuze dan zich aan te passen en te evolueren. Zoals een plant of dier zich moet aanpassen als zijn habitat verandert in termen van voedsel, licht of temperatuur, zo ook laat de overheid zich leiden door de drang tot zelfbehoud. In Nederland zagen we bijvoorbeeld dat Koning Willem II in één nacht van conservatief in liberaal veranderde en vrijwillig macht overdroeg aan het parlement om de totale ineenstorting van zijn positie af te wenden.

Hans-Hermann Hoppe, een van de zeer weinige auteurs die niet de werking, maar het wezen van democratie aanvalt, legt in zijn boek ‘Democracy, the God that failed’ (2001) uit dat met de machtsverschuiving van monarch naar parlement de rechtspositie van de burger niet sterker, maar zwakker is geworden. Omdat de monarch zijn koninkrijk als zijn eigendom zag, wilde hij het laten floreren en in goede staat overdragen aan zijn erfgenamen. Dat betekende onder andere dat er enige prikkel tot verantwoord financieel beleid was. Eventueel onverantwoord beleid werd meteen afgestraft door een lege schatkist en de dreiging van een buitenlandse invasie. 

De democratische heerser daarentegen is geen eigenaar van de natie, maar een vruchtgebruiker. Daarom zal hij volgens Hoppe zoveel mogelijk willen uitgeven gedurende zijn eigen bestuursperiode. Zijn tijdshorizon is maximaal een aantal jaren, tot aan de volgende verkiezingen. Hoppe’s tegen-intuïtieve theorie wordt gesteund door de historische feiten. De belastingen zijn in democratieën hoger, zowel absoluut als relatief gezien, dan ze ooit zijn geweest in welke (absolute) monarchie dan ook. 

De belastingen zijn in democratieën hoger, zowel absoluut als relatief gezien, dan ze ooit zijn geweest in welke (absolute) monarchie dan ook.

Belangrijker nog dan het punt van de monarch als eigenaar van zijn koninkrijk, is het al aangestipte punt van de gepercipieerde legitimiteit. Hoewel de absolute monarchen zich beriepen op een goddelijke aanspraak op de troon (‘droit divin’) snapten velen ongetwijfeld dat de macht van de koning niets anders was dan de macht van de sterkste. Het feit dat er evident geen sprake was van een legitieme machtsbasis maakte de koning kwetsbaar en dwong hem de grens niet teveel op te zoeken. Hij kon zijn volk enigszins onderdrukken, maar moest altijd op zijn hoede zijn voor een massale opstand, van de adel of de gewone man. 

Het is een historische wetmatigheid dat een regime niet langdurig aan de macht kan blijven zonder substantiële (actieve of passieve) steun van de bevolking. En daarom moest de monarch continu werken aan zijn draagvlak.

De huidige parlementaire democratie is juist zo machtig vanwege haar enorme draagvlak. Inmiddels zijn vele generaties kinderen (op staatsinstituten!) opgevoed met het foutieve idee dat recht en democratie grotendeels inwisselbare begrippen zijn. Vrijwel iedereen gelooft dat onze machthebbers geen schurken zijn, zoals in de tijden van Lodewijk XIV, maar “door onszelf gekozen” bestuurders met legitieme macht en oog voor het ‘algemeen belang’. Napoleon gebruikte verkiezingen en referenda om zijn eigen greep op de macht te legitimeren en te verstevigen. 

Hetzelfde gold voor leiders in bijvoorbeeld Afrika, Indonesië en Servië. Omdat de huidige overheid nauwelijks angst meer heeft voor haar bevolking, was zij de afgelopen honderdvijftig jaar in staat om de regelgeving en lastendruk in sneltreinvaart op te voeren. De populaire opvatting dat monarchen als Lodewijk XIV onbegrensde macht hadden is dan ook een complete omdraaiing van de feiten. Weliswaar waren dergelijke vorsten machtig aan hun eigen hof, maar de gewone boer die honderd kilometer verderop woonde merkte relatief weinig van de staat. 

Een absolute monarch die het in zijn hoofd had gehaald om de helft van de totale economie via de overheid te laten lopen, om een toptarief van 52% in te stellen (en na te denken over een nog hoger tarief!), om boeren met talloze milieu-eisen en administratieve lasten lastig te vallen of om bedrijven te dwingen vrouwen,  allochtonen en gehandicapten in dienst te nemen, had het nog geen maand uitgehouden. Het is in dat kader veelzeggend dat Nederland ooit in opstand kwam tegen de Spaanse machtshebbers toen deze de ‘Tiende Penning’ (een omzetbelasting van een luttele tien procent!) wilden doorvoeren.

Dit is een fragment uit het gelijknamige hoofdstuk van  Een studie over de slechtheid van de staat (Uitgeverij Aspekt, 2016). Een zeer leesbaar en baanbrekend boek dat MeerVrijheid van harte aanbeveelt. Het boek kost 22,95 en is o.a. verkrijgbaar bij Bol.com

Over de auteur

Maarten Berg (1975) is econometrist en sociaal-psycholoog. Hij promoveerde op landenvergelijkend 'geluksonderzoek' en werkte o.a. voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Centraal Planbureau en verschillende universiteiten.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl