Hoe is geld ontstaan?

Door Geld & Inflatie FAQ

31 juli 2008

Hoe geld de problemen met directe ruil oploste en daarmee de moderne economie mogelijk maakte.

Omdat geld indirecte ruil mogelijk maakt, stelt het mensen in staat om veel meer economische transacties aan te gaan dan mogelijk zijn in een simpele ruileconomie.

Stel je een heel simpele economie zonder geld voor, een economie waarin alleen maar directe ruil mogelijk is. Murray wil bijvoorbeeld een liter melk hebben en heeft zelf een extra paar schoenen die hij niet nodig heeft. Maar nu wordt hij geconfronteerd met twee problemen: 

  1. Deelbaarheid: Murray zal waarschijnlijk vinden dat een paar schoenen voor een liter melk een oneerlijke ruil is omdat hij het paar schoenen waardevoller vindt dan de melk. Hij moet dus een manier vinden om het paar schoenen op te delen in kleinere stukken om vervolgens enkele van die kleinere stukken te ruilen voor een liter melk. Maar dit is natuurlijk een onzinnig iets om te doen. De waarde van de schoenen zou volstrekt verloren gaan als ze opgedeeld werden in kleinere stukjes. 
  2. Gelijktijdigheid van behoeften: Murray moet ook iemand zien te vinden die precies de tegenovergestelde behoefte heeft als hijzelf, iemand die (stukjes van) een paar schoenen wil hebben en zelf een liter melk te ruilen heeft.
Dus bij elke economische transactie in een economie van directe ruil moeten mensen deze twee problemen oplossen. Murray kan bijvoorbeeld zijn paar schoenen ruilen voor 5 kilo kaas van Ludwig, en dan daarvan een ons kaas gebruiken om deze te ruilen voor een liter melk van Walter. Murrays problemen van de deelbaarheid en de gelijktijdigheid van behoeftes kunnen dus opgelost worden door eerst zijn producten met die van andere mensen te ruilen om dan (een deel van) de daarmee verkregen producten weer bij iemand anders voor melk te ruilen.

Geld moet een goed zijn dat iedereen wel wil hebben, dat makkelijk opdeelbaar, goed houdbaar en makkelijk transporteerbaar is.
Het zou dus makkelijk zijn om een goed te hebben dat vrijwel iedereen wel wil hebben, dan hoef je immers niet steeds iemand te vinden die net wil hebben wat jij kwijt wil en andersom. Dit zal in eerste instantie een goed moeten zijn dat door mensen gewaardeerd wordt omdat het voor consumptie of productie gebruikt kan worden. Als zo’n product dan ook nog makkelijk opdeelbaar, goed houdbaar en makkelijk transporteerbaar is, dan heeft het de kenmerken om als geld gebruikt te gaan worden. 

Goud en zilver voldoen aan deze criteria: ze worden gebruikt als consumptie-en productiegoed om bijvoorbeeld sieraden van te maken, ze zijn makkelijk opdeelbaar in munten en staven, ze vergaan niet, en kleine hoeveelheden worden al als vrij waardevol gezien waardoor je geen kruiwagens vol goud of zilver nodig hebt om een kleine betaling te doen.

Door deze eigenschappen werden goud en zilver steeds meer als betaalmiddel gebruikt en dan ontstaat een zelfversterkend effect: doordat meer mensen het als betaalmiddel gaan accepteren, wordt het ook steeds aantrekkelijker als betaalmiddel; je kan er dan immers op vele plekken mee terecht. 

Als je een liter melk wilt, betaal je de melkboer met een gouden of zilveren munt, en de melkboer kan dan op zijn beurt daarvan kopen wat hij ook maar wil. (in bijzondere omstandigheden zoals in gevangenissen of tijdens oorlogen worden ook andere goederen zoals sigaretten soms als geld gebruikt)

Geld maakt indirecte ruil dus mogelijk omdat het de problemen van deelbaarheid en gelijktijdigheid oplost.
Geld maakt indirecte ruil dus mogelijk omdat het de problemen van deelbaarheid en gelijktijdigheid oplost. 

Geld maakt het ook mogelijk om de ruilratio’s van alle verschillende goederen in een economie met elkaar te vergelijken: alle goederen kunnen voor een bepaalde hoeveelheid goud geruild kunnen worden. 

Deze hoeveelheid noemen we dan de prijs van een goed. Een liter melk kost dan bijvoorbeeld 0,5 gram goud, en een plasmascherm kost 300 gram goud. Een plasmascherm kost dan 600 keer zoveel als een liter melk. Door geld wordt het dus gemakkelijk goederen met elkaar te vergelijken.

De koopkracht van geld kan dan op haar beurt weer uitgedrukt worden in termen van de goederen die je ermee kunt kopen: 300 gram goud is 1 thuisbioscoop of 600 liter melk op de markt.

Geld maakt het doen van transacties in een economie dan veel simpeler dan het geval is in een economie van directe ruil. Het wordt immers veel gemakkelijker om mensen te vinden die willen hebben wat jij te bieden hebt, namelijk geld. Hierdoor kunnen we veel meer en veel complexere transacties aangaan. Geld is de basis voor elke moderne economie.

Een prijs is overigens niet een meting van de waarde van een goed. Waarde is subjectief. Als je een brood van de bakker koopt voor 1 euro dan is voor jou het brood meer waard dan de euro en voor de bakker is het precies andersom: bij een ruil is er daarom altijd sprake van omgekeerde waardegeving. Waarde is dus niet iets objectiefs dat door prijzen gemeten wordt. Een prijs is enkel de ruilratio die ontstaat op de vrije markt doordat alle consumenten en producenten, op basis van de subjectieve waarde die ze elk verbinden aan een bepaald goed, besluiten te bieden op bepaalde goederen of deze te verkopen.

Volgende week deel 3 van de Geld & Inflatie FAQ: Wat is 'fiat-geld'?

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl