Overheid geeft 100 miljoen uit om de productie te verlagen

Door Molinari

25 maart 2010

De vertaling van een persbericht.

De overheid heeft besloten om honderd miljoen uit te geven aan het afremmen van de economie. Bedrijven en burgers zullen binnenkort extra belast worden. Daarbovenop zal de financiering aan bedrijven worden beperkt.

Het bericht luidde uiteraard iets anders. De naakte waarheid zou toch wel erg hard overkomen. Er werd gesteld dat er honderd miljoen euro beschikbaar wordt gesteld aan de bouw. Dat klinkt weer als een mooi bericht. Maar het is de halve waarheid. De overheid heeft zelf geen geld en dus kan ze alleen maar schuiven aan de knoppen.

Ze kan dus niet daadwerkelijk bedrijven stimuleren. Ze kan slechts de ene bedrijfstak voortrekken ten opzichte van de andere bedrijfstak. Of als ze leent de huidige generatie bevoordelen ten koste van de kinderen die na ons komen.

Stimuleren door de overheid betekent eigenlijk afremmen.
In het hele proces gaat ook het nodige geld verloren. Er zijn de kosten voor de overdrachten. De kosten voor het productieproces dat verstoord wordt. En natuurlijk de rente op de schuld die gemaakt wordt. Er gaat dus nog een flinke hoeveelheid geld over de balk.

Als de bouw dus netto honderd miljoen ontvangt dan moeten anderen dus honderd miljoen plus nog wat extra betalen. En dat kan aardig oplopen. Zeker als de overheid schulden moet maken om de 'stimulering' te betalen. Dan in plaats van honderd miljoen te betalen, betalen we jaarlijks de rente op de schuld. En omdat de staatsschuld nooit kleiner wordt, wordt dus een veelvoud van de honderd miljoen betaald. Stimuleren is dus eigenlijk afremmen.

We betalen nu al fors voor alle stimuleringen die in het verleden gedaan zijn. Ongeveer twaalf miljard per jaar betalen we nu al voor in het verleden gedane schade. Dat komt neer op 1500 euro per belastingbetaler per jaar. Dat is al een significant deel van de totale uitgaven. De schuld loopt voorlopig verder op en dat zal de kosten verder doen stijgen. Daarbij komt nog dat beleggers worden bedolven onder de staatsobligaties. Daardoor is het risico op rentestijgingen ook hoog. Dat maakt het voor bedrijven moeilijk om aan geld te komen.

Als er gezegd wordt stimuleren dan moet je denken aan belasten en lenen. Denk daarbij aan de grotere schuld en de onvermijdelijk oplopende belastingen. Een overheid die in de toekomst steeds minder levert voor meer geld. Dat is de prijs die betaald wordt voor stimuleren.

Het IMF laat nu ook weer weten dat overheden op moeten letten met uitgeven. Niet alleen Nederland, maar bijna alle westerse landen hebben problemen met de schuldenlast. De situatie is nu erger dan vlak na de Tweede Wereldoorlog en dat was een dieptepunt in de geschiedenis. En de overheden zijn nog niet klaar met uitgeven en stimuleren.

De ernst van de situatie wordt ernstig onderschat.
De ernst van de situatie wordt naar mijn mening ernstig onderschat. Op het monetaire vlak zijn er risico's van oplopende rente en inflatie. Maar de echte economie zal het ook zwaar krijgen. Het bedrijfsleven en de werknemers daar moeten straks flink betalen voor de staatsschuld. De Nederlandse exportbedrijven kunnen in sommige branches misschien meer vragen dan de rest van de wereld. Dat kan bijvoorbeeld als je medicijnen maakt of andere unieke technologie. Maar de meeste branches hebben te maken met felle concurrentie. Denk aan de bloementeelt, vlees en landbouwproducten. Met slimme technieken weet Nederland de kosten laag te houden. Maar deze slimme technieken zijn ook goed toe te passen in een lagelonenland. De bediening van de apparaten wordt vaak niet gedaan door hoogopgeleid personeel. Deze technieken worden hier toegepast omdat ze hier als eerste werden bedacht. Het bedenken kan alleen met hoog opgeleid personeel. Het gebruik van de techniek is vaak stukken eenvoudiger en kan dus ook worden geëxporteerd worden. Bedenk eens wat de gevolgen zullen zijn voor de exporterende bedrijven in Nederland. Deze kunnen deze strijd niet overleven als zij te maken krijgen met hoge kosten in de vorm van belastingen, heffingen en uiteraard regelgeving. Het alternatief is vetrekken naar een land met een beter belastingklimaat. En dat zullen deze bedrijven ook zeker doen.

De bewegingsruimte van de overheid wordt overschat. Er moet nu flink worden bezuinigd. Als de belastingen niet omhoog gaan moet er 39 miljard worden bezuinigd volgens minister de Jager. Dat betekent dus minder voorzieningen voor hetzelfde geld. De productie wordt daardoor minder efficiënt. Er gaat nog steeds net zoveel geld of meer naar de overheid maar er komt steeds minder voor terug. Voor echte groei zullen de belastingen moeten dalen.

De stimuleringen brengen de overheid in een onmogelijke positie. In de toekomst zullen de de belastingen omhoog moeten. Maar de internationale concurrentieverhoudingen zijn momenteel erg scherp. In de toekomst verwacht ik dat de schade die belastingverhogingen toebrengen aan de economie daardoor zullen toenemen. Een euro die opgebracht moet worden door een bedrijf dat verwikkeld is in een felle concurrentiestrijd telt extra zwaar.

De oplossing ligt in een stabiele munt en dalende overheidsuitgaven.
Maar wat moeten we dan doen? We hebben rekening te houden met monetaire en reële factoren. Ten aanzien van de monetaire sfeer zien we problemen met de enorme schuldenlast die maar blijft groeien. De centrale banken moeten daarom stoppen met het stimuleren van kredietverlening in de private sector. En overheden zullen de financieringstekorten moeten terugdringen. Dus een stabiele munt en dalende overheidsuitgaven.

Daarnaast moet het bedrijfsleven de kans krijgen om te concurreren. Dat betekent dat de belastingen fors omlaag moeten. Momenteel zijn er nog partijen die belastingverhogingen voorstellen. Dit is een aantasting van de concurrentiepositie die de zwakke economie niet kan dragen. Ook al verpak je deze belastingverhoging als milieuheffing dan maakt dat voor de concurrentieverhouding geen verschil. De naam van de belasting maakt de belasting niet minder verstorend.

Maar zelfs als de heffing van de belasting niet schadelijk was, dan is nog de vraag waarom de bouw 100 miljoen krijgt. Op welke grond hebben de medewerker uit de bouwsector recht op de middelen van werknemers uit andere sectoren? Waarom moet een schoonmaker een bouwvakker subsidieëren? De schoonmaker heeft recht op zijn eigen bezittingen en daar moet een ander van afblijven. Een ander zou geen recht moeten hebben over zijn bezittingen.

Een democratie is een moloch die onbestuurbaar is door het complexe web van belangen.
Maar laat ik eens meegaan in de sociaal-democratische denkwijze. De zwakkeren moeten dus gesteund worden. Maar hier worden geen zwakkeren gesteund. Hier wordt een bedrijfstak bevoordeeld ten opzichte van anderen op volstrekt willekeurige gronden. Hier zien we dus corporatisme de kop op steken. Bepaalde bedrijven en groepen worden bevoordeeld ten opzichte van anderen.

Het stimuleringsbeleid van de overheid moet ergens van betaald worden. Dat betekent dus niet stimuleren, maar de ene groep voortrekken ten opzichte van een andere groep. Dit gaat enorme kosten met zich meebrengen en met name de EU zal de rekening hiervoor moeten betalen. De concurrentieverhoudingen zijn te scherp voor een grote overheidslast. De zaken gaan nog steeds de verkeerde kant op. En het duurt te lang voordat er een ommekeer komt. Een democratie is een moloch die onbestuurbaar is door het complexe web van belangen. Een kleinere overheid is zelfs in tijden van grote urgentie haast onmogelijk.

Marcel Meijer

Over de auteur

Molinari is een alias refererend naar Gustave de Molinari, een Belgische econoom uit de 19de eeuw.

De Molinari was een van de eerste economen die voorstander was van de privatisering van politie- en defensietaken.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl