Raken de hulpbronnen op? Welnee!

Door Karel Beckman

10 april 2011

Hoe logisch de theorie van de oprakende hulpbronnen ook lijkt, in de geschiedenis is er geen enkel bewijs voor te vinden.

In het verleden is er talloze malen geroepen dat de maatschappij ineen zou storten als gevolg van de uitputting van 'essentiële' grondstoffen. De 'crises' uit het verleden vertonen een zelfde patroon. Een (dreigend) tekort leidt tot een hogere prijs, hetgeen leidt tot efficiënter gebruik, hogere produktie en de ontwikkeling van substituten.

In de 16de eeuw was er in Europa een houtcrisis, die leidde tot de ontwikkeling van steenkool. In de vorige eeuw werd er in Engeland algemeen van uitgegaan dat de industriële revolutie tot staan zou worden gebracht door de uitputting van de steenkoolvoorraad. Nu, anderhalve eeuw zwelgende consumptie later, zwemmen we niet alleen in de steenkool, we hebben er ook nog aardolie, aardgas en kernenergie bijgekregen.

De winning van aardolie kwam eveneens tot ontwikkeling als gevolg van een grondstoffen-'crisis'. Als smeermiddel en voor verlichting werd in de 19de eeuw walvistraan gebruikt. In het midden van de vorige eeuw leidde de toegenomen vraag naar olie en de achteruitgang van de walvisvangst tot een regelrechte traancrisis, die weer leidde tot de eerste succesvolle aardolieboring in 1859 in Titusville in de Amerikaanse staat Pennsylvania.

De rest van het verhaal is bekend. (Niet dat de 'experts' zo snel overtuigd waren: in 1891 verklaarde de Amerikaanse Geologic Survey nog dat er 'nauwelijks of geen kans' bestond dat er olie zou worden gevonden in Texas. Dezelfde Geologic Survey verklaarde in 1974 dat de voorraad aardgas nog slechts tien jaar mee zou kunnen. Volgens de American Gas Association is er op het ogenblik nog genoeg aardgas voor 1000 à 2500 jaar.)

Uiteindelijk is de prijs het bewijs: als de natuurlijke hulpbronnen in de loop der tijden schaarser zouden zijn geworden, zouden ze ook duurder zijn geworden. Het tegendeel is het geval. De Amerikaanse econoom Julian Simon heeft aangetoond dat vrijwel iedere grondstof - ondanks de groei van de bevolking en de welvaart - in de loop van de geschiedenis goedkoper is geworden.

Milieuvrienden zullen tegenwerpen dat de mensheid tot nu toe weliswaar steeds heeft weten te ontsnappen aan de economische ondergang, maar dat het in de toekomst ('als we zo door blijven gaan') weleens mis zou kunnen lopen. Een dergelijk argument is in principe niet falsifieerbaar. Maar dat het waar is, is niet erg waarschijnlijk. Ten eerste is er wat de meeste hulpbronnen betreft de eerstvolgende eeuwen geen schaarste in zicht. Ten tweede is de belangrijkste hulpbron - energie - oneindig.

Hoe staan we ervoor met onze grondstoffenvoorraden? Wat de metalen betreft, de twaalf belangrijkste, die samen goed zijn voor 99,9 procent van het wereldverbruik, kunnen volgens een onderzoek van het Amerikaanse Hudson Institute, worden ingedeeld in twee categorieën: 'waarschijnlijk onuitputtelijk' en 'zeker onuitputtelijk'. 95 procent van het wereldverbruik komt voor rekening van vijf metalen (ijzer, aluminium, magnesium, titanium en silicium) waarvan de voorraden nagenoeg onuitputtelijk zijn.

Verreweg de twee belangrijkste metalen zijn ijzer en aluminium, omdat die in de meeste toepassingen andere metalen kunnen vervangen. (Aluminium kan bijvoorbeeld worden gebruikt als substituut voor koper bij de geleiding van elektriciteit.) Hoeveel ijzer en aluminium is er op de wereld?

Een methode die door economen wordt gebruikt om de beschikbare hoeveelheid van een grondstof te schatten is om 0,01 procent te nemen van de hoeveelheid die naar schatting aanwezig is in de bovenste duizend meter van de aardkorst en dit te delen door het huidige verbruik.

Op basis van deze methode kunnen we met ijzer nog 2.657 jaar toe en met aluminium nog 69.066 jaar. (Als je kijkt naar de totale hoeveelheid die naar schatting aanwezig is in de aardkorst gedeeld door het jaarlijkse verbruik dan is de hoeveelheid ijzer voldoende voor 1815 miljoen jaar en aluminium 38,5 miljard jaar.)  Over recycling hebben we het dan nog niet eens. Zoals de econoom Max Singer van het Hudson Institute vaststelt, 'met betrekking tot de beschikbaarheid van metalen op de zéér lange termijn, is het belangrijkste gegeven dat de voorraden ijzer en de bronnen van aluminium zo buitengewoon groot zijn [...] dat het onmogelijk is om je voor te stellen dat ze ooit uitgeput zullen raken.'

Andere belangrijke grondstoffen zijn kalk, cement, fosfaat, gips, kaliumcarbonaat en zwavel. De minst beschikbare van deze mineralen is kaliumcarbonaat. In 1970 was de bekende voorraad kaliumcarbonaat vijfhonderd keer de totale consumptie in de voorgaande twintig jaar. Verder gebruiken we grote hoeveelheden klei, zout, bariet en natriumcarbonaat. Dit zijn allemaal alomtegenwoordige grondstoffen. Geen enkele hiervan kost ons meer dan een paar gulden per persoon per hoofd van de bevolking per jaar.

In een artikel in Science kwamen H.E. Goeller en A.M. Weinberg tot de volgende conclusie:
 

'Op drie belangrijke uitzonderingen na - fosfor, enkele sporenelementen die in de landbouw worden gebruikt en energie-producerende fossiele brandstoffen (CHx) - kan de maatschappij voortleven op basis van onuitputtelijke of nagenoeg onuitputtelijke mineralen met een relatief weinig lagere levensstandaard. De maatschappij zou dan grotendeels gebaseerd zijn op glas, plastic [gemaakt uit koolstof in kalk en waterstof in water], hout, cement, ijzer, aluminium en magnesium [...] Het is niet waarschijnlijk dat slinkende minerale hulpbronnen, met uitzondering van koolstof en waterstof, zullen leiden tot een malthusiaanse catastrofe.

Maar de uitzondering is van groot belnag: de mensheid moet een alternatieve energiebron ontwikkelen. Bovendien is het van immens belang om de kosten van energie laag te houden. In het Tijdperk van de Vervangbaarheid is energie de ultieme grondstof. De levensstandaard zal vrijwel zeker voornamelijk afhangen van de kosten van energie.'

Wat de energie betreft zijn Goeller en Weinberg echter ook niet pessimistisch:
 
'Door middel van een combinatie van kweekreactoren, kernfusie, zonne-energie en aardwarmte zal het mogelijk zijn om "bevredigende onuitputtelijke energiebronnen" te ontwikkelen tegen kosten waarvan de maatschappij niet wakker zal liggen.'

Hoewel het ritueel wil dat de 'uitputting van natuurlijke hulpbronnen' nog steeds een plaatsje krijgt in de meeste rijtjes milieuproblemen, maken in welingelichte kringen weinigen zich nog zorgen over dit gevaar. Een paniekerige voorpaginatekst als 'Are we running out of everything?', die op 19 november 1973 op de omslag van Newsweek prijkte, is vandaag de dag ondenkbaar.

In 1984 verklaarde de Wereldbank in het World Development Report dat 'natuurlijke hulpbronnen geen belangrijke reden zijn om bezorgd te zijn over bevolkingsgroei'. De Amerikaanse National Academy of Sciences gaf in 1986 een rapport uit, waarin werd verklaard, 'de schaarste aan eindige hulpbronnen vormt hooguit een kleine beperking van de economische groei op de korte en middellange termijn [...] Al met al zijn wij van mening dat de bezorgdheid om de invloed van snelle bevolkingsgroei op de uitputting van grondstoffen in het verleden vaak is overdreven.'

De tweede en belangrijkste reden dat de mensheid zich ook in de toekomst geen zorgen hoeft te maken over de uitputting van natuurlijke hulpbronnen is het simpele, maar niet op waarde geschatte feit dat energie (naar menselijke maatstaven) oneindig is. (De eerder genoemde voorbeelden - kweekreactoren, kernfusie, zonne-energie en aardwarmte - spreken wat dat betreft voor zich.) En zoals Goeller en Weinberg opmerkten, 'in het Tijdperk van de Vervangbaarheid is energie de ultieme grondstof.'

Julian Simon noemt energie de 'master resource' (oftewel 'de moeder der hulpbronnen'), omdat 'energie ons in staat stelt om materialen in andere materialen om te zetten. Zo zouden lage energiekosten mensen in staat stellen om enorme hoeveelheden bruikbaar land te creëren.

De energiekosten zijn de voornaamste reden dat ontzilting te duur is voor algemeen gebruik; een verlaging van de energiekosten zou ontzilting haalbaar maken en er zou geïrrigeerde landbouw ontstaan op veel plaatsen waar nu woestijn is.'
 

Deze tekst is afkomstig uit het boek 'Het Broekaseffect bestaat niet, de mythe van de ondergang van het milieu' van Karel Beckman. Hoewel het boek dateert uit 1992 heeft de inhoud weinig aan zeggingskracht ingeboet.

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl