Roken zonder angst, goed voor u

Door Dr. William T Whitby

31 mei 2002

De Australische arts Dr. William T. Whitby schreef in 1982 het boekje "Roken zonder angst, goed voor u".

Hieronder een stukje uit zijn boek genaamd "De vervolging van rokers".



Hetzes tegen tabak zijn er altijd geweest, vanaf het moment waarop de westerse wereld met dit gewas in aanraking kwam tot op de dag van vandaag. Vaak werd zo'n hetze gevoerd door religieuze groeperingen, die in hun schrifturen aanleiding vonden tot verbodsbepalingen. In 1634 verbood de Kerk van Rome haar volgelingen het gebruik van tabak in welke vorm dan ook. Door de jaren heen hebben verschillende pauselijke bullen dit verbod nogmaals bekrachtigd. De Griekse Kerk stelde in een officieel schrijven, dat Noach bedwelmd was geraakt door tabak in plaats van door wijn en dat dat de oorzaak was van zijn slechte gedrag (Genesis 9,21). In 1661 werd in de stad Bern, in Zwitserland, een wet aangenomen tegen het gebruik van tabak als zijnde strijdig met het zevende gebod (overspeligheid).

Door de eeuwen heen zijn de meest fantastische argumenten gehanteerd. Wat een Engelse tabakshater, Cobb genaamd, in 1660 verkondigde, klinkt ons echter vertrouwd in de oren: "In een week tijds zijn vier mensen gestorven tengevolge van het roken. Een van hen ledigde een schepsel roet."

Maar zelfs toen paften de rokers vrolijk verder zonder zich van al die angstaanjagende fantasieen iets aan te trekken.

Heel wat vorsten zijn heftig tekeer gegaan tegen tabak, maar de geschiedenis telt minstens evenveel koningen die er dol op waren. Van de Engelse vorst Jacobus de Eerste, een man met vele ondeugden, is bekend dat hij een geweldige afkeer had van tabak, zozeer dat hij zelfs een verhandeling tegen het roken heeft geschreven. Hierop is een weerwoord geleverd door de Jezuieten die beweerden dat roken goed was voor de gezondheid en voor de zedelijkheid. Jacobus stelde alles in het werk om de handel in tabak te beperken tot de medische stand, die hem voor dat lucratieve privilege zeer erkentelijk was. Misschien had de onthoofding van de meest beroemde roker uit de wereldgeschiedenis, Sir Walter Raleigh, wel iets te maken met de afkeer die Jacobus koesterde jegens het roken.

Sir Walter Raleigh, man van eer
Jacobus de Eerste is niet meer
Hij die op aarde 't roken placht te verfoeien
brandt nu in de hel waar 't vuur pleegt te loeien


Ik had de auteur van dit versje graag willen vermelden, maar ik ben er niet in geslaagd zijn naam op het spoor te komen.

In Oosterse landen hadden heel wat vorsten de gewoonte tabak bij de wet te verbieden en overtreders van die wet konden rekenen op barbaarse straffen. Rokers werd eerst gemarteld en vervolgens onthoofd of levend verbrand. In 16145 liet Sjah Abbas van Perzië een tabakshandelaar levend verbranden op een brandstapel waarin zijn totale voorraad aan tabak was verwerkt. Enige tijd later rookte diezelfde Sjah uit pure nieuwgierigheid eens een pijp. Dat beviel hem zo, dat hij op slag alle verordeningen tegen het roken introk.

Een beruchte tabakshater was Sultan Murad IV. Hij verbood zijn onderdanen het roken op straffe des doods en uitstel van executie werd niet verleend. Om het roken te voorkomen liet hij zelfs de koffiehuizen sluiten. 's Nachts dwaalde hij graag vermomd door de straten, in gezelschap van een reusachtige slaaf, El Abd El Kebir. Wanneer hij iemand tegenkwam die rookte, werd die ongelukkige zonder pardon op een priem gezet en net zolang omlaag geduwd tot de priem zijn ingewanden had verscheurd. Als er geen geschikte priem in de buurt was, werd hij opgehangen aan de dichtsbijzijnde paal. Gelukkig voor zijn rokende tijdgenoten dronk Murrad zich voortijdig het graf in.

De Groot-Mogol Jehangir, die zelf verslaafd was aan opium, bepaalde dat alle vormen van roken met de doodstraf dienden te worden bestraft. Opium viel vanzelfsprekend buiten die verordening.

Nog zo'n negentiende eeuwse tabakshater was koning Johannes IV van Ethiopië. Hoewel hij zelf bekend stond als een stevige drinker , schiep hij er genoegen in rokers te straffen door hun lippen te laten wegsnijden.

Sjah Sefi van Perzië was eveneens een meester in het bedenken van straffen. Rokers liet hij bij voorkeur gesmolten lood door de keel gieten.

In 1634 besloot de Tsaar van Rusland dat tabak voortaan verboden was. De eerste overtreding van die wet werd bestraft met zweepslagen. De tweede kwam de overtreder te staan op marteling, verbanning naar Siberië of de doodstraf. Mensen die snuif gebruikten konden er op rekenen dat de neus werd afgesneden. In 1700 rookte Peter de Grote zelf eens een pijp en dat beviel hem zo, dat hij alle Russische wetten tegen het roken herzag. In 1724 overkwam paus Benedictus XIII hetzelfde en op slag werden alle pauselijke wetten ingetrokken.

Er waren ook vorsten die voor pijprokers een speciale straf hadden bedacht: als zij werden betrapt moest hun pijp met de steel naar voren krachtig in de neus worden geduwd. Al die gruwelijke maatregelen ten spijt is de behoefte aan tabak er niet minder op geworden. De geschiedenis bewijst dat pogingen om tabak de wereld uit te helpen vooralsnog gedoemd zijn te mislukken.

Terwijl in het verleden in Oosterse landen zware straffen stonden op roken, was het roken van hash wel geoorloofd en was zelfs opium toegestaan. Nu er in verschillende landen stemmen opgaan dit soort verdovende middelen uit de verbodssfeer te halen, lijkt de cirkel rond te zijn.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl