“Een samenleving die gelijkheid prefereert boven vrijheid zal geen van beiden bereiken.”
Milton Friedman

Waarom de ongelijkheid toeneemt – nee, het is niet wat u denkt

Door Karel Beckman

30 maart 2017

De ongelijkheid neemt toe, mensen hebben geen zekerheden meer – en u weet wel, dat komt allemaal omdat de verzorgingsstaat is uitgekleed door “neoliberalen”. Mis, zegt Karel Beckman, het komt juist doordat de verzorgingsstaat zo uit de hand is gelopen. Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, waarin hij laat zien waarom de Staat de vijand is van welvaart, recht en vrede.

U kent het verhaal. Voor een steeds grotere groep mensen zijn er geen vaste banen meer, pensioenen worden uitgesteld en uitgekleed, woningen worden onbetaalbaar voor starters op de markt, de zorg voor ouderen met lage inkomens wordt steeds kariger en alles wordt alsmaar duurder. Voor jongeren is er nauwelijks uitzicht meer op een beter en zekerder bestaan. 

Daarentegen is er nog steeds een groep mensen die het voor de wind gaat – die veel geld verdienen, kapitaalkrachtig zijn, profiteren van de hoge huizenprijzen, genieten van uitstekende pensioenen en arbeidsvoorwaarden, die vijf keer per jaar op vakantie gaan en riante vergoedingen meekrijgen als ze onverhoopt worden ontslagen.

De kloof tussen deze twee groepen neemt toe.

Ik ben het eens met dit verhaal. 

Ik ben het alleen niet eens met de analyse die dan meestal volgt. 

Dat de overheid juist teveel doet – en daarmee onze welvaart ondermijnt, komt bij niemand op.

De groeiende ongelijkheid wordt steevast toegeschreven aan het “neoliberalisme” of “globalisering” of “marktwerking” of “privatisering” of bedenk maar wat soortgelijke termen. Met andere woorden: aan de vrije markt

De vrije markt leidt tot concurrentie van lage-lonenlanden en goedkope arbeiders, die de eigen verzorgingsstaat ondermijnt. Tegelijk leidt de vrije-marktideologie tot bezuinigingen door regeringen die zich hebben uitgeleverd aan banken en financiële markten. Zo worden de mensen aan de onderkant van de samenleving dubbel gepakt. Dat is de standaard-analyse.



De oplossingen liggen voor de hand: meer overheidsuitgaven voor zorg en om ongelijkheid tegen te gaan, beperking van vrijhandel en vrij verkeer van personen, betere bescherming van werknemers, hogere minimumlonen, hogere belastingen voor de rijken.

Het probleem is: de analyse deugt niet. Er is een olifant in de kamer waar niemand acht op slaat. Dat is de Staat. Om precies te zijn: de parasitaire rol van de Staat in de economie

De Staat wordt in het verhaal altijd beschouwd als de redder in nood. De overheid wordt hooguit bekritiseerd als zij te weinig doet om de zwakkeren te beschermen. Dat de overheid juist teveel doet – en daarmee onze welvaart ondermijnt, komt bij niemand op.

Toch is dit wat er aan de hand is. Ja, er is een groeiende kloof in de samenleving, maar die bevindt zich tussen de mensen die profiteren van de Staat en de mensen die het gelag betalen

De mensen die profiteren vind je bij de overheid zelf, bij gesubsidieerde instellingen, bij bedrijven (zoals banken) die gebruik maken van door de overheid verstrekte privileges, en bij bevolkingsgroepen die onevenredig worden bevoordeeld door de Staat. De rest zijn de verliezers. 

Niet leuker – en niet makkelijker

Laten we eens kijken hoe en waarom de Staat onze welvaart ondergraaft.

Het eerste misverstand dat bij veel mensen bestaat is dat het de overheid is die “zorgt” voor (vaste) banen, goede arbeidsvoorwaarden, pensioenen en gezondheidszorg. 

Maar het is niet de Staat die de middelen creëert om voor mensen te “zorgen”. Het zijn de burgers en bedrijven zelf die de middelen ophoesten die eerst door de overheid in beslag worden genomen en vervolgens worden “herverdeeld”. 

Het is niet zo dat de overheid onderwijs, zorg, pensioenen, infrastructuur, openbaar vervoer en andere voorzieningen levert, in de zin dat de overheid dit allemaal cadeau doet aan de burgers, als een soort Vadertje Staat die voor zijn kinderen zorgt. Burgers en bedrijven betalen premies voor AOW en werkloosheidsuitkeringen, we betalen belastingen waarmee onderwijs, zorg en infrastructuur worden bekostigd, en voor al die andere zaken die de overheid “voor ons” regelt. Als de overheid dit allemaal niet zou doen, en we zouden het zelf regelen, dan zouden we honderden miljarden per jaar rijker zijn. 

Nu zou je kunnen zeggen, wat maakt het uit? Per saldo verandert er dan niets. Als de Staat zich niet zou bemoeien met de economie, zouden we, wat we nu afdragen aan de Staat, mogen behouden, maar dan zouden we het zelf moeten besteden aan al die dingen die de Staat nu voor ons regelt. Gemiddeld genomen gaan we er dan niet op vooruit of achteruit, hooguit worden de middelen anders verdeeld.

Maar zo simpel is het niet.

Ten eerste zijn we geld kwijt aan de bureaucratie die al die mooie dingen voor ons regelt. We weten dat de overheid over het algemeen inefficiënt werkt. Dat komt omdat de overheid geen concurrentie heeft. Overheidsinstellingen kunnen ook niet failliet gaan. 

Daarnaast zorgt de overheid goed voor haar eigen werknemers. Die hebben prima ontslagbescherming, uitstekende arbeidsvoorwaarden en goede pensioenen. Of ze nu goed presteren of niet. De overheid kan dat bieden, want degenen die de arbeidsvoorwaarden vaststellen hoeven de kosten toch niet uit eigen zak te betalen. Je zou kunnen zeggen, fijn voor de ambtenaren – en niet te vergeten de consultants die door de overheid worden ingehuurd – maar de middelen hiervoor moeten wel worden opgebracht – door de rest van de bevolking.

De bureaucratie heeft een belang om zichzelf onmisbaar te maken

Ten tweede heeft de bureaucratie een belang om zichzelf onmisbaar te maken. Dat is menselijk. Iedereen wil graag goed verdienen en belangrijk zijn. Maar de overheid hoeft niet net als bedrijven de markt op, om te kijken of er vraag is naar haar producten en diensten. Omdat de overheid uit belastingafdrachten wordt betaald, kan zij haar producten en diensten simpelweg aan mensen opdringen. 

Dit betekent om te beginnen al dat je als burger geen controle hebt over jouw geld dat je aan de overheid moet afdragen. De overheid kan zomaar beslissen de pensioenleeftijd met twee jaar te verhogen, bijvoorbeeld. Je hebt jarenlang premie betaald, maar geen contract om op terug te vallen. De overheid kan de pensioengelden ook gewoon aan andere zaken besteden, zodat je straks helemaal geen pensioen meer hebt. 

De overheid richt daarnaast de zorg, het onderwijs en heel veel andere zaken in – en je moet nemen wat je aangeboden krijgt. Je kunt niet je eigen keuzes maken. Je kunt niet rechtstreeks zaken doen met een onderwijsinstelling, of verzekeringsmaatschappij, of ziekenhuis, of andere zorgaanbieder. Dus heb je ook geen invloed over hoe je al deze zaken zelf het liefst zou regelen. Ja, je mag eens in de vier jaar stemmen, maar de invloed die je daarmee verkrijgt over je eigen middelen en leven is verwaarloosbaar.

De overheid kan ook allerlei leuke dingen gaan doen met haar geld en allerlei activiteiten subsidiëren die het zonder subsidie niet zouden redden. Dit lijkt genereus, maar het betekent dat heel veel mensen worden gedwongen om te betalen voor zaken waar ze niet op zitten te wachten.  

Maar dit is nog maar het begin van de problemen. De overheid beschikt niet alleen over een groot deel van de middelen die burgers en bedrijven voortbrengen – zij maakt ook de regels die we moeten volgen. En de overheid heeft belang bij meer en ingewikkelde regelgeving. Ook dat is niet zo vreemd. Iedereen wil belangrijk zijn – en goed verdienen – en de overheid kan dat alleen als er veel regels zijn om uit te voeren en te controleren. Leuker kunnen ze het niet maken, maar ze zullen het ook nooit makkelijker maken, ook al zeggen ze van wel, want dat druist in tegen hun eigen belang. Vandaar dat belastingregels of regels in de zorg en onderwijs nooit simpeler worden.

Daarnaast is er voor de overheid een prikkel om allerlei regelingen in te voeren waardoor burgers haar zien als hoeder van het algemeen belang, terwijl de kosten voor die regelingen moeten worden opgebracht door burgers en bedrijven zelf. Dus de overheid zorgt voor ontslagbescherming, minimumlonen, verplichte verzekeringen bij ziekte en ontslag, regels rond arbeidsomstandigheden, AOW, enzovoort. Dat burgers hierdoor veel minder zelf te besteden hebben, deert de overheid niet. En dat het voor bedrijven, door alle extra kosten, niet meer loont om mensen in dienst te nemen, neemt de overheid ook graag voor lief. Zo worden de kansen die mensen hebben op de arbeidsmarkt en de middelen die zij hebben om in hun levensonderhoud te voorzien steeds minder – terwijl ze niet door hebben dat dit komt omdat de overheid zo goed voor hun “zorgt”. 

En dan is er nog iets waar de critici van de “vrije markt” het nooit over hebben. Misschien wel het belangrijkste van alles: de overheid controleert ook nog eens het geldwezen. Dat verschaft haar vrijwel onbeperkte middelen om in te grijpen in de economie.

Iedereen weet dat banken en financiële markten een puinhoop hebben veroorzaakt ten tijde van de financiële crisis. Dat bevestigt ook het beeld van het falen van “de vrije markt”. Maar ons financiële stelsel heeft niets met de vrije markt te maken. Banken hebben er een puinhoop van kunnen maken omdat ze van de Staat geld uit het niets mogen creëren – en omdat ze worden aangemoedigd door de Staat (de centrale bank) om geld in het systeem te pompen. Toen ze in de problemen raakten werden ze door de Staat gered. Hoezo “vrije markt”?

Tegelijkertijd stelt het financiële systeem de overheid in staat zelf goedkoop geld te lenen en ongestraft torenhoge schulden te maken. De Staat redt de banken, ja, maar de banken redden ook altijd de Staat. Zo werkt het systeem.

Anders dan de meeste economen ons wijs maken, leidt al deze geldsmijterij niet tot werkelijke economische groei – maar tot zeepbellen en de financiering van allerlei nutteloze zaken waar niemand op zit te wachten, en die echt nuttige activiteiten duurder maken of uit de markt verdringen.

Hoe Draghi uw pensioenfonds sloopt

Feit is: onze economie wordt in verregaande mate gecontroleerd en gedomineerd door de Staat. De overheid heeft monopolies op tal van sectoren, beheert het geldwezen, vaardigt regels uit, bestiert de pensioenen en sociale voorzieningen. Het is dan ook niet zo dat ondanks de overheid de ongelijkheid toeneemt – maar dankzij de overheid. 
 
De gevolgen van alle overheidsinterventie zijn onmogelijk precies te becijferen. Ik kan ze het beste illustreren aan de hand van een aantal willekeurige voorbeelden.

Ik schat dat over de laatste twintig jaar €180 miljard aan rente is betaald

Elk jaar geeft de Nederlandse overheid vele miljarden uit aan rentebetaling op de staatschuld. Omdat de Nederlandse overheid niet failliet kan gaan, is zij erin geslaagd een schuld op te bouwen van €440 miljard. Ik schat (natte-vingerwerk) dat over de laatste twintig jaar €180 miljard aan rente is betaald. Hier hadden heel wat ouderen thuishulp voor kunnen krijgen.

Ander voorbeeld. Uit een studie van prof. dr. Bert van Wee van de TU Delft uit 2013 bleek dat er sinds 1980 door de overheid €100 miljard over de balk is gegooid bij kostenoverschrijdingen en uitstel van grote infrastructurele projecten. Weggegooid geld. Nog een bericht. Uit onderzoek van een Kamercommissie uit 2014 bleek dat de overheid zo’n €4 à 5 miljard euro per jaar uitgeeft aan falende ict-projecten. 

Of neem het feit dat de overheid meer dan €500 miljoen per jaar uitdeelt aan de publieke omroep – die ook nog eens inkomsten uit reclame ontvangt. Van dat geld kun je ook 20.000 verpleegsters een salaris betalen van €25.000 per jaar. Op de een of andere manier hoor je de critici van het “neoliberalisme” nooit over dit soort ongelijkheden. 

Wat de kosten van regulering zijn voor het bedrijfsleven is ook moeilijk in te schatten. Ik heb een oud bericht uit het Financieele Dagblad bewaard waaruit bleek dat het bedrijfsleven in één jaar tijd (2003) €51 miljard kwijt was aan “extra lasten gemoeid met nieuwe wet- en regelgeving”. Niet de premies en belastingen zelf, maar de bureaucratie eromheen. Ieder jaar weer. Tel het eens bij elkaar op.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor Nederland. Sterker, ik denk dat Nederland het relatief beter doet dan de meeste andere landen, hoewel dat niet zoveel zegt. 

Over Italië – ik pak maar weer een willekeurig voorbeeld – stond ooit een interview in NRC Handelsblad met Roberto Perotti, hoogleraar economie, die tijdelijk begrotingsadviseur was geweest van de Italiaanse regering. Hij vertelde: Er wordt niet systematisch naar de uitgaven van de overheid gekeken. Er zijn programma’s die al veertig jaar draaien zonder dat iemand er naar omkijkt. Hij kwam er een tegen van 150 miljoen euro die nergens toe diende, maar “de directeur was er zo aan gehecht”. Publieke managers binnen de overheid verdienen ongelooflijk veel in Italië, vaak meer dan 200.000 euro. Het land krijgt €10 miljard per jaar aan Europese fondsen, maar niemand weet hoe dat geld wordt besteed. De bureaucratie, zei Perotti, is een enorm probleem waar vrijwel niets aan wordt gedaan. (Marc Leijendekker, 15-11-2016)

Griekenland is een ander geval. Bastiaan Bommeljé schreef in NRC Handelsblad (25-4-2015) dat dit land “sinds 1945 niet één jaar [heeft] gefunctioneerd zonder aanzienlijke buitenlandse hulp. … Tot 1998 bedroeg de Amerikaanse hulp elk jaar meer dan 100 miljoen dollar. … die donaties verbleekten tegenover de stroom aan Europese hulp. Tussen 1974 en 1981, het jaar dat Griekenland toetrad tot de EU, werden al talloze miljarden aan preparatiesteun gegeven, en na 1981 nam dat nog verder toe. Zo ontving Griekenland in 1982 meteen 682 miljoen ECU … voor ‘prijsstabilisatie’, plus vanaf de toetreding elk jaar 6,8 miljard ECU aan landbouwsubsidies. [De ECU is vergelijkbaar met de euro.] Daar bovenop kwam tussen 1989 en 1993 nog eens 7,2 miljard ECU aan ‘structuursubsidies’ bij….”

Tegelijkertijd “nam het ambtenarenapparaat [in Griekenland] toe van 73.000 personen in 1952 naar meer dan 768.000 in 2010 (en 1 miljoen als alle gesubsidieerde instellingen worden meegerekend). Geen toeval want vanaf 1952 werd het land steevast geleid door eenpartij-regeringen die de koek verdeelden. Het resultaat was dat in 2009 de ambtenarensalarissen en pensioenen 55% van alle overheidsinkomsten opsoupeerden.”

Frankrijk, om een ander voorbeeld te noemen, telt 5 miljoen ambtenaren die een 35-urige werkweek hebben en op hun 60e met pensioen mogen. De belastingdruk voor burgers is loodzwaar, maar Franse parlementariërs, zoals presidentskandidaat Fillon, en zijn collega’s, mogen hun familie en kennissen baantjes toeschuiven waarmee vele honderdduizenden euro’s worden verdiend. Fillons vrouw streek op deze manier 830.000 euro op, een bedrag waar gewone mensen alleen maar van kunnen dromen.

Een voorbeeldje uit het archief ontwikkelingshulp. De EU schonk in de periode 2007-2013 €223 miljoen aan Honduras. Voor de periode 2014-2020 is de steun vastgesteld op €235 miljoen. Uit onderzoek van de Europese Rekenkamer bleek dat een aanzienlijk deel van deze financiële bijstand is verleend in de vorm van “begrotingssteun”. Dat betekent dat het rechtstreeks naar de Hondurese overheid gaat die het vervolgens naar eigen goeddunken kan besteden. De Rekenmaker stelde daarbij vast “dat het corruptieniveau in Honduras problematisch blijft”. De armoede in de periode 2007-2015 in Honduras bleek te zijn gestegen. (Bron: hier) Vermenigvuldig dit voorbeeld gerust nog een paar honderd keer, want het is typerend voor hoe ontwikkelingshulp werkt.

Inmiddels hebben de Staten in de wereld samen $73.000 miljard aan schuld opgebouwd (hoorde ik van een bankier, in januari 2017.) Als we even stellen dat er 7,3 miljard mensen op aarde wonen, dan zijn de Staatsschulden gelijk aan $10.000 per hoofd van de wereldbevolking. Is dit neo-iberalisme? Het feit dat ongelijkheid en onzekerheid toenemen, de werkloosheid hardnekkig blijft, het onderwijs slechter wordt, terwijl de uitgaven en schulden van Staten de pan uitrijzen, geeft aan dat de invloed van de Staat helemaal niet positief is. 

Vaak wordt er gewezen op dat in Amerika de ongelijkheid nog veel groter is dan hier en de onzekerheid troef. En Amerika is natuurlijk “de vrije markt”, of niet? Nee dus. In november 2016 bedroeg de Amerikaanse staatsschuld $14300 miljard. Dat zijn alle uitstaande overheidsobligaties tesamen. Dit is exclusief $5400 miljard die de Staat verschuldigd is aan pensioenen en andere uitkeringen. Daarmee kwam de totale schuld uit op $19700 miljard (Bron: Wikipedia).  
Die schuld loopt voortdurend op, zoals hier te zien is: http://www.usdebtclock.org/ Op 28 december 2016 stond het schuldtotaal op $19943 miljard. Dit was op dat moment ruim $61.000 per hoofd van de bevolking en ruim $166.000 per belastingbetaler. 

De Amerikanen hebben ook met afstand de hoogste militaire uitgaven, de meeste gevangenen, en een stortvloed aan regels waaraan bedrijven en burgers moeten voldoen, met zware sancties voor overtreding. De Amerikaanse Staat is, kortom, de machtigste ter wereld.

Overigens, wie gelooft dat de Amerikaanse schuld ooit wordt terugbetaald leeft in een droomwereld. Dat doen veel mensen, want 45% van de staatsschuld is in bezit van buitenlanders. Zoals Nederlandse pensioenfondsen.

Dan zijn er nog de gevolgen van het monetaire beleid van de Staten en centrale banken. Het officiële beleid van onze geldmeesters is om te zorgen voor permanente inflatie. Voor veel mensen is dit min of meer een natuurlijk fenomeen – ze weten niet beter dan dat prijzen altijd omhoog gaan. Maar er is niet natuurlijks aan. In een vrije markt zou alles goedkoper worden en zouden we amper hoeven te sparen voor onze oude dag.  

De slachtoffers van dit systeem zijn vooral de mensen met lage inkomens of pensioenen die er niet in slagen om de inflatie bij te houden.

De slachtoffers van dit systeem zijn vooral de mensen met lage inkomens of pensioenen die er niet in slagen om de inflatie bij te houden. “Hoe Draghi [voorzitter van de Europese Centrale Bank] uw pensioenfonds sloopt” was een veelzeggende titel van een artikel van Maarten Schinkel in NRC Handelsblad (24 oktober 2015). 

Het monetaire beleid van de Staat jaagt ook de prijzen van bezit op, en daarmee de vermogensongelijkheid. Daarnaast profiteren beurshandelaren en speculanten het meest van al het nieuwe geld dat in de markt wordt gepompt. Zij “runnen” het systeem – en zorgen uiteraard goed voor zichzelf. Ook de multinationals profiteren. Ik denk dat de meeste mensen niet eens beseffen dat de Europese Centrale Bank (ECB) voor tientallen miljarden aan goedkope leningen verstrekt aan grote energiebedrijven als Shell en Total en aan grote autoconcerns als Daimler, Volkswagen, Renault en BMW. Dit zijn in feite subsidies waarmee de bonussen van de managers worden betaald. 

De mensen die profiteren van al dit door de Staat uit het niets gecreëerde geld – waar geen enkele tegenprestatie tegenover staat – drijven door hun rijkdom de prijzen op van huizen en andere goederen en diensten, waardoor het leven van de rest van ons duurder wordt. 

En net als ambtenaren hoeven de financiële instellingen voor faillisementen niet te vrezen – ze worden toch wel gered door de overheid (de belastingbetaler) als ze in de problemen komen.

Onzichtbare kosten

Tot dusver heb ik het alleen nog maar gehad over de zichtbare kosten die door overheidsinterventie worden veroorzaakt. Er zijn echter ook aanzienlijke onzichtbare kosten mee gemoeid, zoals de 19e eeuwse Franse econoom Bastiat al vaststelde. Die zijn misschien nog veel groter – maar moeilijker meetbaar.

Een voorbeeld: als die miljoenen mensen die zich nu bezighouden met het invoeren, uitvoeren en controleren van overbodige regels, nuttig werk zouden doen, zouden we veel welvarender zijn dan nu. Als het geld dat nu naar gesubsidieerde instellingen gaat of naar overheidsorganen die er niets nuttigs mee doen, beschikbaar zou zijn voor werkelijk productieve of innovatieve activiteiten, zou dat ook leiden tot veel meer welvaart. 

Of denk aan de innovatie die plaats zou kunnen vinden in sectoren als zorg en onderwijs, als die bevrijd zouden worden van het juk van centraal opgelegde doelstellingen. 

De realiteit is dat het de hoge Staatsuitgaven zijn, de vele regels – het enorme beslag dat de Staat legt op de economie – die de oorzaak zijn van economische stagnatie en toenemende ongelijkheid. De Staatsapparaten zorgen voor zichzelf en hun “doelgroepen” en maken de rest van de bevolking armer.

Maar op de een of andere manier hoor je de mensen die klagen over “neoliberalisme” en “globalisering” hier nooit over.

Schaf de BTW af

Ongetwijfeld zullen er veel lezers zijn die tot op zekere hoogte met mij mee kunnen gaan, maar toch bang zijn dat de zwakkeren zwakker worden als de Staat er niet is om ze te helpen.

Het overgrote deel van wat de Staat doet is niet bedoeld om lage-inkomensgroepen te helpen

Om te beginnen: het overgrote deel van wat de Staat doet is niet bedoeld om lage-inkomensgroepen te helpen, zoals ik hierboven heb laten zien. Als de Staat echt iets wil doen om de ongelijkheid te verkleinen, en te zorgen dat mensen met weinig geld beter af zijn, kan dat makkelijk genoeg. Ik heb wel een paar tips.

Schaf de BTW af, bijvoorbeeld. De prijzen van de meeste goederen en diensten gaan dan met 21% omlaag. Daar hebben mensen heel wat meer aan dat het geneuzel over de “koopkrachtplaatjes” waar onze politici goede sier mee denken te maken. Of verlaag de inkomstenbelastingen. Verlaag de sociale premies. Schaf subsidies af in de culturele sector, waar vooral hoge-inkomensgroepen baat bij hebben. De subsidies voor de publieke omroep bijvoorbeeld. 

Dat gebeurt allemaal niet – omdat dit zaken zijn die status, geld en macht verschaffen aan de overheid. Dit toont de hypocrisie aan van de critici van de vrije markt.

Niettemin, als overtuigd aanhanger van de vrije markt zou ik graag een voorstel doen waarmee ik de mensen tegemoet kom die zich oprechte zorgen maken over de zwakkeren in de samenleving. Laten we afspreken dat de overheid vanaf nu alleen nog maar zorgt voor de armen en zwakkeren en zich verder niet meer bemoeit met de economie. Ik vind dan wel dat we duidelijk van tevoren moeten vaststellen hoeveel dat moet gaan kosten. Het kan geen bodemloze put zijn. Kunnen we het af met bijvoorbeeld €50 miljard per jaar? Dat is €10.000 euro gemiddeld per persoon voor 5 miljoen mensen, bijna een derde van de Nederlandse bevolking. Dat moet toch genoeg zijn? 

Verder laten we de vrije markt – de echte vrije markt – het werk doen. Ik wed dat de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt het heel snel heel veel beter gaan krijgen.

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl