Geen bewijs voor verdwijnen tropisch regenwoud

Door Theo Richel

31 januari 2008

Iedereen weet dat het tropisch regenwoud in rap tempo aan het verdwijnen is. Toch?

Hij staat bekend als een wereldwijd expert op het gebied van ontbossing. Hij maakt zich daarover grote zorgen. Woorden als 'duurzaam', 'biodiversiteit' en 'klimaatverandering' behoren tot zijn dagelijkse vocabulaire. Hij studeerde de afgelopen drie jaar op de wereldwijde cijfers over ontbossing en concludeert: Onze analyse bewijst niet dat er geen afname is van het tropische bos,alleen dat het heel moeilijk is om deze overtuigend aan te tonen. 

[De cijfers over ontbossing waarmee we keer op keer worden bang gemaakt,] zijn volstrekt onbetrouwbaar.
Het gaat om dr Alan Grainger van de Universiteit van Leeds die in een recent artikel in de Proceedings van de National Academy of Sciences (PNAS) (klik hier voor de oorspronkelijke studie) gehakt maakt van de cijfers waarmee we keer op keer worden bang gemaakt. Die zijn volstrekt onbetrouwbaar, zo maakt de Brit duidelijk. Iedere keer blijkt dat er meer bos is dan oorspronkelijk werd gedacht.

Diverse onderzoekers hebben zich de afgelopen 40 jaar gebogen over de vraag: hoeveel bos is er nu eigenlijk, maar de belangrijkste bron voor gegevens hierover is de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de Verenigde Naties. Die concludeerde onlangs dat er in de wereld jaarlijks een hoeveelheid bos verdwijnt ter grootte van Portugal (9.3 miljoen hectare), in totaal 0,2% van de veronderstelde totale hoeveelheid bos op de planeet. Deze zou vooral verdwijnen in de tropische gebieden want in de gematigde klimaatzones komen er juist bomen bij.

Iedereen kent de dramatische beelden van berghellingen die met behulp van een zware ketting tussen twee enorme tractoren in no time van hun bomen worden ontdaan (de natuur kan er ook wat van overigens, zoals blijkt uit de foto hierboven). Dat er op sommige plekken stevig wordt gekapt en verbrand is duidelijk, maar wat zegt dat over de totale hoeveelheid bos op aarde? Grainger analyseerde de cijfers die de FAO in de afgelopen decennia publiceerde. Hij beperkte zich daarbij tot de tropische natuurbossen: regenwouden, ‘nevelwouden' en drogere bossen. Productiebossen (plantages) vielen buiten de analyse.



Het is niet eenvoudig om vast te stellen hoeveel bos er nog op aarde is, zo blijkt. In zijn studie geeft Grainger ondermeer een overzicht van de inschattingen van verschillende onderzoekers voor steeds dezelfde groep van 63 tropische landen. In 1973 schatte onderzoeker Persson dat er nog bijna 980 miljoen hectare natuurbos was (in de tropen dus). In 1989 berekende de onderzoeker Myers dat er nog maar 801 miljoen hectare natuurbos was. Een jaar later, in 1990, schatte de FAO de hoeveelheid tropisch bosoppervlak ineens op 1434 miljoen hectare. in 2000 kwam de FAO tot 1347 miljoen hectare.

Volgens onderzoeker Myers, die door milieuorganisaties graag wordt aangevoerd als autoriteit op dit gebied, verdwijnt er jaarlijks 17 miljoen hectare bos. Als hij gelijk zou hebben dan zou er in 2000 801 minus 272 miljoen hectare tropisch bos zijn geweest (529 miljoen hectare) in plaats daarvan is er volgens de FAO meer dan twee maal zoveel.

Grainger wijst er op dat ook in de wereld van de olieindustrie schattingen van de inhoud van oliebronnen later altijd naar boven worden bijgesteld, het is blijkbaar een meer voorkomend fenomeen. 
Maar deze FAO-schattingen blijken tien jaar laten niet te optimistisch, maar juist te pessimitisch te zijn geweest. (NB: de cijfers hieronder gaan over 90 landen).

In 1990 meende de FAO dat de wereld 1756 miljoen hectare tropische bossen telde. In 2000 moest men die schatting corrigeren en concludeerde men dat er in dat jaar 1990 in werkelijkheid 1926 miljoen hectare moet hebben gestaan. In 2005 werd de hoeveelheid voor 1990 nog verder omhooggekrikt naar 1949 miljoen hectare.

In 2000 zo schatte de FAO voor dat jaar stond er 1799 miljoen hectare tropisch bos, vijf jaar later moest die schatting worden opgetrokken tot 1829 miljoen hectare. Kortom: het enige dat we over het oppervlak aan tropische bossen in de wereld weten is dat de schattingen permanent te somber zijn.

Grainger besteedt in zijn stuk veel aandacht aan verklaringen hiervan. Die zijn wel geloofwaardig, maar de belangrijkste (in de ogen van ondergetekende) noemt hij helaas niet. 

Grainger wijst er op dat ook in de wereld van de olieindustrie schattingen van de inhoud van oliebronnen later altijd naar boven worden bijgesteld, het is blijkbaar een meer voorkomend fenomeen. 



Hij wijst er tevens op dat er wel veel aandacht is voor kap van bossen, maar niet of nauwelijks voor spontane hergroei. De FAO heeft bovendien zijn statistische methodes veranderd door deze voor een deel te laten afhangen van de bevolkingsgroei in de onderzochte landen. Ook is de definitie van een bos veranderd. De verwachting dat in de loop der tijden de nauwkeurigheid van dit soort schattingen beter zou worden is door deze voortdurende veranderingen ook niet waargemaakt. 

Vermeldenswaard is ook dat sinds het begin van de jaren zeventig de vaststelling van de bosoppervlakten deels per satelliet gebeurt, maar die geven toch een minder duidelijk beeld dan wenselijk is. Uit vliegtuigen wordt ook het nodige gedaan, maar alhoewel Grainger het niet noemt, zou het leuk zijn om bomen te tellen boven een bos waar de FARC heerst? Zou een onderbetaalde Congolese bomenteller geld aannemen zich om laten kopen door een illegale bomenkapper? Zou bomentellen in het onderbevolkte Afrika (3 mensen/km2) uberhaupt een hoge prioriteit hebben? Sommige landen hebben er baat bij te melden dat er meer bos is dan er is, anderen juist niet. Sommige landen meten niets, maar extrapoleren gewoon vanaf het laatste jaar waarover ze cijfers hebben. Allemaal redenen waarom de cijfers onbetrouwbaar zijn.

Grainger vindt dat hier verandering in moet komen en hij pleit dan ook voor een wereldinstituut dat dit werk moet gaan doen. Vooral biodiversiteit en klimaatverandering zouden baat hebben bij betere gegevens, zo meent hij. Zijn stuk staat in PNAS onder het hoofdje ‘Sustainability science', duurzaamheidsonderzoek, en dit is dus het soort voorstellen wat je daar mag verwachten: meer geld voor supranationale organisaties (denk IPCC) die naar buiten toe de suggestie hoog moeten houden dat DE wetenschap een duidelijk antwoord heeft op alle vragen.

Is er [...] een soort ideale hoeveelheid die we per se moeten behouden?
Dat is dus precies wat er niet aan klopt. Als iets duidelijk blijkt uit Graingers studie dan is het wel dat de wetenschap deze pretentie gewoon niet waar kan maken: net als het vaststellen van de temperatuur vroeger en nu op aarde of het tellen van de wereldbevolking is dat simpelweg veel te moeilijk. Een wereldinstituut zal ongetwijfeld met één stem duidelijke conclusies naar buiten brengen, maar dat zal zoals bij alle vergelijkbare organisaties juist betekenen dat men afwijkende opvattingen onderdrukt. De waarheid is daar het slachtoffer van. Het IPCC is wat dat aangaat een afschrikwekkend voorbeeld.

Je moet je dus afvragen of het wel zo belangrijk is om te weten hoeveel tropisch bosoppervlak er mondiaal is. Is er dan een soort ideale hoeveelheid die we per se moeten behouden? Grainger heeft in ieder geval aangetoond dat hij niet kan aantonen dat er een probleem is. Wel dan zou je zeggen: geen lijk, geen zaak. 

Theo Richel

Dit artikel verscheen eerder op De Groene Rekenkamer.

Gerelateerde links:
Er komen steeds meer bossen! - Simon Rozendaal
- De Skeptical Environmentalist
- Artikelen over het milieu op MeerVrijheid
- 'Rainforest Schmainforest', Hilarische South Park aflevering over het tropisch regenwoud

Over de auteur

De auteur is redacteur/ vormgever van de Groene Rekenkamer.

Deze organisatie, waarin vijf organisaties zich gebundeld hebben, wil politici en het publiek graag voorrekenen dat een wetenschappelijke benadering van de milieuproblematiek meer gezondheid voor mens, dier en milieu kan betekenen.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl