“The true remedy for most evils is none other than liberty, unlimited and complete liberty, liberty in every field of human endeavor.”
Gustave de Molinari

Het failliet van het interventionisme - Deel 1

Door Karel Beckman

25 juli 2009

Toont de economische crisis het failliet aan van “de vrije markt”? Van het kapitalistische systeem? Dat is wel wat ons door iedereen wordt verteld.

Of je nu de Wall Street Journal leest of NRC Handelsblad, of je nu de SP hoort of Van Lanschot Bankiers – iedereen is het erover eens dat de crisis een gevolg is van uit de hand gelopen winstbejag en hebzucht, in combinatie met gebrekkig overheidstoezicht op de financiële markten. De kredietcrisis, schrijft de Britse zakenkrant Financial Times, ‘heeft het geloof vernietigd in de vrije-marktideologie die het westerse economisch denken een generatie lang heeft gedomineerd.’

Als de vrije markt het probleem is, dan is de oplossing, uiteraard, de Staat. Meer smaken zijn er niet. En dus zijn politici aller landen verwoed bezig de invloed van de Staat op de economie uit te breiden – ze voeren gigantische ‘stimuleringspakketten’ door om de crisis te boven te komen, voeren de overheidsbudgetten op en bereiden nieuwe regelgeving voor om een nieuwe crisis te voorkomen. Hoe de nieuwe economische wereldordening er precies uit zal gaan zien, is nog niet duidelijk; zeker is alleen dat de vrije markt verder zal worden ingetoomd.

Maar is het echt zo dat, zoals de Financial Times beweert, ‘de vrije-marktideologie’ het westerse denken een generatie lang heeft gedomineerd? Heeft er de afgelopen decennia – de afgelopen eeuw – dan geen overheidsinterventie plaatsgevonden in de economie, was er geen regelgeving of toezicht? Je vraagt je af wat al die christen-democratische, sociaal-democratische, nationalistische en conservatieve politici dan gedaan hebben al die tientallen jaren dat ze in alle westerse landen aan de macht zijn geweest. In het hele Amerikaanse Congres zit één politicus (Ron Paul) die ‘de vrije-marktideologie’ aanhangt – in Nederland zou ik er niet één weten.

De waarheid is natuurlijk precies omgekeerd. In alle westerse landen domineert de Staat de economie – met bergen wetten en regels, om nog maar te zwijgen van torenhoge overheidsbegrotingen, begrotingstekorten en staatsschulden. Dat is niet alleen zo in Europa, maar ook in de Verenigde Staten. In weerwil van de vrije-marktretoriek die door Amerikaanse politici vaak ten beste wordt gegeven, is de Amerikaanse overheid een Superstaat die zijn tentakels tot in alle hoeken en gaten van het (economische) leven uitstrekt. Alleen al de hoogte van de Amerikaanse staatsschuld – $13.000 miljard, toen ik dit schreef – is voldoende bewijs dat de VS geen ‘vrije-markteconomie’ hebben.

De belangrijkste manier waarop de Staat in moderne westerse landen de economie beïnvloedt – en de meest relevante manier als we het over de huidige recessie hebben – is via haar controle over het geldwezen – over de monetaire en financiële systemen die het hart vormen van iedere economie. Het zijn de overheden, die via hun centrale banken, bepalen hoeveel geld er in de economie circuleert, wat “wettelijke betaalmiddelen” zijn en hoe hoog de belangrijkste rentestanden zijn. Daarbij hebben zij de band die er van oudsher bestond tussen papiergeld en onderliggende waarden, zoals goud, al decennia geleden doorgesneden.

Ons hele financiële systeem – inclusief al onze spaar- en pensioengelden, alles wat we denken te bezitten – draait op ongedekt papiergeld dat door de Staat wordt uitgegeven. De Amerikaanse Federal Reserve Bank (de Fed), die als hoeder van de grootse economie ter wereld en van de officiële “wereldreservemunt”, voor een groot deel bepaalt hoeveel geld er op aarde wordt uitgegeven, doet dit (sinds 1980) zonder enige controle of restricties, geheel naar eigen willekeur.

Ben Bernanke, de voorzitter van de Fed, zei daar in een toespraak in 2002 het volgende over: ‘De Amerikaanse regering heeft een technologie, genaamd een drukpers (of tegenwoordig het elektronische equivalent ervan) dat haar in staat stelt zoveel Amerikaanse dollars te vervaardigen als zij wil, praktisch zonder enige kosten. Door de hoeveelheid dollars in omloop te vergroten, of zelfs door hier alleen maar mee te dreigen, kan de Amerikaanse regering de waarde van de dollar in termen van goederen en diensten verlagen, wat op hetzelfde neerkomt als het verhogen van de prijs in dollars van die goederen en diensten. We kunnen concluderen dat, in een papieren-geldsysteem, een vastberaden regering altijd kan zorgen voor hogere uitgaven en dus positieve inflatie.’

Met dat laatste bedoelde Bernanke dat de Fed de economie altijd kan laten “groeien”, althans, in zijn visie van wat “groei” inhoudt, namelijk “hogere uitgaven”. Wat hij in feite wilde zeggen is dat het economische lot van de Amerikaanse burger – en daarmee ook van de rest van de wereldbevolking – in de veilige handen ligt van de Amerikaanse centrale bank. Hoe veilig, dat weten we inmiddels. 

Met een “vrije markt” heeft dit alles niets te maken, met een door de Staat geleide economie des te meer. In tegenstelling tot wat de Financial Times beweert, wordt het westerse economische denken al decennia beheerst door de (neo-)Keynesiaanse interventie-ideologie. De centrale banken “sturen” de economie, in gebroederlijke samenwerking met de overheden, volgens Keynesiaanse (en soortgelijke) recepten. Ze “stimuleren” de vraag als de economie tekenen van inzakking vertoont, door krediet in het systeem te pompen of de rente te verlagen of de overheidsuitgaven te vergroten. Ze “remmen af” als er “oververhitting” dreigt, door de rente te verhogen, of de geldcirculatie te verkleinen. (Waarbij, uiteraard, het stimuleren de overheden makkelijker afgaat dan het afremmen.)

Het doel van deze exercities is om de economie te “stabiliseren”, waarbij onder “stabilisatie” wordt verstaan een permanente, door centrale banken in stand gehouden, inflatie. Het achterliggende, Keynesiaanse idee daarbij is dat de vrije markt zelf “instabiel” is; dat de vrije markt, als je hem op zijn beloop laat, tot hoge toppen (hausses) en diepe dalen (recessies) leidt, zoals in de jaren dertig. In feite hield de moderne macro-economische sturing van de economie, die in de jaren in gang is gezet, de belofte in van een nieuw tijdperk van recessieloze welvaart. We hebben gezien wat daarvan terecht is gekomen. 

Het is dan ook niet zo dat de Amerikaanse regering onder Bush junior de vrije markt de vrije hand bood. Integendeel. Niet alleen liepen onder het conservatieve bewind van Bush het Amerikaanse begrotingstekort en de staatsschuld tot recordhoogten op, tegelijkertijd voerde de Federal Reserve Bank van 2001 tot en met 2006 welbewust een expansionistisch monetair beleid. De geldcreatiemachine waar Bernanke het over had draaide in deze periode (net als in de jaren negentig trouwens) op volle toeren.

Zo kocht de Fed in deze jaren voor $200 mrd aan staatsobligaties van particuliere banken. Die konden daarmee het tienvoudige, $2000 mrd, aan nieuw gecreëerd krediet de markt in slingeren. Zo werkt het systeem namelijk: de banken hebben een rekening lopen bij de centrale bank waar hun “reserves” op staan, en ze mogen tien keer zoveel krediet verlenen als ze aan reserves hebben (dit heet een reservefactor van 10%). De Fed kan de reserves van de banken eenvoudig vergroten door van hen staatsobligaties (of andere bezittingen) te kopen, die zij uiteraard betaalt met zelf-gecreëerd geld.

Daarnaast verlaagde de Fed in dezelfde tijd (in de periode 2001-2004) de belangrijkste rente stapsgewijs naar 1% (feitelijk een negatieve rente gezien de inflatie). Deze liquiditeitsinjecties en renteverlagingen waren expliciet bedoeld om de economie te “stimuleren” na de dotcom-recessie van begin 2000, waaraan overigens ook een lange periode van geldcreatie vooraf was gegaan. Na 2004 verhoogde de Fed de rente geleidelijk, om de “oververhitting” van de economie weer “af te remmen”. Dit beleid had de volledige instemming van alle gevestigde economen, die het er roerend over eens waren dat we hierdoor een mooie “zachte landing” konden verwachten na een al even geslaagde klim op het economische surfboard. Dat pakte even anders uit.

Deze crisis is dan ook niet het failliet van de vrije markt – maar van het stabilisatie-interventionisme uitgevoerd door het macro-economische establishment. Zeg maar gerust: de geldzwendel waarmee overheden, centrale banken en particuliere banken zich gebroederlijk inlaten onder het mom van ‘monetair beleid’.

Uiteraard lees je hier verder weinig tot niets over in de Wall Street Journal of de Financial Times of NRC Handelsblad. Je hoort er ook niks over van de economen van het CPB of het IMF, van de bankiers en analisten van Van Lanschot en ABN Amro en Citibank, van de ministers van Financiën van de G-8 en de G-20 en de EU – zij maken allemaal deel uit van datzelfde macro-economische establishment. Een complot-theorie? In ieder geval wel in de zin dat het establishment de wereld bekijkt door dezelfde neo-Keynesiaanse economische bril – en dezelfde economische en politieke belangen heeft.

Hoe dan ook, geen van hen heeft de crisis zien aankomen, of weten te voorkomen, maar allen gaan ze gewoon door met hun analyses en altijd-foute voorspellingen en aloude Keynesiaanse remedies voor Keynesiaanse problemen. Ze blijven onverdroten meer kunstmatig krediet in de markt pompen om een crisis te verhelpen die vooraf ging door overmatige kredietverlening. Het gevolg is dat ze – door het opstapelen van enorme schuldenbergen en het creëren van meer en meer geld – bezig zijn om onze financiële toekomst te ruïneren.

Is er een alternatief? Ja. Er zijn economen geweest die de crisis wel degelijk hebben zien aankomen. Deze crisis brengt feitelijk een aloude economische controverse naar boven – die tussen het Keynesianisme en de door het establishment genegeerde “Oostenrijkse” school van Ludwig von Mises en Friedrich Hayek. De visie van de “Oostenrijkers” is tegenovergesteld aan die van de Keynesianen, neo-Keynesianen en de “monetaristen” van Milton Friedman.

Volgens hen worden recessies en conjunctuurcyli niet veroorzaakt door de vrije markt, maar juist door overheidsingrijpen in de markt, en met name door manipulaties van het financiële systeem. De Oostenrijkse theorie komt er heel kortweg op neer dat de conjunctuurcycli (hausses en recessies) in ons systeem worden veroorzaakt doordat de monetaire autoriteiten afwisselend kunstmatig krediet in de economie pompen en die geldstroom vervolgens weer afknijpen. Hoe meer geld er in de economie wordt gepompt, hoe hoger de klim, en hoe dieper de val die onvermijdelijk volgt. Ludwig von Mises publiceerde zijn theorie hierover al in 1912. Hayek borduurde erop voort in de jaren twintig en dertig.

Op basis van deze theorie waarschuwden de hedendaagse aanhangers van Mises en Hayek (zie de website mises.org) al jaren dat het monetaire beleid van de Fed onherroepelijk zou leiden tot een (diepe) recessie. Zij werden er (letterlijk) om uitgelachen. (Je kunt de filmpjes op Youtube bekijken, bijvoorbeeld die waarin de door de Oostenrijkse economie geïnspireerde beleggingsexpert Peter Schiff waarschuwt voor de ramp die de economie te wachten staat en wordt weggehoond door mainstream-economen. “Peter Schiff was right”.) Maar deze crisis bewijst hun gelijk.

Dit is het eerste deel van dit artikel uit een reeks van 5. Deel 2 vindt u hier.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl