“The only business of business is business.”
Milton Friedman

Het kleine arsenaal voor de morele verdediging van de vrije markt

Door Auke Leen

12 september 2007

Het volgende idee van vraag en antwoord is naar een voorbeeld uit 1847 van Fréderic Bastiat (1). Bastiat bestreed op deze manier de vooroordelen in zijn tijd tegen de vrijhandel (2). In onze tijd worden de materiële voordelen van een markteconomie boven een centraal geleide economie en overheidsingrijpen algemeen erkend.

Veelal blijft echter onbestreden de vermeende moreel lagere status van de markt. Om het gelijke met het gelijke te bestrijden, volgen hieronder morele argumenten tegen dat vermeende gebrek van de markt (3). De tegenwerpingen brengen de discussie op een gelijk vlak en beogen de aanvaardbaarheid van de markt in morele zin te vergroten.

Stel iemand zegt tegen je: “De markt heeft geen moraal.”

Antwoord: “Dat klopt, de markt is amoreel: zij komt niet voor morele beoordeling in aanmerking. De markt is een ruilproces dat even goed of slecht is als de mensen die haar gebruiken. Maar dat laatste geldt ook voor de besluitvorming van de overheid. Zo gezien, is het voor de consument een keuze uit twee kwaden: overgeleverd te zijn aan een warme of koude overheid dan wel markt.”

Stel iemand zegt tegen je: “De markt kan pas werken als de mensen voldoende moraal hebben.”

Antwoord: “De vrije markt biedt het individu de kans zich moreel te ontwikkelen. Slechts bij eigen keuze en verantwoordelijkheid kunnen individuen bestaande waardes bevestigen, doen groeien en moreel respect verdienen. Een vrije markt met immorele mensen is daarom te verkiezen boven een onvrije samenleving met dezelfde mensen. Te wachten tot mensen voldoende moraal hebben om de vrijheid van de markt aan te kunnen, staat gelijk aan de dwaas die niet in het water wilde gaan voordat hij had geleerd hoe te zwemmen.”

Stel iemand zegt tegen je: “De markt is er alleen voor de sterken en niet voor de zwakken.”

Alleen door de massa van zwakken te dienen, valt er voor de sterke geld te verdienen.
Antwoord: “Zwakken en sterken zijn er in iedere maatschappij. Waar het op aan komt is dat in een markt de sterken alleen hun macht (in de vorm van geestelijk en materieel kapitaal) kunnen uitoefenen door producten te produceren die zwakken in vrijwilligheid kopen. Alleen door de massa van zwakken te dienen, valt er voor de sterke geld te verdienen. De kern van de markteconomie is een vrijwillige wederzijds voordelige ruil.

In de voor-kapitalistische maatschappij, daarentegen, was de zwakke het slachtoffer van, bijvoorbeeld, de macht van de roofridder. Het verwijt staat gelijk aan de angst dat bedrijven hun machtsposities uitbuiten: de winst opdrijven ten koste van de consumenten. Maar in een markteconomie, waar consumenten aan het roer staan, volgen winsten goede producten en diensten. Zolang de toetreding tot een markt vrij is, kan geen producent zijn macht uitbuiten.”

Stel iemand zegt tegen je: “Wat nodig is, is een meer gelijke inkomensverdeling.”

Antwoord: “Een ongelijke beloning en het marktproces dat rijkdom creëert gaan hand in hand. Je maakt de armen niet rijker door de rijken armer te maken. Er bestaat het idee dat je het ene kunt behouden en aan het andere kunt gaan sleutelen. Maar de maatschappij is een complex geheel van met elkaar samenhangende delen. Gelijkheid in beloning ontneemt individuen het morele recht op de vruchten van hun arbeid. Als een individu het recht heeft op zijn eigen leven, heeft hij ook het recht dat in stand te houden: op de vruchten van zijn eigen arbeid. Gelijkheid in beloning ontneemt de mens ook de prikkel om zich in te spannen. Een beleid dat de welvaart voor een ieder vernietigd is immoreel. De materiële vloed van een ongelijke inkomensverdeling tilt ieder bootje op groot of klein. De markt is een ontdekkingsproces waarin producenten de prikkel hebben om aan consumentenwensen te voldoen en te kijken of de dienstverlening goedkoper en beter kan.

We moeten een onderscheid maken tussen de goede bedoelingen van overheidsbeleid en de resultaten op de welvaart die volgen uit de prikkels die van dat beleid uitgaan. De positieve resultaten van beleid zeggen niets over de kosten. Zoals ook het aantal soldaten dat levend van een slachtveld komt niets zegt over het aantal slachtoffers.”

Stel iemand zegt tegen je: “De hoogte van de beloning van productiefactoren behoort moreel te worden getoetst.”

Antwoord: “Die stelling is niet eens een halve waarheid maar helemaal fout. Een van de centrale waardes in de economie is dat de materiële beloning van een activiteit (binnen de wet en gebonden aan concurrentie) in overeenstemming dient te zijn met de waarde van die specifieke dienst voor de gebruiker. Die beloning heeft niets te maken met de waardering die iemand in moreel opzicht als mens heeft in de ogen van anderen. Individuen moeten de vrijheid hebben om zelf de personen te kiezen die zij respecteren en die invloed op hun morele handelen hebben.

Ierse immigranten werden zonder verzorgingsstaat en met een vrije markt en private liefdadigheid in rap tempo succesvol in hun nieuwe land.


We moeten een onderscheid maken tussen naar believen gekozen morele normen die slechts menselijke wensen dienen---naar meer gelijkheid bijvoorbeeld---en morele normen die juist dienen als een beperking van die menselijke wensen: het verbieden van immoreel gedrag. Een onderscheid dat gelijk is aan het onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheidsrechten. Normen zijn geen middelen voor de bevrediging van onze wensen (wat we leuk vinden) maar middelen (de morele waardes van eigendom en eigen verantwoordelijkheid) die bijdragen aan de groei van onze welvaart. Van deze laatste norm, niet-inmenging in andermans aangelegenheden, is de vruchtbaarheid aangetoond theoretisch door de economische wetenschap en praktisch in de markteconomie door groei van de welvaart en bevolking.”

Stel iemand zegt tegen je: “Winst wordt slechts aangewend voor zelfverrijking en blijft in particuliere handen.”

Antwoord: “Een kapitalist die zijn winst niet investeert naar de wens van de consument verliest die winst. Eigendom in een kapitalistische economie, voor zover het productiemiddelen betreft, is een publiek mandaat. Een bedrijf heeft waarde, en ook slechts voor zolang, als het investeert daar waar de consumenten dat willen.

Stel iemand zegt tegen je: “We zijn op de wereld om elkaar te helpen. We kunnen allemaal best iets inleveren en solidair zijn met onze medemens die het niet zo breed heeft.”

Antwoord: “Volkomen gelijk. Alleen moet dat helpen wel in vrijheid gebeuren. Het idealisme van een doel kan worden betwijfeld als voor de vervulling daarvan het nodig is de middelen die anderen voor zichzelf hebben gecreëerd door middel van belastingheffing te gebruiken. Gedwongen solidariteit, via belastingheffing of het betalen van sociale premies, heeft niets met echte solidariteit te maken. Echte solidariteit dient, wil zij morele waarde bezitten, gebaseerd te zijn op vrijwilligheid.

Bovendien, de private charitatieve hulp die er bij afwezigheid van dwang zal zijn, helpt, zo leert de ervaring, veel meer mensen dan overheidshulp. Er blijft minder aan de strijkstok hangen en het sluit oneigenlijke gebruikers beter uit. We kunnen toe met veel minder hulp.”

Stel iemand zegt tegen je: “De armen kunnen zich zelf niet helpen.”

Antwoord: “Daargelaten specifieke groepen zoals zwakbegaafden, chronisch zieken, gehandicapten en ouderen komt dat ten dele door de immoraliteit van de vele regels. Regels die het een arme verhinderen zichzelf te helpen. Vroeger kon een arme zich een auto permitteren door die auto voor een gedeelte van de week als taxi te gebruiken. Zoals velen zich nu nog een bepaald huis kunnen veroorloven door er kamers in te verhuren. Wat niet uitsluit dat de oplossing: het ontdekkingsproces van de markt, tijd kost. Maar dat doet overheidsbesluitvorming en de uitvoering daarvan ook.”

Stel iemand zegt tegen je: “Als democratisch tot een beleid van herverdeling wordt besloten, is dat beleid ook moreel gerechtvaardigd.”

Antwoord: “We moeten een onderscheid maken tussen politieke en persoonlijke vrijheid. Een democratisch politiek besluit kan totalitair zijn en de vrijheid van het individu aantasten. De mogelijkheid van individuele vrijheid komt er dus uiteindelijk op neer hoe individuen over zichzelf denken. Het komt er dus op aan of de morele visie van de mens op zichzelf is als middel van de gemeenschap of als een uniek doel waarbij hij moet worden beschermd tegen de passies van de momentane meerderheid.

Op de markt hebben individuen de vrijheid om hun eigen doelen na te streven, zonder dat dit met het nastreven van de doelen van andere individuen in botsing komt.
Kortom, bij de genoemde uitspraak ligt de nadruk op de vorm van democratische besluitvorming en niet op de inhoud van de persoonlijke vrijheid. De uitspraak is een voorbeeld van een bepaald zelfbeeld van de mens. Een zelfbeeld waarbij niet de politieke vorm verandert, de democratische besluitvorming, maar het gebruik dat ervan wordt gemaakt: het belang van de gemeenschap prevaleert boven dat van het individu ”

Stel iemand zegt tegen je: “De uitkomsten van het marktproces vragen om een morele toets.”

Antwoord: “De uitkomsten van het marktproces zijn door niemand te bepalen. Zij zijn het gevolg van geluk en kunde en kunnen dus ook niet moreel worden beoordeeld. Het is even onzinnig om een vulkaanuitbarsting moreel of immoreel te noemen. Het is juist de kracht van de markt dat het niet berust op een eenduidig geordende lijst van doelen die moreel kan worden beoordeeld. Op de markt hebben individuen de vrijheid om hun eigen doelen na te streven, zonder dat dit met het nastreven van de doelen van andere individuen in botsing komt. Als doeleinden van individuen en groepen verschillen geeft de markt een orde van vrede.

Auke Leen

Noten:
(1). Fréderic Bastiat, “The Little Arsenal of the Freetrader,” in: Economic Sophisms, Irvington-on-Hudson, NY: Foundation for Economic Education, 1964, pp. 251-257, .

(2). Voor een hedendaags voorbeeld zie: Mary J. Ruwart, Short Answers to Tough Questions, Kalamazoo, Mich.: SunStar Press, 1998. www.ruwart.com.

(3). Het volgende is voornamelijk gebaseerd op de volgende literatuur:

Friedrich. A. Hayek, “The Principles of a Liberal Social Order,” in: Studies in Philosophy, Politics and Economics, London: Routledge, 1976, pp. 160-177.

Friedrich. A. Hayek, “The Moral Element in Free Enterprise,” in: Studies in Philosophy, Politics and Economics, London: Routledge, 1976, pp. 229-236.

Friedrich. A. Hayek, “The Origin and Effects of Our Morals: A Problem for Science,” in: The Essence of Hayek, eds C. Nishiyama en K.R. Leube, Stanford: Hoover Institution Press, 1984, pp. 318-330.

Keith Joseph, Stranded on the Middle Ground? Reflections on Circumstances and Policies, London: Centre for Policy Studies, 1976.

Thomas Sowell, Basic Economics, A Citizen’s Guide to the Economy, New York: Basic Books, 2004.

Gerelateerde links:
- Tien Leugens over het Kapitalisme, Bart Croughs
- Waarom Ze de Markt Haten, Art Carden

Over de auteur

Auke Leen is econoom en doceert aan de Universiteit Leiden. Hij studeerde algemene economie en wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.

Op zijn homepage vindt u een deel van zijn publicaties.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl