Het failliet van het interventionisme - Deel 5

Door Karel Beckman

24 maart 2010

Voor de “Oostenrijkse” analyse van de conjunctuurcyclus bestaat overvloedig empirisch bewijs.

Zoals hierboven al beschreven ging de crisis van 1929 vooraf door een grootscheepse monetaire expansie. Ook aan de recessies die in de VS plaatsvonden in de 19e eeuw, bijvoorbeeld in 1819, 1837, 1857 en 1873, gingen zonder uitzondering massale monetaire manipulaties vooraf. Er was in die tijd nog geen centrale bank, maar er was wel een overheid die de geldhoeveelheid manipuleerde en die banken in staat stelde om meer geld uit te lenen dan ze binnenkregen. (Zie Murray Rothbard, What has government done to our money)

Aan de crisissen van 1929, 2000 en 2008 gingen grootscheepse monetaire expansies vooraf.
Ook in de periode voorafgaand aan de dotcom-recessie van 2000, pompte de Federal Reserve bank grote hoeveelheden geld in de economie. Datzelfde gebeurde, zoals gezegd, in de periode 2001-2004. Telkens leidden de geldinjecties tot “booms” die omsloegen in recessies op het moment dat aan de kredietexpansie noodgedwongen een einde werd gemaakt en de rente werd verhoogd.

Een ander interessant voorbeeld is Japan, dat al sinds 1990 in een recessie verkeert. Ook aan die recessie ging een sterk expansionistisch monetair beleid vooraf. De Japanse centrale bank bracht de belangrijkste rente terug tot 2,5% in 1986. Vervolgens werd de geldhoeveelheid met 10,5% per jaar verhoogd tot 1990. De hierdoor veroorzaakte hausse eind jaren tachtig ‘moedigde consumenten aan om uit te geven en bedrijven om te investeren zoals ze nog nooit eerder hadden gedaan’, meldde het blad de Economist. Toen de Japanse overheid de rente weer opvoerde en de inflatie beteugelde, stortte de “boom” in.

Als de Oostenrijkse analyse correct is, is de vraag: wat moeten we doen om een einde te maken aan de recessie? Welnu, precies het tegenovergestelde dan wat de “Keynesianen” voorschrijven. De “Keynesiaanse” remedie voor de recessie is, zoals we hebben gezien, om de vraag te stimuleren: (weer) geld in de markt te pompen, de rente te verlagen, de overheidsuitgaven op te voeren. Het zijn de recepten die in de huidige crisis ook weer worden geadviseerd door de hedendaagse gevestigde economen en die door beleidsmakers en politici (met name in de VS en Groot-Brittannië) keurig worden opgevolgd.

Economen van de Oostenrijkse School schrijven als remedie voor de recessie precies het tegenovergestelde voor als de Keynesianen.
Nu hebben de “Keynesianen” wel een extra argument voor dit beleidsadvies. Zij voeren namelijk aan dat er in een periode van recessie, zoals nu, geen sprake kan zijn van een “oververhitting” van de economie en een inflatoire spiraal. De situatie zoals ik die hierboven heb beschreven, kan volgens niet van toepassing zijn, omdat immers veel productiemiddelen (kapitaal, grondstoffen en arbeid) in een recessie niet worden gebruikt. Fabrieken liggen stil, arbeiders zijn werkloos. Als je dus nu geld in de economie pompt, leidt dat volgens de gangbare economische inzichten niet tot inflatie of verdringingseffecten. Met andere woorden, de economie kunstmatig stimuleren mag best, maar alleen in een recessie.

Deze redenatie lijkt aannemelijk, maar is fundamenteel onjuist. Het probleem ervan is dat hij “in het midden” begint. De economen constateren dat er sprake is van “vraaguitval”, en dus, zeggen ze, de vraag moet worden gestimuleerd. Zij beschouwen de vraaguitval in feite als een oorzaak van de recessie, terwijl dit in werkelijkheid een gevolg is, een symptoom van de recessie. Een stimuleringsbeleid is dan ook een vorm van symptoombestrijding.

Om het anders te zeggen, de Keynesiaanse econoom stelt dat in een “evenwichtssituatie” in de vrije markt (de situatie waarbij alle productiemiddelen, inclusief arbeid, min of meer volledig worden benut) er plotseling een situatie kan ontstaan waarin sprake is van massale vraaguitval, die vervolgens leidt tot een recessie. Maar de vraag is natuurlijk, waar komt die vraaguitval vandaan? Keynes beantwoordt deze vraag nergens in zijn General Theory. Hij heeft in feite geen theorie die recessies verklaart. Hij gelooft dat er simpelweg conjunctuurcyli bestaan, die met een vaste regelmaat terugkomen, en min of meer uit het niets verschijnen. ‘Het ligt in de aard van investeringsmarkten’, schrijft hij, ‘dat – onder invloed van kopers die grotendeels onwetend zijn van wat zij kopen en van speculanten die meer aandacht hebben voor het voorspellen van de volgende verandering in het marktsentiment dan voor een redelijke inschatting van het toekomstige rendement van kapitaalgoederen – wanneer desillusie een overoptimistische en overvraagde markt overvalt, zij met een plotselinge en zelfs catastrofale kracht instort …’

Keynes heeft geen verklaring voor recessies omdat ie nergens de vraag beantwoordt waarom er opeens een massale vraaguitval in de economie voorkomt
In werkelijkheid worden depressies echter nooit vooraf gegaan door vraaguitval. Ook aan de huidige crisis ging geen vraaguitval vooraf – de vraag zakte pas in nadat de crisis was losgebarsten. De oorzaak van de crisis is het monetaire expansiebeleid van de Staat – en de crisis kan dan ook uiteindelijk maar “duurzaam” worden bestreden door dat beleid te veranderen.

Dit neemt natuurlijk niet weg dat het heel goed mogelijk is om de crisis tijdelijk te bezweren met stimuleringsmaatregelen. Symptoombestrijding kan best “werken”, in de zin dat symptomen worden weggenomen en dus de ziekte even weg is. Er is een recessie, we pompen geld in de economie, bedrijven kunnen weer investeren, arbeiders kunnen aan het werk – de problemen lijken verholpen. Maar dat is schijn. Het onderliggende probleem is niet aangepakt. De ziekte keert net zo hard weer terug. Of harder.

Wat onze economen en beleidsmakers (en veel burgers en bedrijven) niet onder ogen willen zien is dat de recessie het proces is waarbij scheefgroei (verkeerde en overmatige investeringen én overconsumptie) wordt gecorrigeerd. De recessie is nodig om de economie weer in balans te brengen, dat wil zeggen, om de inzet van het beschikbare kapitaal, arbeid en grondstoffen weer in overeenstemming te brengen met de werkelijke behoeften én mogelijkheden van personen en bedrijven. Niet de recessie is slecht, de zeepbel was slecht. De recessie doet wel pijn, veel pijn – maar dat is iets anders.

De recessie heeft tot gevolg dat consumenten die massaal op krediet hebben gekocht – meer hebben geconsumeerd dan geproduceerd – hun consumptie moeten aanpassen. Dat is nodig: mensen kunnen niet doorgaan met teveel consumeren, dat wil zeggen, meer consumeren dan ze produceren, zoals de Amerikaanse consumenten hebben gedaan.

Bedrijven die verkeerde investeringen hebben gepleegd, teveel hooi op hun vork hebben genomen, in onrendabele activiteiten zijn gestapt, zullen de tering naar de nering moeten zetten en weer trachten te produceren wat de markt vraagt tegen prijzen die de markt wil betalen.

De scheefgroei in de productiestructuur veroorzaakt door monetaire expansie wordt in een recessie rechtgetrokken en gaat daarbij onvermijdelijk gepaard met werkloosheid.
Deze periode van aanpassing gaat onvermijdelijk gepaard met werkloosheid. Ondernemers hebben tijd nodig om hun activiteiten en productiemiddelen opnieuw te organiseren, en om weer kapitaal op te bouwen; consumenten hebben tijd nodig om hun uitgaven in balans te brengen met hun inkomsten, om hun vermogens weer op te bouwen – jawel, om te sparen. Niets wordt door de Keynesiaanse econoom meer gevreesd dan dan dat bedrijven en consumenten sparen – maar niets is harder nodig om de economie weer gezond te maken. De oorzaak van de recessie is namelijk niet een tekort aan “vraag”, maar een tekort aan kapitaal. Dat kapitaal is in de “boom” periode verspild. Bedrijven moeten hun kapitaal weer aanvullen voordat ze kunnen investeren en dat kan alleen als bedrijven en consumenten sparen.

Als er in deze fase, zoals de Keynesiaanse beleidsmakers voorschrijven, opnieuw kunstmatig krediet in de economie wordt gepompt, leidt dit ongetwijfeld tot een tijdelijke opleving van de economie. Maar door de overheid gedrukt papieren geld is niet hetzelfde als kapitaal. Het is “lucht”, waar je uiteindelijk niets mee kunt. Je kunt er niet mee produceren. Wat er gebeurt bij nieuwe geldinjecties is dat er een nieuwe ronde start van onevenwichtigheden in de economie – op precies dezelfde manier als de eerdere kredietexpansie dat heeft gedaan. Er ontstaat meer scheefgroei. Er worden opnieuw onrendabele activiteiten opgestart die werkelijk welvaartsverhogende activiteiten verdringen. Er ontstaat opnieuw inflatie.

Neem het klassieke voorbeeld van Keynesiaanse recessiebestrijding: de overheid zet werklozen in om nutteloze publieke werken te bouwen en betaalt ze met vers gedrukt geld. De ex-werklozen besteden dat geld uiteraard. Dit zou volgens de gangbare leer de economie moeten ‘aanzwengelen’. En inderdaad, er wordt meer besteed bij de McDonald’s of in de supermarkt. Maar tegelijkertijd worden middelen en materialen verspild aan nutteloze activiteiten. Hierdoor wordt de prijs van die middelen opgedreven. Daar hebben andere bedrijven last van. Laten we zeggen dat de werklozen sloten graven en weer dichtgooien. Hierdoor wordt de prijs van graafmachines hoger. Boeren zien hun productiekosten stijgen (als we even aannemen dat ze met graafmachines werken). McDonald’s heeft hamburgers verkocht, maar moet zijn voorraad weer aanvullen, dus vlees inkopen bij de boeren. Dat vlees is duurder geworden. De winstmarge van McDonald’s wordt gedrukt; ze kunnen minder mensen aannemen, de werkloosheid stijgt weer.

Een economie kan niet groeien door consumptie.
Dit is uiteraard een gesimplificeerd voorbeeld. Maar hoe groot en complex een economie ook is, het fundamentele punt blijft overeind: je kunt een economie niet laten groeien door consumptie. Geld drukken en aan mensen geven die niets nuttigs doen is een vorm van consumptie, geen productie. Je kunt geen welvaart creëren door consumptie te bevorderen. Nogmaals – als dat wel zou kunnen, zouden er geen economische problemen zijn.

Maar zaten die werklozen niet thuis dan en werd hun werkkracht dus niet benut? Hoe kan het dan verkeerd zijn om die werkkracht in te zetten? Beter dat ze iets doen dan niets, toch? Nee, het is beter dat ze niets doen dan dat ze middelen verspillen en daarmee de prijzen van die middelen opdrijven. En ook de arbeidskosten worden opgedreven door het geld dat de overheid aan de werklozen betaalt. We mogen althans aannemen dat ze meer geld krijgen als ze aan het werk gaan dan dat ze thuis zitten. Daardoor worden de arbeidskosten voor alle bedrijven opgedreven. Dit terwijl het nodig is dat de prijzen van arbeid en middelen dalen tot op het punt waarop het weer lonend wordt voor bedrijven om nieuwe productieve activiteiten te ondernemen. Het bouwen van nutteloze publieke werken verhindert dit proces alleen maar.

Kan de overheid dan niets doen? Weinig. Het kan zinvol zijn om investeringen in rendabele publieke activiteiten naar voren te halen. Dat kan iets helpen, niet veel. En er zijn andere manieren om werkelijke groei te bevorderen dan geld in de economie pompen, bijvoorbeeld door het overheidsbudget terug te schroeven en belastingen te verlagen, en door bureaucratie en regeldruk te verminderen. Verder zal de crisis moeten uitwoeden, voordat de economie weer kan worden opgebouwd, op gezonde fundamenten.

De overheid kan in een recessie helpen door het overheidsbudget terug te schroeven en belastingen, bureaucratie en regeldruk te verminderen.
Maar als we niets doen, zal de Keynesiaanse econoom-beleidsmaker tegenwerpen, ontstaat er “deflatie”! Als er iets is dat door de Keynesiaanse econoom nog meer wordt gevreesd dan spaarzin is het wel “deflatie”. Het is het spookbeeld dat ons voortdurend wordt voorgehouden om nieuwe stimuleringsmaatregelen erdoor te drijven. Als we niet pompen, verzuipen we in de deflatie! Het einde van de wereld!

Onzin. Deflatie is niet eng; integendeel, het is nodig om de zieke economie op de been te krijgen. Lagere lonen dragen bij aan de werkgelegenheid en lagere prijzen (van grondstoffen, materialen, huizen, enzovoort) drukken de kosten en helpen burgers en bedrijven bij het noodzakelijke aanpassingsproces. Het idee dat (permanente) inflatie “goed” is, zoals onze monetaire autoriteiten ons willen doen geloven, is waanzin. Voor sommigen is het goed, ja, voor anderen niet. Voor sommigen is het goed als de huizenprijzen stijgen – voor anderen niet. Voor werknemers is het goed als de lonen stijgen, voor werkgevers hoeft dat niet zo te zijn. Voor werklozen ook niet trouwens. Lagere prijzen zijn gunstig voor al die mensen die werkloos raken en minder inkomsten hebben, mensen die van een pensioen moeten leven, mensen die hebben gespaard en weinig schulden hebben gemaakt, werkgevers die hun mensen liever niet ontslaan, instappers op de woningmarkt. Waarom moeten deze mensen boeten voor het onverantwoordelijke gedrag van centrale en andere bankiers die de markt hebben overvoerd met ongedekt papieren geld en mensen en bedrijven die zich zwaar in de schulden hebben gestoken?

Onze Keynesiaanse economen doen het voorkomen alsof door dalende prijzen de hele economie wordt bedreigd. Dat is nergens op gebaseerd.
Onze Keynesiaanse economen doen het voorkomen alsof door dalende prijzen de hele economie wordt bedreigd. Dat is nergens op gebaseerd. Er zijn genoeg perioden in de geschiedenis geweest die werden gekenmerkt door gestaag dalende prijzen – zonder dat economieën instorttten. Er zijn ook genoeg sectoren die, dankzij voortdurende innovatie en investeringen, worden gekenmerkt door gestaag dalende prijzen. Toch zijn er in deze sectoren genoeg winstgevende bedrijven actief en wordt er door consumenten genoeg geld uitgegeven aan producten die een tendens hebben om te dalen in prijs.

De hele deflatie-discussie is de wereld op zijn kop. Als bijvoorbeeld de grondstofprijzen stijgen, wordt er alom geklaagd hoe funest dit is voor de economie – en vooral hoe de armen en mensen in arme landen hierdoor worden geraakt. Als de prijzen dan dalen, zou dat dan ook weer slecht zijn? Dat mensen dit soort onzin geloven, is eigenlijk verbijsterend. Net zo goed als het verbijsterend is dat wij toestaan dat onze centrale banken de waarde van ons geld uithollen door een beleid van permanente inflatie.

Uiteraard zou het niet goed zijn als prijzen en lonen “eeuwig” door blijven dalen. Maar dat doen ze niet. Ergens is er altijd een punt waarop vraag en aanbod elkaar weer vinden. Jawel, het is daarbij ongetwijfeld van doorslaggevend belang dat burgers en bedrijven “vertrouwen” hebben in de economie, zoals ons uitentreuren wordt voorgehouden door politici en economen. Helemaal waar. Maar dat vertrouwen wordt op zichzelf niet ondermijnd door dalende prijzen. Het wordt ondermijnd door zwalkend overheidsbeleid, door geld-dronken centrale banken en overheden die voortdurend ingrijpen in de economie, de geldhoeveelheid manipuleren en gigantische schulden opbouwen, door inflatie, door geldontwaarding, door begrotingstekorten, door protectionisme, door bureaucratische willekeur. Een overheid die de markt zijn werk zou laten doen, de monetaire expansie aan banden zou leggen, de bureaucratie zou beperken, de belastingen zou verlagen, de staatsschuld zou afbouwen, begrotingstekorten zou vermijden, af zou zien van protectionistische maatregelen, en – het belangrijkste van alles – een harde (door goud gedekte) munt zou invoeren, zo’n overheid zou pas echt zorgen voor vertrouwen.

Is er iemand die gelooft dat we in de situatie zouden zitten waar we nu in zitten, als we een overheid hadden die een dergelijk beleid zou voeren?

Beleidsbepalers zijn in paniek en de weg kwijt want hun remedies zijn uitgewerkt en hun medicijnen op.
In plaats daarvan komen economen en beleidsmakers met alleen maar meer van hetzelfde – meer maatregelen die onze productiviteit uithollen, de waarde van onze bezittingen ondermijnen en onze economische vrijheid bedreigen. Er is een Nobelprijswinnaar economie (Paul Krugman) die roept dat we de crisis te lijf moeten gaan door geld uit te geven – ‘het maakt niet uit waaraan’. Er is een alom gerespecteerd hoogleraar economie en voormalig directielid van de Bank of England (Willem Buiter) die in alle ernst voorstelt om een “negatieve rente” in te voeren en vervolgens – omdat dan niemand uiteraard zijn geld nog naar de bank zou brengen – contant geld wil verbieden! Dat dit een ronduit totalitaire maatregel zou zijn, die het mensen onmogelijk zou maken datgene te doen wat zij wensen te doen in deze crisis – hun toekomst veilig te stellen door te sparen – is iets waar onze interventie-economen blijkbaar niet wakker van liggen. Maar dat dit soort voorstellen serieus wordt genomen, maakt duidelijk dat de beleidsbepalers de weg volledig kwijt zijn. En in paniek zijn. Heel erg in paniek.

Want hun remedies zijn uitgewerkt, hun medicijnen op. Zij weten – of ze het willen erkennen of niet – dat alle Keynesiaanse recepten die ze nu weer aan het proberen zijn, in de praktijk nog nooit hebben gewerkt. Japan heeft in de jaren negentig tien “stimuleringspakketten” doorgevoerd ter waarde van €800 mrd, het heeft de overheidsschuld opgevoerd tot ongekende hoogte, de rente teruggebracht tot praktisch nul en gigantische bedragen geïnvesteerd in nutteloze infrastructurele projecten. Het resultaat was een depressie die 15 jaar duurde en feitelijk nog steeds voortduurt.

Roosevelt voerde in de jaren dertig precies hetzelfde beleid – met even weinig resultaat. Of liever gezegd, met indrukwekkende resultaten: de recessie werd een depressie en de depressie werd The Great Depression.

Dit terwijl de recessie van 1920-21 door iedereen alweer is vergeten: die werd niet “bestreden” door de overheid en was snel weer voorbij.

Karel Beckman

Dit was het vijfde deel in deze serie. Vorige delen vindt u hier. Het laatste deel vindt u hier.

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl