Propaganda

Door Henk Steenhuis

13 september 2007

Vroeger was propaganda iets waarvoor je in verre landen moest zijn. Karel van het Reve schreef eens over ‘het reusachtige leugengebouw van de Russische regeringspropaganda’ en dan dacht je meewarig aan de mensen die daar noodgedwongen mee te maken kregen.

Propaganda had een kwalijke reuk, want de associatie was er een met een staat die leugens fabriceerde omdat er zo nodig wat moest worden verdonkeremaand.

Aan propaganda kleefde ook iets vrolijks. Want het was zo verschrikkelijk dom wat werd verzonnen dat je je ogen soms niet droog kon houden. Over de graanoogst die opnieuw was verdubbeld, over nóg meer steenkolen die uit de grond waren gehaald of over borden langs de weg waarop de grootheid van Lenin, Stalin en andere potentaten werd bezongen, hoezeer het ‘internationale zionisme’ en het ‘internationale oliekapitaal’ ook streefden naar vernietiging van voornoemde heilstaat.

Tot zover vroeger en ver weg.

Want de auteurs van ‘Het PR-kabinet’, Roelof Bouwman en Joost Niemöller, beweren nu dat onze overheid inmiddels met hetzelfde bijltje hakt. Ook hier heeft de staat een eigen propaganda-apparaat en een flink budget om de bevolking om de tuin te leiden met kletspraatjes die een fantastisch beeld moeten geven van nimmer geleverde prestaties. Het sprookje van de achterbuurten die ‘krachtwijken’ worden, de ‘Kindertop’ van minister Rouvoet, het ‘akkoord van Schokland’; steeds opnieuw worden media-events georganiseerd die de daadkracht van de nieuwe regering moeten benadrukken.

De veelal fletse bewindslieden die zich met deze poespas inlaten, zijn blijkbaar niet erg zeker van hun zaak, en de nieuwe roman van P.F. Thomése, Vladiwostok!, biedt ons een zeldzame blik in hun ziel. Het boek gaat over een communicatiestrateeg, ene Fons, die zijn vriend Hans Portielje een handje helpt bij diens veelbelovende politieke carrière. Portielje is een man van deze tijd, en hij begrijpt goed dat zijn lot in handen van de media ligt. Dé kwestie is hoe hij het grote publiek kan betoveren, en gelukkig is Fons Nieuwenhuijs aan zijn zijde om hem van de best denkbare adviezen te voorzien.

Thomése schreef een politieke zedenschets, en dat deed hij meesterlijk (zie pagina 53). Hij schuwt de overdrijving niet en juist dankzij de groteske scènes krijgt de lezer een onbehaaglijk gevoel bij deze representanten van de ‘nieuwe politiek.’ Bovendien – maar dit terzijde – wordt ons een blik gegund op de ziel van mannen die macht willen, en zo lees je eindelijk eens hoezeer het lustleven in zo’n geval een dominante rol speelt. Meneer Freud, komt u maar binnen.

Laten we tot slot nog even stilstaan bij de vraag waar al dat ge-pr toe leidt, in het bijzonder de opmars van het fenomeen ‘regeringspropaganda.’

Op zich moet het mogelijk zijn veel mensen een rad voor ogen te draaien, maar op enig moment zal het de bevolking toch gaan dagen dat de overheid niet te vertrouwen is. En dan komt er misschien een massaal cynisme opzetten, dat hier nog vrij onbekend is maar dat in de oude Sovjet-Unie wel degelijk bestond. Het besef dat alles wat de overheid zegt gelogen is. Zelfs die ene keer dat ze toevallig de waarheid spreekt.

Deze editorial werd gepubliceerd op de website van HP/De Tijd, week 37, 2007

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl