“Het probleem met het verdedigen van menselijke vrijheid is dat je de meeste tijd besteedt aan het verdedigen van deugnieten en schurken. Want het is tegen hen dat onderdrukkende wetten in eerste instantie gericht zijn, en onderdrukking moet bij het begin gestopt worden wil het sowieso gestopt worden.”
H.L. Mencken

Leger des Heils subsidie-verslaafd?

Door Frans Roes

11 juni 2012

Mijn tijd als betaalde ‘Flex Thuiszorg Medewerker A’ (stofzuigen, toilet schoonmaken, etcetera) in dienst van het Leger des Heils had ik niet willen missen. Je komt voortdurend bij andere, vaak wonderlijke mensen over de vloer. Soms zijn ze boeiend en sympathiek, dan weer lastige klanten.

Het gaat om verslaafden (ook aan koekjes!), trieste gevallen die door het leven zijn geknakt, halve garen, wurgend vereenzaamden, mensen met ernstige lichamelijke aandoeningen of verstandelijke beperkingen, er zijn keukens met kakkerlakken en huizen die veranderd zijn in één grote, stinkende kattenbak. Dan zijn er nogal wat verzamelaars die niets kunnen weggooien, zodat opruimen laat staan schoonmaken lastig wordt. Waar moet je iets opbergen als alles al vol ligt? Soms werd elke poging om op te ruimen door de cliënt gesaboteerd, wellicht met de bedoeling om voor hulp in aanmerking te blijven komen.

Ik kwam graag bij cliënten waar direct bij binnenkomst de hulpvraag duidelijk was, en waar dus aangepakt moest worden. Ik denk bijvoorbeeld aan een man met vergevorderde Parkinson. Als hij zelf de kamerplanten water zou geven dan zouden de spatten op het plafond zitten, om van de kattenbak maar te zwijgen. Dan maar geen planten en geen kat zegt de doorwinterde libertair misschien, waarom moet de belastingbetaler voor de kosten opdraaien? Zelf heb ik hier geen duidelijke mening over, ik gunde die man een waardig leven, mét planten en kat.

Maar in toenemende mate ging ik me ergeren aan de vele cliënten die naar mijn gevoel helemaal niet hulpbehoevend waren, maar wel van het Leger des Heils hulp kregen, en mij als een soort bediende of slaaf gebruikten. Ik denk bijvoorbeeld aan die man die ‘autistisch’ zou zijn. “Dan gaan we straks nog even het toilet doen” zei hij tegen me. Met ‘we’ bedoelde hij niet ‘wij’ maar ‘jij’. Waarom kon hij zelf niet zijn wc- pot schoonmaken, hij zag er gezond uit en was minstens tien jaar jonger dan ik. “Kunt u dat zelf niet?” waagde ik te opperen. Dat was niet zo slim van me, want hij was nou ook weer niet zo autistisch dat hij geen klacht over mij bij het Leger des Heils kon indienen, en naar ik later begreep was een immer vergaderende manager daar al een dossier tegen mij aan het aanleggen.

Ook denk ik bijvoorbeeld aan die man die om onduidelijke redenen fysiek niet in staat was tot huishoudelijk werk, maar wel elke dag zijn fiets twee trappen opsjouwde, uit angst voor diefstal. Of die vrouw met een grote chique woning, kunst aan de muur. Ze had hulp nodig vanwege “pijn onder in de rug”. Terwijl ze onderuitgezakt in een stoel zat en haar teennagels lakte, wees ze met priemende vinger naar een hoek van de kamer en krijste: “Daar, daar, daar!” Daar moest ik dus heen met de stofzuiger. Haar huis was bij mijn binnenkomst schoner dan het mijne ooit is geweest, er was helemaal niets te doen. Gelukkig kon ik eerder naar huis, (wel doorbetaald), want ze moest nog naar fysiotherapie. Volgens mij was ze

gestoord noch zielig, eerder een bijdehante aanstelster die handig gebruikt maakte van voorzieningen die eigenlijk niet voor haar bestemd waren. Of ik denk aan die vrouw met onder een afdak in de achtertuin een fraaie sportfiets. Ze had ME, het chronische vermoeidheid syndroom, een ziekte waarvan sommigen het bestaan betwijfelen, en iedereen wel eens in meerdere of mindere mate last van heeft.

Dan waren er cliënten die geen hulp nodig leken te hebben en ook niet wensten. Ik keek rond in de woning van een cliënt, alles zag er normaal uit, en hij zei tegen me: “Ik begrijp ook niet waarom ze me die huishoudelijke hulp door de strot proberen te douwen”. Verder kwam ik als flexwerker bij allerlei cliënten waar het een vieze troep was, maar waar wel, zo bleek uit het logboek, week in week uit Thuiszorg Medewerkers-A waren langsgekomen. Wat deden die dan, alleen maar koffie drinken soms?

Tenslotte viel me iets op wat ik verbazingwekkend vond. Mijn werktijd bij een bepaalde cliënt die volgens mij allerlei dingen ook zelf kon doen was bijvoorbeeld van 9 tot 12 uur. Het kon voorkomen dat in die korte tijd wel vier andere hulpverleners langskwamen. Om de was op te halen of terug te brengen, voor het doen van de boodschappen, helpen met steunkousen, medicijnen langsbrengen, bloed prikken, een evaluerend gesprek, en zo voort. Gaat dat de hele week zo door vroeg ik me af, en wie betaalt het allemaal?

Uit onvrede over zorg die in mijn ogen overbodig was maakte ik een concept van een vragenlijst voor thuiszorgmedewerkers waarmee ze binnen een paar minuten door middel van kruisjes zetten een cliënt konden uittekenen. Was de cliënt vriendelijk en behulpzaam, aanwezig op de afgesproken tijd, kon de zorg op termijn misschien afgebouwd worden, was er meer, minder of andere zorg nodig, etcetera. Ik ging er van uit dat weinigen een cliënt zo goed kennen als de thuiszorgmedewerker, en mochten er bezuinigingen in de zorg in het verschiet liggen, en daar leek het op, dan konden deze vragenlijsten bevorderen dat kostbare hulp bij de juiste personen terechtkomt. Een vriend van me waarschuwde me: “Managers houden niet van dit soort initiatieven!” Toch de vragenlijst met begeleidend schrijven opgestuurd aan drie managers, nooit meer iets van gehoord, zelfs niet de ‘nog geen tijd voor gehad’- smoes.

Een paar weken later werd ik vanaf mijn werk per direct op het hoofdkantoor ontboden. De openingszin van de manager was: “Ik wil met jou eindigen”. Ik herinner me dat ik tijdens de woordenwisseling die zich ontspon hevig verontwaardigd heb geroepen: “Ik werk hard, ben loyaal aan deze club en accepteer het niet dat ik als een dief op staande voet wordt ontslagen!” Ik eiste een gesprek met dezelfde manager in het bijzijn van een derde, maakt niet uit wie, waarin me zou worden uitgelegd waarom ik werd ontslagen. Dat gesprek werd toegezegd maar u heeft het misschien al geraden, dat kwam er niet. Die derde zou “geen behoefte” aan een gesprek hebben. Emails verstuurd, brieven verstuurd, langs de rechtswinkel, aangetekende brief verstuurd, geen enkele reactie. Gewoon niet reageren, dan bloedt de zaak vanzelf leeg. En dat klopte, want hoewel ik volgens de rechtswinkel sterk stond, verloor ik langzamerhand mijn motivatie en interesse. Een rechtszaak kost tijd en geld, bekijk het maar, ik heb me al genoeg geërgerd. Bovendien had ikeen hekel gekregen aan die manager, dus de arbeidverhoudingen waren verstoord. En een rechtszaak tegen het onkreukbare Leger des Heils aanspannen, zoiets doe je toch niet?

Meer dan een half jaar na dato weet ik nog altijd niet waarom ik ben ontslagen, en feitelijk blijk ik ook niet ontslagen te zijn. Om iemand te ontslaan moet een ontslagvergunning aangevraagd worden bij het UWV. Als ik niet met het ontslag akkoord zou gaan dan komt de zaak automatisch voor de rechter zodat ik alsnog mijn kant van de zaak kan belichten. Daar had het Leger des Heils kennelijk geen zin in. Regelmatig krijg ik nog altijd, wellicht tot het einde van mijn leven, “Intercom, Magazine van het Leger des Heils” toegestuurd. Ik ben in dienst van het Leger des Heils, maar als Flex-werker wordt ik nooit meer opgeroepen.

www.froes.dds.nl

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl