Het failliet van het interventionisme - Deel 4

Door Karel Beckman

17 maart 2010

De “Oostenrijkse” economen Mises en Hayek zijn, in tegenstelling tot Keynes, compromisloze pleitbezorgers van de vrije markt. Zij beweren dat juist het overheidsingrijpen in de economie de oorzaak is van recessies en werkloosheid.

De heftige conjunctuurcycli, inclusief periodieke zware recessies, waaraan onze economie lijdt, worden volgens hen met name veroorzaakt door het beleid van beurtelings monetaire verruiming en verkrapping door de centrale banken en overheden.

Het idee dat consumptie de motor van de economie is, is absurd.
Om te begrijpen hoe, volgens Mises en Hayek, de manipulatie van het geldwezen doorwerkt in de reële economie, is het nodig om enkele fundamentele economische uitgangspunten in herinnering te roepen. Welvaart, stellen de Oostenrijkers, in navolging van Smith en Say, wordt verkregen door productie, niet door consumptie. Het doel van productie is ongetwijfeld consumptie, maar consumptie is alleen mogelijk indien er eerst middelen zijn geproduceerd. Dit lijkt voor de hand te liggen, maar beleidsmakers en economen, onder invloed van Keynes, gaan uit van het tegendeel. Zij denken dat je van consumeren rijker wordt. Ik heb jarenlang voor een financiële krant gewerkt en daar werd “de Amerikaanse consumptie” steevast omschreven als “de motor van de wereldeconomie” – een absurditeit. Ons begrip “economische groei” wordt deels zelfs gemeten in “consumentenbestedingen”, al even misleidend. Uiteraard betekent welvaart het vermogen om te consumeren, en kun je zeggen dat hoe meer je consumeert, hoe welvarender je bent; in die zin is consumptie een gevolg van economische groei. Maar dat neemt niet weg dat je van consumeren niet rijker wordt, maar armer. Je kunt alleen blijven consumeren als je blijft produceren.

Het centrale economische vraagstuk is dan ook een productievraagstuk, namelijk hoe schaarse middelen – kapitaal, arbeid en grondstoffen – zo effectief mogelijk kunnen worden ingezet om producten (en diensten) te creëren die voldoen aan de behoeften van mensen. Dit is de enige manier om welvaart te creëren.

Het is bekend – Adam Smith en anderen hebben dit omstandig beschreven – dat mensen hun productieve vermogens enorm kunnen vergroten door zich te specialiseren en vervolgens hun producten en diensten met elkaar uit te wisselen. Dit proces wordt vergemakkelijkt door het gebruik van geld. Maar geld is in dit proces niet meer dan een ruilmiddel. Méér geld in een economie pompen leidt dan ook niet tot meer productie of meer welvaart. Hoeveel ruilmiddelen je ook in het economische systeem stopt, dat verandert niets aan de beperkte hoeveelheid productiemiddelen die je ter beschikking staan om welvaart te produceren.

De enige manier om de productiecapaciteit te vergroten is door consumptie uit te stellen – door sommige middelen niet te consumeren, maar te sparen. Dit is een cruciaal punt. Sparen doe je door minder te consumeren dan je produceert. Sparen is de basis van kapitaalsvorming; met kapitaal kunnen investeringen worden bekostigd in nieuwe productieprocessen, waarmee een hogere productie en dus een hogere welvaart kan worden bereikt. Naarmate er in een economie meer wordt gespaard, zijn er meer middelen beschikbaar om kapitaalgoederen te produceren (goederen waarmee consumentenproducten worden gemaakt), en, zolang dit proces doorgaat, om steeds ‘complexere’ kapitaalgoederen te maken, met andere woorden, om de productieketen steeds verder te verlengen. Door het verlengen van die productieketen wordt uiteindelijk een hogere productie van consumentengoederen mogelijk gemaakt. Voordat iemand in een vissersgemeenschap visnetten kan gaan maken, moeten er vissers zijn die niet al hun eigen vis opeten, maar een deel van hun vangst afstaan aan de makers van visnetten. Of, om een ander voorbeeld te geven, de industriële revolutie in Engeland werd vooraf gegaan door een scherpe stijging van de landbouwproductie – die maakte het mogelijk dat een flink deel van de bevolking zich niet meer hoefde bezig te houden met het produceren van voedsel. Hoe complex een economie ook wordt, dit verandert niets aan het principe dat vergroting van de productie alleen mogelijk is door consumptie uit te stellen.

De enige manier om de productiecapaciteit te vergroten is door consumptie uit te stellen, door te sparen.
Is er een reden om aan te nemen dat dit economische proces, als het aan de krachten van de vrije markt wordt overgelaten, in het honderd loopt, zoals gebeurt in een recessie? Ondernemers (kapitalisten) moeten voortdurend inschattingen maken over de behoeften die er bestaan in de markt en over de middelen die beschikbaar zijn om die behoeften te vervullen. Natuurlijk komt het voor dat ondernemers de behoeften in de markt, of de middelen die zij nodig hebben voor hun productie, verkeerd inschatten, en dat ze failliet gaan of hun activiteiten moeten inkrimpen. Maar een recessie kenmerkt zich door het gegeven dat bijna alle ondernemers tegelijkertijd de markt verkeerd blijken te hebben ingeschat. Hoe is dat mogelijk?

Het belangrijkste hulpmiddel dat ondernemers hebben bij hun economische beslissingen, zijn marktprijzen. Prijzen vormen in een vrije markt de belangrijkste indicatoren van de beschikbaarheid van productiemiddelen en de behoeften van mensen. Investeringsbeslissingen hangen daarbij nauw samen met de prijs van kapitaal, dat wil zeggen, de rente. Hoe meer kapitaal er is gespaard, hoe lager de rente zal zijn. Een lage rente vormt zo een signaal dat er veel middelen beschikbaar zijn die niet zijn geconsumeerd en die daardoor kunnen worden gebruikt voor investeringen in productie. Bij een hoge rente geldt het omgekeerde. Als er sprake is van efficiënte prijsvorming in de kapitaalmarkt, is het derhalve op voorhand uitermate onwaarschijnlijk dat kapitalisten zich massaal vergissen in hun investeringsbeslissingen.

Geldcreatie verstoort de werking van het prijsmechanisme.
De situatie verandert echter drastisch wanneer de overheid zich ermee gaat bemoeien door (al dan niet via de centrale bank) geld uit het niets te creëren en in de economie te pompen of, wat op hetzelfde neerkomt, een renteverlaging af te dwingen. Wat er dan gebeurt is dat bedrijven (en consumenten) massaal op het verkeerde been worden gezet: ze denken dat er meer kapitaal beschikbaar is (er is inderdaad ook meer geld beschikbaar, maar dat is niet hetzelfde), dan er in werkelijkheid is, en gaan teveel

investeren (of, in het geval van consumenten, uitgeven). Dit leidt in eerste instantie tot een hausse, die echter niet in stand kan worden gehouden, omdat vroeg of laat blijkt dat de productie- of consumptiemiddelen niet werkelijk zijn toegenomen. Als dat duidelijk wordt, klapt de zeepbel en is de recessie een feit.

Dat is in het kort de “Oostenrijkse” theorie. Hoe werkt dit conjunctuurproces (“boom and bust”) nu precies volgens de Oostenrijkers? De specifieke effecten van een monetaire expansie hangen af van waar het nieuw gecreëerde geld terechtkomt in de economie. Conjunctuurcycli zien er daarom nooit helemaal hetzelfde uit. Maar laten we om te beginnen een simpel voorbeeld nemen om te zien wat er gebeurt. Stel dat de fabrikanten van oogstmachines tegen een nul-tarief geld mogen lenen, of subsidies krijgen die de Staat verkrijgt door geld uit het niets te creëren. Het gevolg zal zijn dat die fabrikanten hun activiteiten gaan uitbreiden: ze bouwen nieuwe fabrieken, nemen mensen in dienst, boeren krijgen meer oogstmachines tot hun beschikking, de landbouwproductie kan omhoog. Een win-win-win situatie! Veel “stimuleringsmaatregelen” die door de politiek worden genomen, werken op een soortgelijke manier. De vraag is, wat kan hier eigenlijk op tegen zijn? De economie wordt immers gestimuleerd. Waarom bieden we die oogstmachinefabrikanten eigenlijk niet altijd zulke gunstige investeringsvoorwaarden? (En alle andere bedrijven ook!?)

Geldcreatie leidt tot scheefgroei in de economie, waardoor welvaart juist vernietigd wordt.
Aan het voordeel van de oogstmachinefabrikanten zit echter een keerzijde. Het probleem is dat de lage rente of de subsidies niets veranderen aan de hoeveelheid beschikbare productiemiddelen in de economie. Er is nog steeds evenveel ijzer, staal, rubber, enzovoort, en er zijn nog steeds evenveel arbeiders. De fabrikanten van melkmachines, om een voorbeeld te noemen, moeten met de oogstmachinefabrikanten concurreren om deze middelen. Als de oogstmachinefabrikanten hun activiteiten uitbreiden, kapen zij daarmee de grondstoffen en de arbeiders voor de neus van hun concurrenten weg. De melkmachinefabrikanten worden dus gedwongen om hun eigen productie in te krimpen (waardoor het positieve effect in de oogstmachinesector teniet wordt gedaan) of (en dat is waarschijnlijker) ze moeten gaan opbieden tegen hun concurrenten, waardoor de prijzen van grondstoffen en arbeid zullen stijgen – met ook weer negatieve gevolgen voor andere fabrikanten en sectoren (en uiteindelijk voor de consument, die wordt geconfronteerd met hogere prijzen).

Hoe werkt dit uit in de praktijk? Er zijn verschillende scenario’s denkbaar, mede afhankelijk van hoe lang de oogstmachinefabrikanten aan het krediet- of subsidie-infuus mogen blijven liggen en hoe er aan de vraagkant van de markt wordt gereageerd. Als we ervan uitgaan dat boeren niet direct meer oogstmachines of minder melkmachines willen hebben, dan ligt het voor de hand dat de fabrikanten van oogstmachines al snel hun productie weer zullen moeten inkrimpen. De mini-oogstmachine-hausse slaat om in een mini-recessie. Als de boeren wel meer oogstmachines afnemen en hun productie verhogen, maar consumenten niet meer landbouwproducten afnemen, zullen de boeren merken dat ze teveel hebben geproduceerd, en dus ook moeten inkrimpen. Zo zijn er nog diverse andere scenario’s denkbaar.

Een cruciale les uit dit verhaal is niet alleen dat de verruiming van het krediet uiteindelijk niet leidde tot netto economische groei, maar ook dat hij leidde tot scheefgroei in de economie, in de zin dat schaarse productiemiddelen werden ingezet om iets te maken waar geen (of relatief te weinig) behoefte aan bleek te zijn. Er werd dus welvaart vernietigd. Schaarse middelen werden niet effectief ingezet in verhouding tot de werkelijke behoeften van mensen. De oogstmachine-crash maakt aan deze ongezonde situatie een einde en herstelt het evenwicht tussen vraag en aanbod.

Nu is het in de praktijk vrijwel nooit zo dat slechts één sector wordt bevoordeeld. Als er “nieuw geld” in de economie wordt gepompt, gaat dit meestal via de banken, en is dat in principe beschikbaar voor “iedereen”. Het is mogelijk dat de nieuwe geldstromen via de banken naar de aandelenmarkten vloeien, waardoor de koersen worden opgedreven, of bijvoorbeeld naar de hypotheekmarkt, waardoor een “boom” ontstaat op de huizenmarkt. Laten we even aannemen dat het “nieuwe geld” ter beschikking komt van “het bedrijfsleven in het algemeen”, in de vorm van een forse toename van leningen. Met andere woorden, de financiële autoriteiten voeren een ruimhartig monetair beleid, er worden geldmiddelen gecreëerd, de rente wordt kunstmatig verlaagd, banken hebben veel krediet tot hun beschikking, bedrijven kunnen makkelijk aan geld komen. Wat is hiervan het effect? Een belangrijk punt is dat het geld dat de economie in gaat, nooit bij alle bedrijven tegelijk terechtkomt. Sommige bedrijven profiteren eerst – wellicht gewoon omdat ze er snel bij zijn of omdat ze profiteren van subsidies of goede connecties. Het ligt voor de hand dat deze bedrijven nieuwe activiteiten gaan ondernemen, daar krijgen ze immers de middelen voor. Hierdoor wordt de vraag naar grondstoffen en arbeid opgedreven – de “boom” begint. Het lijkt goed te gaan met de economie.

Opnieuw geldt de vraag: wat is hier eigenlijk mis mee? De nieuwen productie-activiteiten zijn immers echt, de salarissen die werknemers krijgen zijn ook echt, we lijken dus wel degelijk rijker te worden. Maar als we er ook even vanuit gaan dat arbeid, kapitaal en grondstoffen min of meer volledig werden benut in de uitgangssituatie (een punt waarop ik hieronder terug zal komen), dan is het gevolg van de kunstmatige kredietexpansie dat andere bedrijven, die niet vooraan in de rij stonden bij de bank of de subisidiepotten, merken dat hun productiekosten stijgen, omdat de vraag naar productiemiddelen (inclusief arbeid) is gestegen. Zij ondervinden nu dus een nadeel.

Geldcreatie is herverdeling: Het nieuwe geld zal niet bij iedereen tegelijk of in dezelfde mate terecht komen.
Ook in deze situatie geldt namelijk dat de verruiming van de geldmiddelen niets heeft veranderd aan de schaarste van de productiemiddelen. Stel dat er een smak “nieuw geld” naar de offshore windmolenindustrie gaat, die dit gebruikt om windmolens op zee te bouwen. Dit leidt tot werkgelegenheid, zeker, en tot productie van energie. Maar het gevolg is wel dat voor de offshore olie- en gasproductie de kosten van arbeid en grondstoffen stijgen. In die sector zullen dus minder activiteiten worden ondernomen, of, als olie- en gaswinning toch lucratief blijft, zal dat effect voelbaar worden in andere concurrerende sectoren. In dat laatste geval, als de productie van olie en gas op peil blijft, zullen deze energievormen duurder worden voor de afnemers, die daardoor wellicht weer op andere uitgaven zullen moeten bezuinigen, waardoor zo weer negatieve effecten ontstaan.

Als de markt zijn werk had kunnen doen, zonder dat er kunstmatig krediet in de economie was gepompt, was er dus niet minder geproduceerd, maar waren de beschikbare middelen op een andere manier ingezet. En, als we aannemen dat de vrije markt efficiënt werkt, dan betekent dit dat het kunstmatige krediet leidt tot welvaartsvermindering, omdat de beschikbare schaarse middelen inefficiënt worden aangewend.

Indien in deze situatie consumenten en afnemers niet óók meer geld tot hun beschikking krijgen, zal ook aan deze hausse snel een einde komen. Alle productie is door het nieuwe geld duurder geworden, maar de consumenten en afnemers kopen niet meer, want ze hebben niet meer geld. De nieuwe productie zal dus snel weer moeten worden afgebouwd.

In de praktijk zal een deel van het nieuwe geld echter ook altijd zijn weg vinden naar de consument, al was het maar omdat de lonen van de werknemers in de sectoren die van de “boom” profiteren, zullen stijgen. Consumenten kunnen bovendien ook gebruik maken van de extra kredietmogelijkheden en de overheid kan er voor zorgen dat nieuw gecreëerd geld rechtstreeks zijn weg vindt naar de burger, bijvoorbeeld door de ambtenarensalarissen of de uitkeringen te verhogen en dit te financieren met “nieuw geld”.

Ook nu geldt echter weer dat het nieuwe geld niet bij iedereen tegelijk of in dezelfde mate terecht zal komen. Degenen die als eerste profiteren van het nieuwe geld – bijvoorbeeld omdat ze werken in sectoren die vooraan staan bij de kredietverlening of omdat ze geld ontvangen van de staat – gaan erop vooruit; degenen die achterin de rij staan, zullen erop achteruit gaan. Als er bijvoorbeeld een heleboel kunstmatig gecreëerd geld terechtkomt bij bankiers en andere rijke mensen, die hier Porsches van gaan kopen, dan zal de weduwe met een vast pensioen ervaren dat de Toyoto Corolla die zij wil kopen, duurder is geworden, omdat de productiekosten van auto’s zullen zijn opgedreven – en de benzine ook, omdat de vraag naar benzine ook omhoog zal zijn gegaan. (Voor alle duidelijkheid: de extra vraag naar auto’s hoeft niet per sé te leiden tot duurdere auto’s, dat hangt ervan af hoe ondernemers de aan hen ter beschikking staande middelen aanwenden, maar, als de extra vraag afkomstig is van kunstmatig gecreëerd geld, dan zal er hoe dan ook een prijsopdrijvend effect van uitgaan.)

In theorie is het overigens wel mogelijk dat iedereen in de economie tegelijkertijd een zelfde hoeveelheid extra geld ontvangt. Dit is een gedachtenexperiment dat al door David Hume is beschreven in de 18e eeuw. Dit zou echter geen enkel nut hebben. Hume stelde al nuchter vast dat als als we morgen allemaal wakker worden met “een miljoen” onder ons kussen, we nog steeds allemaal even rijk of arm zouden zijn als daarvoor. We hebben dan veel meer geld, maar in de reële economie is niets veranderd. Het enige gevolg zou een gigantische inflatie zijn.

Het effect van kunstmatig consumptief krediet valt ook nog op een andere manier te illustreren. Stel dat we een groep nietsnutten een zak geld geven en naar een productieve gemeenschap van vissers, boeren, bakkers, enzovoort, sturen. De nietsnutten gaan dat geld uiteraard uitgeven bij de bakker en slager en visboer. De “vraag” neemt toe! Maar worden die hardwerkende ambachtslieden hier nu welvarender van? Dat hangt ervan af. Als we aannemen dat het een zelfvoorzienende gemeenschap is, dan is het antwoord nee natuurlijk – ze worden er alleen maar armer van. Zij produceren, de nietsnutten consumeren – hoe kunnen zij hier rijker van worden? Als de middenstanders hun nieuw verkregen geld elders kunnen besteden, kunnen ze wel profiteren van de toegenomen vraag, maar de economie als geheel zal er per saldo altijd op achteruit gaan, niet op vooruit. Als het werkelijk mogelijk was om economische groei te bereiken door op deze manier “de vraag” te stimuleren, zou er al lang geen armoede meer zijn op de wereld. Het enige dat we dan zouden hoeven doen is iedereen van voldoende geld voorzien.

Geldcreatie leidt tot hausses die vroeg of laat zullen omslaan in recessies.
We hebben gezien hoe een hausse kan ontstaan door kunstmatig gecreëerd geld. Hoe verkeert die nu in een recessie? Het probleem waar de financiële autoriteiten en banken mee worden geconfronteerd, is dat ze niet geld in de economie kunnen blijven pompen. Als ze dat doen, ontstaat er hyperinflatie. Dan wordt het financiële systeem uiteindelijk geruïneerd. Vroeg of laat moeten ze dus stoppen met kredietexpansie. De rente zal moeten worden verhoogd, de geldhoeveelheid ingekrompen, om, zoals dat heet, de (door monetaire interventie veroorzaakte) “oververhitting” van de economie tegen te gaan – oftewel, om ervoor te zorgen dat de prijs van het kapitaal weer de werkelijke schaarste ervan weerspiegelt. In deze nieuwe situatie, waarin het krediet wordt ingekrompen en de rente omhoog gaat, blijken veel projecten die door ondernemers zijn opgestart, niet meer rendabel te zijn. Consumenten blijken massaal teveel te hebben geleend en uitgegeven. Wat volgt is een abrupte omslag in de economie: projecten worden beëindigd, er vallen ontslagen, investeringen en consumptie dalen, en we belanden in de bekende negatieve spiraal.

In de woorden van Mises: de lage rente en de grote hoeveelheid beschikbaar krediet, hebben ‘de illusie gecreëerd dat bepaalde projecten winstgevend zullen zijn, terwijl de werkelijke hoeveelheid productiemiddelen niet voldoende is voor de uitvoering ervan. Op het verkeerde been gezet door miscalculaties, hebben ondernemers hun activiteiten uitgebreid tot voorbij de mogelijkheden die de werkelijk beschikbare productiemiddelen bieden. Ze hebben de schaarste van de productiefactoren onderschat en hun mogelijkheden om te produceren overschat. Kortom, zij hebben schaarse kapitaalgoederen verspild door verkeerde investeringen.’ (“The Trade Cycle and Credit Expansion: the Economic Consequences of Cheap Money, 1946).

Mises beschreef indertijd hoe een cylcus van kredietexpansie en –inkrimping uitwerkt op productiebedrijven. Nieuw geld kan ook op een andere manier de economie in worden ingejaagd: het is bijvoorbeeld ook mogelijk, zoals wij in onze tijd hebben gezien, dat banken hun overvloedige geld massaal in dubieuze leningen steken (en die vervolgens ook nog eens herverpakken en doorverkopen aan argeloze beleggers) of dat de huizenmarkt wordt “opgepompt”. Hoe dan ook, het kunstmatig gecreëerd geld kan nooit een substituut zijn voor werkelijke besparingen. Vroeg of laat botst de illusie met de realiteit en is de recessie een feit. Nogmaals, verrassend is dat natuurlijk niet. Als het werkelijk mogelijk was om welvaart te creëren door geld in een economie te pompen, zouden al onze economische problemen in één klap zijn opgelost.

Karel Beckman

Dit was het vierde deel in deze serie. Eerdere delen vindt u hier. Volgende delen worden in de komende weken gepubliceerd.

Gerelateerde links:
- De oorzaken van de kredietcrisis
- Geld en inflatie FAQ

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl