Zijn kunstenaars luie subsidievreters?

Door Redactie

4 september 2007

Nederlandse kunstenaars zijn in paniek. Niet vanwege de grote problemen in de wereld, de opkomst van nieuwe kunststromingen, een existentieel gevoel van vervreemding, een gebrek aan inspiratie, onvrede over hun eigen werk of wat dan ook. Nee, het is veel erger dan dat: hun subsidie loopt gevaar.

De Volkskrant schrijft:

Amsterdam - Een groep van 373 kunstenaars, onder wie bekende namen als Rineke Dijkstra, Joep van Lieshout en Peter Struycken, keert zich tegen het beleid van de twee grootste publieke kunstfondsen, het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst (Fonds BKVB), en de Mondriaan Stichting. Tezamen verdelen deze fondsen jaarlijks zo’n 35 miljoen euro aan rijkskunstsubsidies.

Uitleg
In een brief aan de directeur van het Fonds BKVB, Lex ter Braak, hekelt de groep het vermeende voornemen van beide fondsen de individuele subsidies ‘af te schaffen of nog meer in te krimpen’. Deze maatregel zou kunstenaars dwingen laagbetaalde baantjes aan te nemen die het ze ‘schier onmogelijk maakt om zich artistiek en professioneel te ontwikkelen’.

Aanleiding voor de brief, die op initiatief van de kunstenaars Lisa Couwenbergh en Ewoud van Rijn werd geschreven, zijn bijdragen van Ter Braak en Mondriaan-directeur Gitta Luiten aan het boek Second Opinion, dat eerder dit jaar verscheen. Daarin bepleiten zij herziening van het subsidiesysteem, omdat dit zou leiden tot middelmatige kunst en te afhankelijke kunstenaars. ‘In plaats van veel kunstenaars een beetje te geven’, schreef Luiten, ‘zouden minder kunstenaars een hoger bedrag moeten krijgen.’

Volgens de kunstenaars wekken Luiten en Ter Braak de indruk dat ‘de Nederlandse kunstenaar zich als een lui varken rondwentelt in een warm bad van subsidies’. ‘Kunstenaars worden afgeschilderd als subsidievreters’, zegt Lisa Couwenbergh. ‘Dat is niet alleen het beeld van de buitenwacht, maar nu ook van binnenuit.’

Lex ter Braak reageert verbaasd op de kritiek: ‘Ik heb nooit geschreven dat Nederlandse kunstenaars lui zijn, subsidies moeten worden afgeschaft of dat de Nederlandse kunst internationaal geen belangrijke rol speelt.’

Met hun kritiek op de fondsen staan de kunstenaars niet alleen. Eind 2006 namen de directeuren van zeven grote musea in onder meer Den Haag en Groningen de Mondriaan Stichting onder vuur. 


De overgrote meerderheid van de Nederlandse kunstenaars is links progressief en zegt dus op te komen voor de 'gewone man', 'de arbeidersklasse' enzovoorts. Op zich een nobel streven. Wat de kunstenaar echter tot een hypocriet maakt is dat ie zijn hele professionele leven door middel van de overheid diezelfde gewone man die helemaal niet geïnteresseerd is in het werk van de kunstenaar dwingt om in zijn levensonderhoud te voorzien. 

[Z]odra je je hobby kunst noemt, ligt het blijkbaar anders en wordt je bestaan voor een klein of groot deel door de overheid bekostigd.
De kunstenaar krijgt zijn opleiding betaald door de overheid, krijgt een speciale uitkering voor kunstenaars, gemeentes kopen zijn werk aan (om het vervolgens ergens in een kelder op te slaan), musea en theaters en ateliers worden gesubsidieerd, enzovoorts. Deze hele zichzelf in stand houdende bureaucratie wordt door de belastingbetaler, die er nooit om gevraagd heeft, bekostigd. Als klap op de vuurpijl doen kunstenaars dan ook nog eens vaak neerbuigend over de culturele smaak van de gewone man (die al die 'hoogstaande, diepgaand betekenisvolle kunst' natuurlijk nooit kan begrijpen). Spugen op de hand die gedwongen wordt je te voeden, heet dat.

Op de vrije markt is het zo dat als er geen of te weinig vraag is naar je producten (schilderijen, beelden, installaties, boeken, enzovoorts)  je zelf voor aanvullend inkomen zal moeten zorgen. Iemand die treintjes verzamelt, maar niet genoeg mensen vindt om tegen betaling zijn verzameling te bekijken, of iemand die graag zingt maar geen betalende toehoorders kan vinden, is bezig met een hobby, niet met een beroep en hij zal zelf in zijn levensonderhoud moeten voorzien. Maar zodra je je hobby kunst noemt, ligt het blijkbaar anders en wordt je bestaan voor een klein of groot deel door de overheid bekostigd.

Dit laat ook meteen de andere reden zien dat kunstenaars vrijwel altijd links zijn: het opkomen voor de gewone man is leuk en aardig, maar een grote overheid hebben die jou als kunstenaar geld geeft is natuurlijk nog veel mooier. Het is een win-win situatie: de kunstenaar krijgt zijn inkomen van de overheid en de overheid verkrijgt gratis linkse propaganda over hoe goed en noodzakelijk de overheid is. En het is natuurlijk een regelrechte ramp als er een einde of zelfs maar een kleine verandering in deze paradijselijke situatie dreigt te komen, zoals nu het geval lijkt te zijn. Karel Beckman schreef eerder een pamflet tegen overheidssubsidieing van kunst waarin ie hier verder op in gaat:

'Mijn vraag is met welke rechtvaardiging mensen die niet geïnteresseerd zijn in theater worden gedwongen om hieraan mee te betalen. Waarom worden kunst en cultuur gesubsidieerd? Van links tot en met rechts, van onder tot en met boven, van SP tot en met VVD, verzet geen enkele politieke partij zich principieel tegen kunstsubsidies.

[W]ant als er één Zaak is waar onze schrijvers, schilders, beeldhouwers, acteurs, dansers, componisten en musici pal voor staan [...]dan is het wel de dreiging van zelfs maar de miniemste korting op deze of gene cultuursubsidieregeling.
Het is, ik weet het, een onderwerp waar weinig eer aan te behalen valt. Kunstsubsidies zijn een keihard politiek gegeven. Van links tot en met rechts, van onder tot en met boven, van SP tot en met VVD, verzet geen enkele politieke partij zich principieel tegen kunstsubsidies. Ik heb het zelfs niet in het tienpuntenplan van Geert Wilders zien staan.

Ik denk dat daar twee redenen voor zijn. Ten eerste gaat het om weinig geld. Ten tweede durft niemand zich de toorn van de culturele elite op de hals te halen. Dat laatste is wel begrijpelijk, want als er één Zaak is waar onze schrijvers, schilders, beeldhouwers, acteurs, dansers, componisten en musici pal voor staan, één Onrecht waar onze culturele voorhoede de straat voor op gaat, de pennen voor slijpt en de kelen voor schor schreeuwt, één Kwestie ten aanzien waarvan de kibbelzieke kunstwereld een ongekende solidariteit aan de dag weet te leggen, dan is het wel de dreiging van zelfs maar de miniemste korting op deze of gene cultuursubsidieregeling. Wat er zou gebeuren als een politicus het volledige subsidiecircus zou proberen af te schaffen, laat zich slechts raden. Het land zou te klein zijn. Want één kunst verstaan de meeste kunstenaars uitstekend: de kunst van het agressief bedelen, van het op-hoge-toon opeisen van voorrechten en privileges waar gewone mensen alleen maar van kunnen dromen.' Lees verder.

Gerelateerde link:
 
- Lezingenserie van Paul Cantor over Commerce and Culture

 

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl