“In general, the art of government consists of taking as much money as possible from one party of the citizens to give to the other.”
Voltaire

Het achteruitgangsgeloof

Door Marcel Roele

6 juli 2002

Sinds de middeleeuwen is de westerse geschiedenis een lange mars naar steeds meer welvaart, macht, kennis, democratie, emancipatie en tolerantie.

Maar in de islamitische wereld heeft deze ontwikkeling niet plaatsgevonden.

Toch kun je de islam niet achterlijk of achtergebleven noemen – en zeker niet middeleeuws. Juist in de middeleeuwen was de islam modern en verlicht; sindsdien is de islamitische wereld in een neerwaartse spiraal geraakt: fundamentalisme maakt modernisering onmogelijk en als reactie op mislukte modernisering wordt men nog fundamentalistischer.

Volgens de officiële islamitische geschiedschrijving besloot Allah rond 611 om zich te openbaren aan de laatste van zijn profeten: Mohammed. Na een matig succes als prediker in Mekka verhuisde Mohammed naar het noordelijk gelegen Medina, vanwaar hij de nieuwe leer verspreidde – niet alleen met het woord maar ook met het zwaard: hij zou 27 heilige oorlogen hebben gevochten. Ten tijde van Mohammeds dood in 632 had hij een islamitisch rijk in Arabië gevestigd. De veroveringen gingen door, vooral ten koste van het Byzantijnse en het Perzische Rijk. In de jaren veertig van de 7e eeuw werden Syrië, Irak, Iran en Egypte bezet, in de daaropvolgende dertig jaar grote delen van Noord-Afrika, Zuidwest-Europa en Centraal-Azië, waardoor een islamitisch imperium ontstond dat zich uitstrekte van Spanje tot India.

Mohammed was analfabeet maar volgens de islamitische overlevering zouden zijn woorden en daden zijn bewaard in de harten van zijn volgelingen en gedeeltelijk door hen zijn vastgelegd op botten, steentabletten en palmbladen. Een islamitisch heilig boek was er toen Mohammed stierf nog niet. Dit leidde tot ruzie over wat de dode leider nou precies had beweerd en gedaan. Ter wille van de islamitische eenheid benoemde Mohammeds derde opvolger, kalief Uthman (644-656), een commissie met als taak de koran samen te stellen. Van het midden van de 8e tot het midden van de 10e eeuw werden nog andere islamitische heilige boeken geschreven: de sira (Mohammeds biografie), de hadith (de traditie van de profeet), de soenna (sociale en wettelijke regels) en de tafsir (de uitleg van de koran).

Het vroegste bewijs van het bestaan van koranteksten zijn inscripties in de Rotskoepelmoskee in Jeruzalem, daterend uit 691. De Duitse islamoloog Gerd Puin wijst erop dat de inscripties soms verschillen van de hedendaagse koranteksten. Puin vond ook in Jemen aanwijzingen dat rond het jaar 700 nog redactioneel werk aan de koran werd verricht. In 1972 werd de grote moskee van de Jemenitische hoofdstad Sana’a gerestaureerd. De bouwvakkers vonden een graf gevuld met half vergaan perkament dat zij in aardappelzakken propten. Oudheidkundigen realiseerden zich echter dat stukgelezen korans uit respect voor het heilige boek soms een eigen graf kregen. De aardappelzakken werden doorzocht door Gerd Puin en de Graaf Von Bothmer die ontdekten dat zij de stoffelijke resten bevatten van diverse korans daterend van het eind van de zevende tot ver in de achtste eeuw. Toen de snippers aan elkaar waren geplakt, bleek dat de inhoud van de koran in de loop van de tijd wijzigde. Sommige teksten van de oudste korans waren over een weggegomde eerdere versie geschreven. Het woord van God ging destijds korter mee dan het perkament waarop het geschreven was.

De auteurs van de koran konden er niet veel van, volgens Puin. Gemiddeld is iedere vijfde zin volkomen onbegrijpelijk, zelfs voor mensen die het Arabisch perfect beheersen. Grammaticaal is de koran ook een rommeltje: soms verandert Allah in één zin van de ik-figuur in de hij-figuur. Puin meent dat sommige delen van de koran zijn overgenomen uit heilige boeken die al eeuwen voordat Mohammed werd geboren bestonden. Die boeken werden slecht vertaald. Neem nu de roemruchte passage over de 72 maagden met zwarte ogen die martelaren zouden wachten in het paradijs. Menige pleger van zelfmoordaanslagen lijkt hierdoor geïnspireerd. In de Palestijnse pers wordt de dood van een martelaar bericht als een trouwpartij: “het huwelijk van de martelaar Ali Khadr Al-Yassini met de zwartogigen in het eeuwige paradijs” meldde Al-Hayat Al-Jadida.

Mohammed Atta, de leider van de zelfmoordcommando’s van 11 september, zou in de instructies aan zijn collega’s hebben geschreven: “Jullie horen volstrekte gemoedsrust te ervaren, want er scheid je nog maar weinig tijd van je huwelijk in de hemel.” De passage over deze polygame geneugten (soera 56) is gebaseerd op een christelijke tekst getiteld Hymnen van het Paradijs die uit de 4e eeuw dateert. Het woord paradijs is afgeleid van het Aramese woord voor tuin (Aramees was destijds de taal van de meeste joden en christenen in het Midden Oosten) en het wordt beschreven als een hof met stromend water en een uitgebreid assortiment fruit, waaronder de hurs. In het Aramees en in minstens één oud woordenboek van het vroeg-Arabisch is een hur een druif. In de koran werd hur vertaald als houri (maagd).

De koran vertelt uitgebreid over Adam en diens appel, Noach en zijn ark, de Oudtestamentische profeten Abraham en Mozes, over Jezus plus diverse Arabische profeten: Hud, Salih, Shu’ayb en Luqman, onder andere. Hoe kon Mohammed daar allemaal weet van hebben? Hij was maar een simpele kamelenhandelaar die kon lezen noch schrijven en in een afgelegen, dunbevolkt gebied van Arabië woonde, waar de plaatselijke bevolking (Bedoeïenen) afgodsbeelden aanbad. De afgelopen kwart eeuw hebben John Wansbrough van de Universiteit van Londen en Michael Cook en Patricia Crone van de Universiteit van Princeton de mening verkondigd dat de koran in 7e en 8e eeuw geleidelijk evolueerde onder invloed van uitwisseling met christenen en joden in Syrië, Jordanië, Israël en Irak. Er zijn geen islamitische kronieken uit de 7e eeuw gevonden; vandaar dat Wansbrough, Cook en Crone 7e eeuwse teksten bestudeerden uit andere culturen die met de volgelingen van Mohammed in aanraking kwamen.

Hieruit bleek dat Mohammed niet werd gezien als stichter van een nieuwe religie, maar als een profeet in de Oudtestamentische traditie, die de komst van de Messias verkondigt. Hij zou de Arabieren (afstammelingen van Hagar, de huishoudster bij wie de joodse patriarch Abraham zijn zoon Ismaël verwekte) en de joden willen verenigen. Volgens de oude documenten zouden de joden de Mohammedaanse Arabieren die in 638 Jeruzalem binnentrokken als bevrijders hebben verwelkomd. De breuk tussen joden en islamieten zou van recenter datum zijn dan de officiële heilige schriften vermelden. Zo besloot volgens de islamitische overlevering Mohammed in Medina om de gebedsrichting van Jeruzalem naar Mekka te veranderen. Echter, uit opgravingen van moskeeën uit de 8e eeuw blijkt dat de gebedsplekken toen nog naar Jeruzalem wezen.

Hedendaagse moslims hebben doorgaans geleerd dat de inhoud van de koran Mohammed is ingefluisterd en vervolgens foutloos doorverteld totdat zij op schrift is gesteld. Twaalfhonderd jaar geleden was men ruimdenkender. Er was toen een levendig debat gaande over de vraag of koran het eeuwige woord Gods was. Kalief Abu al-Abbas al-Mamun (813-833) meende van niet. Hij steunde het mutazilisme, een leer die de koran niet letterlijk nam maar als een verzameling metaforen las. Al-Mamun was ook de stichter van het Huis der Wijsheid in Bagdad – een universiteit en bibliotheek. Daar werkte Mohammed ibn Musa al-Khwarizmi, grondlegger van de wiskunde, wiens naam in het Latijn wordt vertaald als Algoritme. Hij schreef het boek Al-jabr (algebra). In het Huis de Wijsheid vertaalde en bestudeerde men de werken van bijvoorbeeld Plato, Aristoteles, Democritus, Pythagoras, Archimedes, Hippocrates. De middeleeuwse christenen hadden nauwelijks weet van het gedachtegoed van deze Griekse denkers; de islamieten waren er tot in details van op de hoogte.

Duizend jaar geleden waren de beste wetenschappers van de wereld islamieten. Bijvoorbeeld Alhazen, geboren in Irak in 965, die experimenteerde met licht en het gezichtsvermogen en grondlegger was van de optometrie; de wiskundige, astronoom en geograaf Al-Biruni (Oezbekistan, 973) en de medicus en filosoof Avicenna (Oezbekistan, 981). Tot ongeveer 1600 was de islamitische wereld op intellectueel gebied aanzienlijk verder ontwikkeld dan het westen. Daarna werden de rollen volledig omgedraaid. Het westen profiteerde van de Reformatie, de Renaissance, de Verlichting, de Industriële Revolutie, kapitalisme en democratie.

De islamitische wereld miste de boot; met desastreuze gevolgen voor de wetenschap. Moslims vormen momenteel een vijfde van de wereldbevolking, maar volgens onderzoek door professor Pervez Hoodbhoy uit Islamabad minder dan 1% van de wetenschappers. Alle islamitische landen samen hebben slechts half zoveel wetenschappers als het nietige Israël. Volgens Hoodboy is het niet islamitisch om te zeggen dat water ontstaat uit een reactie van waterstof met zuurstof; een vrome moslim zegt dat als Allah het wil water uit waterstof en zuurstof wordt geschapen. Het geloof maakt inzichten in natuurwetten onmogelijk.

Voor de grote overwinningen van islamitische legers moet men ver teruggaan in de tijd. Eens beheersten de Moren het hele Iberische schiereiland; in 1492 werden zij definitief uit Europa verdreven. Van de dertiende tot de zestiende eeuw waren de Russische prinsen vazallen van Tataarse heersers; daarna onderwierpen de Russen hun islamitische buren. De Turken liepen in de 14e en 15e eeuw de Balkan, Hongarije en Zuid-Rusland onder de voet. Islamitische vloten maakten duizend jaar lang de Middellandse Zee onveilig voor christenen. Barbarijse zeerovers bezochten regelmatig de Britse eilanden en vielen in 1627 zelfs IJsland binnen. In 1683 belegerden de Turken Wenen. Daarna was het afgelopen met islamitische militaire successen. Russen, Portugezen, Nederlanders, Fransen en Engelsen – iedereen walste over de islamieten heen. Een eeuw geleden was het grootste deel van de islamitische wereld door het westen gekoloniseerd. Sindsdien zijn er wel allerlei zelfstandige islamitische staten gecreëerd, maar in een oorlog met westerse machten zouden ze geen schijn van kans maken.

Het islamitische antwoord op de westerse Verlichting was Verduistering. In 1744 begon Mohammed ibn Abd al-Wahhab, een theoloog uit Najd (het tegenwoordige Riyad, de hoofdstad van Saoedi-Arabië), een campagne om het geloof te zuiveren. Zijn volgelingen (de wahhabieten) namen de koran letterlijk en streden fanatiek tegen ongelovigen en ‘hypocriete’ islamieten die niet recht in de leer waren. De koran heeft veel onverzoenlijke teksten in petto waarop strijders van een heilige oorlog zich kunnen beroepen. Het tolereren van andere geloven is niet toegestaan; Allah gelooft niet in een multiculturele samenleving. Vriendschap met joden, christenen en andere ongelovigen is uit den boze. Zij zijn vuil en onaanraakbaar. Verdragen met en beloften aan hen mogen worden geschonden zo gauw de moslims sterk genoeg zijn om tegen hen ten strijde te trekken.

Regeringen en andere overheden van ongelovigen is men geen gehoorzaamheid verschuldigd. Ongelovigen mag men handen en voeten afhakken, kruisigen en afslachten, aan de ketting leggen, brandwonden toebrengen en als enige eten of drinken het etter uit hun wonden gunnen. Vrouwen zijn ondergeschikt en inferieur aan mannen en mogen geslagen worden als ze ongehoorzaam zijn – liefst met een nog groene tak, want die zwiept beter en doet dus meer pijn. Het verkrachten van slavinnen en vrouwelijke gevangenen is toegestaan. Homo’s dient men de ogen uit te steken en te stenigen.

Dankzij de vechtlust van de wahhabieten kon Abdel Aziz ibn Saoed in 1932 Saoedi-Arabië stichten. Door herhaalde onderlinge huwelijken zijn de banden tussen de wahhabitische clerus en het Saoedische koningshuis zeer innig. Wahhabisme is de staatsideologie van de Golfstaten maar er wordt daar gesjoemeld met de leer. De Taliban zijn rechtlijniger wahhabieten. De vrijheidsstrijders / terroristen in Tsjetsjenië en Kasjmir zijn ook wahhabieten, evenals de leden van Hamas, de Egyptenaren die toeristen doodstaken in Luxor, de Algerijnen van het FIS die regelmatig bloedbaden aanrichten en de kamikazes die de Verenigde Staten op 11 september troffen.

De Golfstaten financieren in allerlei landen wahhabitische imams en religieuze scholen (madrassen), bijvoorbeeld in Indonesië, Pakistan en de Verenigde Staten (waar volgens de Libanees Al-Kabbani 80% van de moskeeën een wahhabi als voorganger hebben. Wereldwijd studeren jaarlijks tienduizenden af aan madrassen die met een diploma op straat staan dat praktisch waardeloos is op de arbeidsmarkt. De afgestudeerden zijn jarenlang geïndoctrineerd met een ideologie die het vanzelfsprekend maakt dat zij het decadente en goddeloze westen de schuld geven van hun falen.

In Nederland trokken recentelijk vier basisscholen en vier moskeeën, op wahhabitische grondslag en door Saoedi-Arabië gefinancierd, de aandacht. Elders predikt men niet de jihad en volgt men Hohammeds voorbeeld, die mak was in Mekka, toen hij nog niet de macht had – en pas meedogenloos werd in Medina toen hij de ongelovigen mores kon leren. Echter, vrijwel iedere imam is fundamentsalist.

Islamieten die de letterlijke waarheid van de koran betwisten en durven te beweren dat hun geloof zich geleidelijk ontwikkelde, worden vervolgd. De Iraniër Ali Dashti kwam in 1979 onder verdachte omstandigheden om het leven; de Palestijn Suliman Bashear werd door studenten van de universiteit van Nabloes uit het raam gekieperd, de Egyptenaar Abu Zaid moest naar Nederland uitwijken, de Pakistaan Fazlur Rahman naar de Verenigde Staten en de Algerijn Mohammed Arkoun naar Parijs.

Iedere ontwikkeling die in westerse landen leidde tot vooruitgang en emancipatie heeft in islamitische landen het omgekeerde effect. Tot in de jaren zeventig waren de meeste Arabieren analfabeet. Hun islamitisch dorpsgeloof was ‘vervuild’ met een fors portie bijgeloof, tradities uit pre-islamitische tijden en invloeden uit andere culturen – men vereerde heiligen, bezocht reliekschrijnen, zong hymnen en genoot van religieuze kunst Toen de trek naar de grote stad dertig jaar geleden op gang kwam, werden de boerenkinkels losgesneden van hun historische wortels, leerden zij lezen en ontdekten zij dat de oude gewoonten en het gemoedelijke geloof van het dorp niet overeenkwamen met wat in de islamitische heilige boeken stond. Verstedelijking en alfabetisering versterkten het fundamentalisme.

De strijd tegen het westerse kolonialisme is succesvol geweest: er zijn nu tientallen islamitische staatjes met alle hun eigen potentaatjes. Dekolonisatie heeft echter geen vooruitgang gebracht. Vrijheid en nationale onafhankelijkheid zijn twee verschillende dingen. De vrijheidsstrijders werden ‘beloond’ met een corrupte despoot en minder vrijheid dan ooit. In de jaren zestig was de Egyptische president Nasser de held van de Arabische wereld. Zijn Nationale Handvest uit 1962 had net zo goed door linkse intellectuelen uit Parijs of Londen kunnen zijn geschreven.

Maar pogingen van progressieve Arabische leiders om het socialisme te introduceren ruïneerden de economie. Modernisering in pro-westerse Arabische regimes kwam doorgaans neer op het importeren van limousines, cola en McDonald’s – niet op het creëren van een goed investeringsklimaat, uitstekend onderwijs en economische en politieke vrijheden. Olie-inkomsten werden gebruikt om op materieel gebied leuke dingen te doen voor de mensen, die in ruil daarvoor werden geacht zich niet met het bestuur van het land te bemoeien. In het westen hanteert men het omgekeerde principe: de burger betaalt belasting en krijgt daarvoor een vinger in de pap.

Waarom vinden islamitische geestelijke en wereldlijke leiders het zo eng als de letterlijke waarheid van de koran wordt betwijfeld? Vermoedelijk omdat ze hebben gezien wat er in het westen gebeurde toen vanaf de 16e eeuw de bijbel steeds kritischer werd gelezen en langzamerhand wetenschappelijke kennis religieuze mythen verdrong. Geleidelijk erodeerde de macht van de kerk. Tegenwoordig zijn dominees en zelfs de paus slechts symbolische boegbeelden zonder werkelijk gezag over hun kuddes. Geloofsafval is doodnormaal en politici worden zomaar weggestemd door het volk. Misschien is dat de prijs die je moet betalen voor het creëren van een welvarende samenleving – en die prijs is te hoog in de ogen van degenen die het nu in de islamitische wereld voor het zeggen hebben.

Marcel Roele

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage www.marcelroele.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl