“De overheid is een handelaar in gestolen goederen, en elke verkiezing is een soort van vooruitgeschoven veiling van die goederen”
H.L. Mencken

De overbodige overheid

Door Marcel Roele

15 juni 2002

Margaret Thatcher zei eens: "Er bestaat niet zoiets als de samenleving. Er zijn individuele mannen en vrouwen en er zijn gezinnen."

Individuen en gezinnen zijn van nature geneigd om met elkaar samen te werken. Dat gaat op basis van twee principes: voor wat hoort wat en leer om leer. De sociobiologische term hiervoor is wederkerig altruïsme. Zonder gevoel voor saamhorigheid werkt wederkerig altruïsme niet. "Maar waar de overheid verschijnt," waarschuwt de Engelse sociobioloog Matt Ridley, "verdwijnt het gevoel voor saamhorigheid."

De mythe van de nobele wilde speelt volgens Ridley voorstanders van een grote, machtige overheid in de kaart. De nobele wilde zou zijn medemens en de natuur respecteren omdat alles van iedereen en van niemand is. Hij leeft in een socialistische maatschappij en alle goederen zijn collectief eigendom. In materieel opzicht zijn wij in onze samenleving veel rijker, maar volgens de mythe zijn wij in moreel opzicht verarmd. Tegen onze natuur in hebben we geleerd om egoïstisch en hebzuchtig te zijn. Wij zijn onze verantwoordelijkheid voor onze sociale en natuurlijke omgeving gaan verzaken. De oorsprong van alle kwaad is dat individuen zich bezit gaan toeëigenen. De mythe van de nobele wilde vormt een ideaal argument om bezit, diensten en verzekeringen van de particuliere naar de overheidssector over te hevelen.

De beheerder van de collectieve goederen, de overheid, is in de jaren zestig en zeventig achterover gaan leunen en heeft tevergeefs gewacht tot de natuurlijke goedheid van de mens zich manifesteerde. Ondertussen vervuilde de natuur, verloederde de openbare ruimte, steeg de criminaliteit en werden sociale voorzieningen misbruikt. Toen het uiteindelijk de spuigaten uitliep was de enige reactie van de overheid om nog meer overheid te creëren: de ongehoorzame burgers moeten getemd worden. De overheid is echter niet de oplossing maar het probleem: de gemeenschapszin van de burgers is ondermijnd doordat de overheid dingen is gaan regelen die aan de burgers overgelaten moeten worden.

De sociale instincten van alle dieren, inclusief de mens, zijn het product van honderden miljoenen jaren natuurlijke selectie. Sociale instincten zijn geëvolueerd om het biologisch eigenbelang te dienen: overleven en voortplanten. Wie van nature andermans belang vooropstelt, komt niet ver in de strijd om het bestaan. Een natuurlijke neiging om je op te offeren voor iedere willekeurige voorbijganger zou pijlsnel uitsterven. Extreme vormen van zelfopoffering zien we in de natuur dan ook alleen tussen bloedverwanten: ouders die voor hun jongen zorgen. Op die manier wordt de natuurlijke neiging tot altruïsme wel doorgegeven op een volgende generatie. Ook de samenwerking binnen mieren- en bijenkoloniën is nepotistisch van aard: de werksters zijn zusters en halfzusters van elkaar.

Alle andere gevallen van schijnbaar onbaatzuchtig gedrag zijn eigenlijk vormen van wederkerig altruïsme. Een goed voorbeeld is de vampier van Costa Rica. Iedere week overkomt het de doorsneevampier weleens dat hij geen groot zoogdier vindt om bloed bij te drinken. Hij keert met een lege maag terug in de holle boom waar de kolonie overdag slaapt. Dit is een groot probleem voor het kleine vleermuisje omdat hij al na zo'n zestig uur vasten het loodje legt. Wie wel een bloeddonor vindt, drinkt meestal meer dan hij het komende etmaal nodig heeft.

Vampiers die met een volle slokdarm terugkeren in de holle boom, blijken vaak bereid om een portie bloed in de bek van een hongerige buurman te braken. De gulle gever is echter geen Joris Goedbloed: hij deelt zijn overvloed met familieleden en met buren die hem in tijden van nood hebben geholpen. Een welgevoede vampier die hulp aan een hongerige heeft geweigerd, wordt geboycot als hijzelf in de problemen zit. De dieren verzorgen uitgebreid elkaars vacht, hetgeen werkt als een vorm van sociale controle: het valt meteen op als buurman een bolle buik heeft en dus wat bloed zou kunnen missen. Aangezien vampiers honkvast zijn en lang leven, moet iemand die als profiteur bekendstaat lang boeten.

Vampiers houden een hele sociale boekhouding in hun hoofd bij en daarvoor hebben ze van alle vleermuizen de grootste hersens. Mensen hebben van alle apen de grootste hersens. Wij zijn net als vampiers geëvolueerd in kleine groepen waarvan de leden wederzijds afhankelijk waren. Onze psychische eigenschappen zijn helemaal aangepast aan het in stand houden van onze reputatie in een kleine groep met veel sociale controle. Ons geweten plaagt ons zelfs wanneer we omgeven worden door vreemdelingen met wie we in de toekomst nooit meer te maken krijgen: daarom geven de meesten van ons fooien aan obers bij een eenmalig bezoek aan een vreemde stad.

Volgens Ridley zijn mensen van nature geneigd om sociale contracten en stilzwijgende afspraken met hun soortgenoten te respecteren maar niet om collectieve hulpbronnen verantwoordelijk te beheren. De natuur was voor onze voorouders in het Stenen Tijdperk een collectief goed: als de groep van Jantje niet de laatste mammoeten doodde deed de groep van Pietje het wel.

De Australische aborigines en de Amerikaanse indianen hebben op grote schaal diersoorten uitgeroeid ver voor de blanken kwamen en het karwei afmaakten. In Australië verdwenen, onder andere, de buidelneushoorn, de buidelleeuw, vijf soorten reuzenwombats en minstens vijftien kangaroesoorten. De indianen roeiden de reuzenbizon, de kortsnuitbeer, de mastodont, de sabeltandtijger, de reuzenluiaard, het reuzengordeldier, de reuzenguanaco en de reuzencapibara uit. Gewone bizons werden massaal geslacht: in Colorado bijvoorbeeld dreef men hele kudden over een klif. Na een succesvolle drijfjacht lagen de beesten zo hoog opgestapeld dat alleen van de bovenste dieren het vlees werd gebruikt. Toen de blanken Amerika koloniseerden viel het hun op dat er zo weinig wild voorkwam, behalve in de gebieden waar stammenoorlog heerste en het onveilig was voor de indianen om te jagen.

De achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau schreef: "U bent verloren als u vergeet dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en dat de aarde aan niemand toebehoort." Volgens Ridley gaat de aarde juist verloren als ze van niemand is en haar vruchten van iedereen zijn.

Ridley onderkent dat de bizon waarschijnlijk was uitgeroeid als de Amerikaanse overheid geen Nationale Parken had ingesteld, maar privatisering van de natuur was volgens hem nog effectiever geweest. Natuurbeheer door de overheid is een dure oplossing, waardoor het misgaat in arme landen. Zowel tijdens de koloniale overheersing als na de onafhankelijkheid werden in de meeste Afrikaanse landen Nationale Parken ingesteld: de natuur als collectief bezit waar iedereen van mag genieten. De boeren aan de rand van de Nationale Parken weigeren om te genieten. Zij zouden het liefste het wild uitroeien en de Nationale Parken tot landbouwgrond maken. Immers, de olifanten vernietigen hun oogst, luipaarden doden hun vee en wilde dieren gebruiken grond, water en voedsel terwijl mensen gebrek lijden. Het wild is van iedereen en het bos is van niemand; dus kun je maar het beste de laatste olifant doodschieten en opeten, bomen kappen en je vee op open plekken in het bos laten grazen - voordat een ander het doet.

Wat doet de overheid als blijkt dat de plaatselijke bevolking de natuur niet respecteert? Zij treft maatregelen om duidelijk te maken dat collectief bezit staatsbezit is en dat de burger van de staatsbossen en het staatswild af moeten blijven. De belastingen worden verhoogd om meer blauw tussen het groen te plaatsen ter verdediging van het staatsbezit. Dat is alleen mogelijk in een rijk land als Amerika; in Afrika is de overheid te arm.

Er is een efficiëntere oplossing. Het Kampvuur Programma in Zimbabwe is op andere leest geschoeid: denationalisatie van natuurbezit. Plaatselijke stammen krijgen het beheer over de natuur terug. Zij kunnen het recht om een natuurgebied te bezoeken, foto's van het wild te maken of een olifant te schieten voor veel geld aan buitenlandse toeristen verkopen. Op deze manier brengt natuur meer geld op voor de landeigenaren dan landbouw. In gebieden waar het programma draait is een universele trend omgedraaid: in plaats dat het landbouwareaal groeit ten koste van natuurgebied, is de hoeveelheid land in particulier bezit die wordt gebruikt voor wild de laatste jaren verdubbeld.

De groene popster Sting kwam al eerder op het idee om natuurbeheer aan de plaatselijke bevolking over te laten. Hij kocht voor de Braziliaanse Kayapo-indianen voor twee miljoen dollar een reservaat van vijftigduizend vierkante kilometer regenwoud. De indianen gingen prompt concessies verkopen aan gouddelvers en houthakkers, want dat leverde hun meer geld op dan natuurbeheer.

Sting schond volgens Ridley de principes van wederkerig altruïsme: hij gaf zonder iets ervoor in ruil te verlangen. Hij had de indianen een contract moeten laten ondertekenen dat hen verplicht om de natuur in stand te houden en de verkoop van concessies aan natuurvernietigers verbiedt. De rechter, niet de overheid, hoort de macht op de achtergrond te zijn die afdwingt dat men zich aan afspraken houdt. Als beide partijen afspraken maken die tot wederzijds voordeel zijn, hoeft de rechter zelden of nooit in actie te komen.

Natuurbeschermers kunnen niet van landeigenaren verwachten dat zij liefdadigheid bedrijven. Natuurbeheer levert vaak minder geld op dan het kappen van het bos. Als particulieren of organisaties voor natuurbehoud het bos willen redden, moeten ze het kopen of natuurbeheer een aantrekkelijke optie maken voor de eigenaar van het bos, door zijn inkomsten aan te vullen tot het niveau dat hij verdiend zou hebben met het kappen van het bos.

Bomen zijn niet mobiel; twee partijen kunnen een sluitende afspraak maken over het beheer van een bos. Het beheer van water, lucht en trekvogels is moeilijker, omdat zij het gebied verlaten. Derden komen dan in het spel: in de rol van dader, bijvoorbeeld jagers die trekvogels schieten, of van slachtoffer, bijvoorbeeld burgers wier water en lucht vervuild zijn door boeren en industrieën.

Ridley wijst erop dat vervuilers honderden jaren lang effectief werden aangepakt totdat de staat zich ermee ging bemoeien. Volgens het gewoonterecht moesten de leden van de gemeenschap stroomopwaarts, die bijvoorbeeld door mijnbouw of lozing van huishoudelijk afval het vis- of drinkwater van een gemeenschap stroomafwaarts vervuilden, forse boetes betalen. In de loop der tijden hebben overheden de mogelijkheden van particulieren om vervuilers aansprakelijk te stellen ingeperkt. Vervuilende industrieën zijn dol op regelgeving door de overheid, omdat ze daardoor worden beschermd tegen civiele procedures van de mensen wier land, water en lucht worden vergiftigd.

Natuurlijk werken civiele procedures het beste wanneer dader en slachtoffer dicht bij elkaar wonen, bijvoorbeeld bij vervuiling van de rivier de Tyne, die in de heuvels van Noord- Engeland ontspringt en ruim honderd kilometer verderop bij Ridley's geboortestad Newcastle uitmondt. Vervuiling van het Rijnwater door Zwitserse industrieën is een internationaal probleem. Het maakt ook een heel verschil of de buurman onder je duiven schiet of de Fransen je trekvogels neerknallen. Als burgers geen juridische stappen kunnen ondernemen tegen schadelijke activiteiten in het buitenland moet de nationale overheid voor hun belangen opkomen.

De belangenbehartiging werkt echter niet of nauwelijks, omdat de internationale gemeenschap geen saamhorigheidsgevoel of een alomvattend stelsel van wederkerig altruïsme kent. Internationale verdragen om bijvoorbeeld walvissen te beschermen of de uitstoot van zwaveldioxide te beperken hebben weinig succes, want staten kunnen elkaar niet dwingen de verdragen te ondertekenen en na te leven.

Op internationaal niveau zijn staten te zwak en op nationaal niveau zijn ze te sterk. Overheden koeioneren hun eigen burgers in plaats van het tegen andere overheden op te durven nemen. De burger wordt machteloos gemaakt. De overheid neemt verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de burger over, zonder dat de burger iemand aansprakelijk kan stellen wanneer de overheid laks is. Mensen zijn niet meer de baas in eigen buurt. De overheid pakt de burger geld af om de straten schoon te houden; toch ligt er overal zwerfvuil. De burger kan niemand voor de rechter slepen en een boete eisen wegens wanprestatie, want hij heeft niet een contract met het bedrijf dat zijn straat schoonmaakt. Als bij je wordt ingebroken komt de politie in het beste geval een kijkje nemen, haalt machteloos de schouders op en zegt dat je het er zelf naar gemaakt hebt omdat je niet vier sloten en een inbraakalarm hebt aangebracht. In veel buurten gaan de bewoners zelf maar weer de straat op om te patrouilleren of huren ze een particuliere bewakingsdienst in.

Ridley hoopt dat burgers steeds meer taken terugnemen van de falende overheid. Volgens hem leert de evolutie van samenwerking ons dat verantwoordelijkheden op het juiste niveau moeten liggen. Hij noemt het stadsverkeer als voorbeeld. Het verkeersbeleid in de ene buurt heeft consequenties voor de andere buurt. Dus moeten er afspraken tussen buurten worden gemaakt en dat kan bijvoorbeeld op gemeentelijk niveau. Maar waarom zouden de bewoners van een straat niet gezamenlijk kunnen beslissen welk type lantaarnpaal wordt geplaatst en met welk bedrijf op welke voorwaarden een onderhoudscontract wordt afgesloten? Dan kan de straat iemand aansprakelijk stellen wanneer de straatverlichting wordt verwaarloosd. Jongeren zullen straatverlichting die van de eigen kleinschalige gemeenschap is minder snel vandaliseren dan wanneer zij toebehoort aan een anonieme moloch. Bovendien neemt de sociale controle toe wanneer buurtbewoners voor hun eigen paal betalen.

De ideale samenleving volgens Ridley is gebaseerd op een vrijwillige uitwisseling van goederen, informatie, rijkdom en macht tussen vrije individuen in gemeenschappen die klein genoeg zijn om effectief vertrouwen mogelijk te maken. Collectief eigendom werkt alleen in kleine groepen. De hernhutters, een protestantse sekte in de Verenigde Staten en Canada, leven in landbouwcommunes. Iedereen werkt naar vermogen en consumeert naar behoefte. Zij zien zelf ook wel in dat de verleiding om te profiteren van andermans inspanningen groot is: "Elke kolonie heeft haar darren," zeggen ze. Maar er is heel veel sociale controle. De gevoelens van schuld en schaamte die onderdeel zijn van de menselijke natuur worden voortdurend geactiveerd. Bovendien verschilt hun cultuur sterk van die van de buitenwereld: een eventuele profiteur hoeft niet de illusie te koesteren dat hij zich makkelijk elders kan vestigen om hetzelfde kunstje uit te halen.

Als een commune meer dan honderdvijftig leden telt, valt het minder op dat individuen die weinig werken en veel consumeren niet een anoniem collectief maar hun directe buren benadelen. Het aantal darren neemt dan sterk toe. Vandaar dat hernhuttergemeenschappen zich splitsen als ze te groot worden.

Mensen kunnen best in grotere gemeenschappen samenleven, maar dan zal hun egoïsme wat vaker de kop opsteken. Dat hoeft niet erg te zijn: vampiers geven ook geen bloed uit naastenliefde. De donatie is de premie van een verzekering tegen magere tijden. Essentieel is dat een samenleving zo gedecentraliseerd is dat individuen elkaar aansprakelijk kunnen stellen wanneer ze hun verplichtingen niet nakomen. Iedere vampier moet zijn premie ophoesten en als hij dan eens hongerig thuiskomt, zijn andere verplicht hem te helpen. Uit egoïsme kan iets moois voortkomen.

Marcel Roele

Dit hoofdstuk komt uit het boek "De mietjesmaatschappij" van Marcel Roele.

Marcel Roele (1961) is columnist van AD Magazine en schrijft over sociobiologie voor HP/De Tijd en Intermediair. Naast "De Mietjesmaatschappij" publiceerde hij De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties (tweede druk, 1996), De menselijke soort .

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage www.marcelroele.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl