Handleiding ter bestrijding van gematigd-links

Door Bart Croughs

14 juli 2004

Het is interessant om te zien hoe voormalig progressieve intellectuelen zich, toen de wind keerde, bekeerd hebben tot een rechtsere kijk op de wereld.

Een prachtvoorbeeld is Leon de Winter, die nu schittert in Elsevier als rechtse columnist. In die positie legt hij anderen langs de morele maatstaf. De Winter lijkt typisch iemand die vroeger met links sloeg maar dat nu liever met rechts doet. Hij is niet zozeer tegen slaan maar vindt rechtse repressie nu beter dan linkse repressie.

Bart Croughs schreef in 1995 over het progressieve gedachtengoed van De Winter in In de Naam van de Vrouw, de Homo en de Allochtoon. Opdat we niet vergeten hoe de progressieven van weleer er over dachten en hoe schaamteloos leugenachtig mensen kunnen zijn. Dat mensen hun mening wijzigen is heel natuurlijk maar in dit geval zou een langdurig en publiekelijk mea culpa wel op zijn plaats zijn.


In 1994 verscheen bij de Bezige Bij de Handleiding ter bestrijding van extreem-rechts, geschreven door Leon de Winter en Chris van der Heijden. Ook uit dit pamflet blijkt dat in progressieve kringen leugens en drogredenen nog steeds worden gezien als de beste wapens om extreem-rechts te bestrijden. Op zich is dat niet zo verwonderlijk: progressieven hebben op dit gebied nu eenmaal een lange traditie opgebouwd. Of het nu ging om criminaliteit of uitkeringsfraude, om de invloed van de genen of om communistische moordregimes -leugens en drogredenen waren altijd de favoriete wapens van vooruitstrevend Nederland. Dat van deze traditie niet zomaar afstand zou worden gedaan, lag dus in de lijn der verwachting.

Chris en Leon hebben hun handleiding gegoten in de vorm van een discussie tussen henzelf en een denkbeeldige vertegenwoordiger van extreem-rechts. Je zou denken dat zo'n discussie waarbij je zelf de argumenten van de tegenstander mag bedenken, garant staat voor een eenvoudige overwinning. Maar dat valt tegen. Vooral de opzichtigheid en het gebrek aan talent waarmee Chris en Leon de feiten proberen te verdoezelen, zijn opvallend; wanneer ze hun stellingen met feitenmateriaal pogen te onderbouwen, is het meestal niet eens nodig cijfers van het CBS op te zoeken om hun leugens te kunnen ontmaskeren.

Of het nu ging om criminaliteit of uitkeringsfraude, om de invloed van de genen of om communistische moordregimes -leugens en drogredenen waren altijd de favoriete wapens van vooruitstrevend Nederland.
Op de stelling van de denkbeeldige vertegenwoordiger van extreem-rechts dat de Nederlandse staat zich schuldig maakt aan discriminatie door buitenlanders voor te trekken (in de ogen van Leon en Chris ben je kennelijk extreem-rechts als je dit racistische overheidsbeleid verwerpt), wordt geantwoord dat dit niet juist is. Want: 'de Nederlandse staat steunt de sociaal zwakken'(blz. 13). Een opzichtige leugen: het beleid van positieve discriminatie is niet gebaseerd op 'sociale zwakheid' (lees: domheid, luiheid en incompetentie), maar op huidkleur, 'Sociaal zwakke' Nederlanders profiteren niet van positieve discriminatie, 'sociaal sterke' buitenlanders profiteren er wel van. Ook in het vervolg volharden Chris en Leon in hun leugen: 'We hebben gekozen voor een samenleving waarin elk individu gelijke rechten en dezelfde plichten heeft' [blz. 14), en: 'De zwakkeren worden beschermd, ongeacht ras, geslacht of geloof' (blz. 15).

Hoezeer Leon en Chris op het punt van positieve discriminatie met de handen in het haar zitten, blijkt wel uit het feit dat ze uit pure armoede het Lubberiaanse argument van stal halen dat de hoge werkloosheid onder allochtonen bewijst dat de Nederlandse staat geen politiek van positieve discriminatie voert (blz. 13). Maar ze zijn creatief geweest en hebben ook een geheel eigen argument bedacht om aan te tonen dat de Nederlandse staat allochtonen niet voortrekt: 'Van de mensen die in Nederland een uitkering genieten behoort de meerderheid tot de oorspronkelijke Nederlanders' (blz. 13). Afgezien van het feit dat niemand beweert dat het beleid van positieve discriminatie ook betrekking heeft op de uitkeringen, valt de leugen-achtigheid van de formulering op: in absolute aantallen zijn er weliswaar meer Nederlandse uitkeringstrekkers, maar het gaat bij dit soort zaken natuurlijk om relatieve aantallen.

De verwarring van de antiracisten omtrent positieve discriminatie is erg amusant. Welke strategie moet worden gevolgd? Er zijn globaal genomen twee stromingen te onderscheiden: Leon en Chris behoren, samen met onder anderen Lubbers, tot de 'harde' antiracisten, die beweren dat er geen sprake is van positieve discriminatie van allochtonen, en die vervolgens de meest waanzinnige redeneringen bedenken om deze fictie in stand te houden. Maar dit werk is futiel, omdat de wat minder extreme antiracisten openlijk toegeven dat er wel degelijk sprake is van positieve discriminatie. De antiracisten die tot deze tweede stroming behoren, zoals Hans van Mierlo, maken pas bezwaar als iemand kritiek durft te leveren op deze overheidspolitiek. Een dergelijke innerlijke verdeeldheid doet de antiracistische zaak natuurlijk weinig goed; wat meer coördinatie en overleg zou hier wel op zijn plaats zijn. Misschien iets om op de volgende anti-racismedemonstratie te bespreken?

Ook proberen Chris en Leon te berekenen dat allochtonen de schatkist evenveel opbrengen als ze kosten; een zware opgave. Allochtonen zijn relatief vaak werkloos. Minder werkenden betekent minder belastingopbrengsten en meer kosten aan uitkeringen, huursubsidie en dergelijke. Bovendien brengen werkende allochtonen de schatkist ook relatief minder geld op dan werkende autochtonen, omdat ze gemiddeld minder verdienen dan autochtonen en dus minder belasting betalen. Tel daarbij op de kosten van de opvang van asielzoekers, van de gevangenissen (waarin bepaald geen afspiegeling van de bevolking vertoeft), en van de positieve-discriminatieprogramma's (volgens de opgave op blz. 38 wordt jaarlijks bijna een miljard gulden uitgetrokken voor het 'minderhedenbeleid') en het is duidelijk hoe zwaar de taak van Leon en Chris is.

Hun berekeningen zijn er dan ook naar. Buitenlanders krijgen volgens Chris en Leon ongeveer 10 miljard aan sociale voorzieningen uitgekeerd (AOW niet meegeteld). Aan loonbelasting en premies betalen buitenlanders ook ongeveer 10 miljard. Conclusie: 'Vermoedelijk brengen ze net zoveel op als ze kosten' (blz. 25). Een merkwaardige berekening, waarbij Chris en Leon er voor het gemak van uitgaan dat loonbelasting en premies alleen worden gebruikt om sociale voorzieningen van te betalen. Waar de politie, de rechterlijke macht, de gevangenissen, de scholen, de wegen, de universiteiten, en al die andere overheidsdiensten van gefinancierd worden, is in deze berekening niet duidelijk.

Om te bewijzen dat zich onder buitenlanders heus niet meer 'profiteurs' bevinden dan onder Nederlanders, komen Chris en Leon met een opmerkelijk argument: 'Bijna tien procent van de actieve Nederlandse beroepsbevolking bestaat uit zogenaamde buitenlanders-en dat terwijl maar 8% van de totale bevolking "niet-Nederlands" is' (blz. 34). Chris en Leon schrijven in hun voorwoord dat hun cijfers in bijna alle gevallen afkomstig zijn van het cbs, maar in de 'enquête beroepsbevolking 1994/ van het cb s zijn vreemd genoeg heel andere cijfers te lezen. Volgens het CBS is van de totale beroepsbevolking 9,4 procent allochtoon, terwijl van de werkzame beroepsbevolking slechts 8,2 procent allochtoon is. Van de totale bevolking tussen 15 en 64 jaar is 10,8 procent allochtoon. Als we naar de cijfers kijken die er werkelijk toe doen, dan wordt het probleem nog duidelijker: van de autochtone beroepsbevolking is 7,2 procent werkloos, van de allochtone beroepsbevolking 20,2 procent. Vreemd genoeg geven Chris en Leon op blz. 15 rustig toe dat de werkloosheid onder allochtonen drie keer 20 groot is als onder autochtonen. Dit lijken ze negentien bladzijden verder weer vergeten te zijn. 'Een leugenaar moet veel onthouden', schreef een Romeinse wijsgeer al.

Het progressieve denken over criminaliteit onder allochtonen lijkt in een nieuwe fase te zijn beland. Jarenlang hebben vooruitstrevende denkers iedereen die hieromtrent de waarheid durfde te spreken voor racist, fascist en neonazi uitgemaakt en voor de rechter gesleept. Na een aantal uitspraken van commissaris Nordholt leek dit taboe eindelijk doorbroken te zijn. (Nordholt was overigens verstandig genoeg om zijn uitspraken met wat progressieve leugens te mengen, om zo zijn baan veilig te stellen. De criminaliteit onder allochtonen was volgens Nordholt geen zaak van goed en kwaad, nee, de arme allochtone misdadigers waren kansarm en werden door de maatschappij die hen buitensloot wel gedwongen het criminele pad op te gaan,- kortom, niet de criminelen waren schuldig aan de criminaliteit, maar 'de maatschappij'-dat wil zeggen de niet-criminelen.)

Het volledig ontkennen van de relatief hoge criminaliteit onder allochtonen kon niet meer; Chris en Leon moesten dus een andere tactiek verzinnen. Ze kozen voor de meest voor de hand liggende uitweg: de hogere criminaliteitscijfers zoveel mogelijk bagatelliseren. 'Er zijn relatief meer criminele "buitenlanders". Dat is waar. Maar het zijn er niet veel meer. Het gaat om kleine getallen. Als honderdsten van seconden bij het schaatsen' (blz. 33}. Dat zou bijzonder goed nieuws zijn. Hoe onderbouwen ze deze opmerkelijke stelling? Uiteraard beginnen ze weer met het geven van misleidende cijfers: van de Nederlandse gevangenen heeft slechts '28 procent een niet-Nederlands paspoort' (blz. 32). Nu is dat op zich al erg genoeg: volgens de opgave van Leon en Chris op bladzijde 10 heeft slechts een kleine 5 procent van de bevolking in Nederland een niet-Nederlands paspoort. Als van de gevangenisbevolking 28 procent een niet-Nederlands paspoort heeft, dan betekent dit dat zich onder buitenlanders 7,5 keer zoveel criminelen bevinden als onder Nederlanders ('als honderdsten van seconden bij het schaatsen').

Maar het probleem wordt op deze manier onderschat, want er zijn vele allochtonen met een Nederlands paspoort, en er zijn ook nogal wat mensen met een buitenlands paspoort die niet tot de officiële 'minderheden' behoren (voornamelijk Duitsers). Als we de definitievan het cbs aanhouden (allochtoon is iedereen die in het buitenland is geboren of een buitenlands paspoort heeft), dan rollen er wat realistischere cijfers uit de bus. Volgens de gevangenisstatistiek 1993 van het CBS (blz. 33) is van de gevangenisbevolking bijna de helft allochtoon, terwijl van de totale bevolking 9,5 procent allochtoon is (zie: Minderheden in Nederland: statistisch vademecum 1993-1994).

'Iemand met een weloverwogen standpunt' zal erop wijzen dat 99,96 procent van de Nederlanders op vrije voeten is, tegenover 99,72 procent van de buitenlanders.
Dat buitenlanders gemiddeld 7,5 keer zo crimineel zijn als Nederlanders is iets wat je niet mag zeggen van Chris en Leon. Alleen 'iemand die er belang bij heeft buitenlanders zwart te maken' zal zoiets zeggen; 'iemand met een weloverwogen standpunt' zal erop wijzen dat 99,96 procent van de Nederlanders op vrije voeten is, tegenover 99,72 procent van de buitenlanders; nauwelijks enig verschil (blz. 35). Dus om te bepalen in hoeverre de aanwezigheid van buitenlanders verantwoordelijk is voor de sterk gestegen misdaad in Nederland, moeten we vooral niet de relatieve aantallen criminele buitenlanders en criminele Nederlanders vergelijken, maar juist de relatieve aantallen buitenlanders en Nederlanders die niet crimineel zijn.-Een geheel nieuwe en verfrissende benadering van dit probleem.

Nog een mooie drogredenering, die vooral door z'n eenvoud amusant is: 'Er wonen in Nederland ruim 700 duizend mensen met een buitenlands paspoort. Het aantal gedetineerde buitenlanders is niet meer dan tweeduizend. Dus slechts één op de driehonderdvijftig allochtonen is crimineel' (blz. 34). Zouden Leon en Chris echt niet weten dat het opsporen en berechten van criminelen een taak van onze vooruitstrevende overheid is, en dat de overgrote meerderheid van de criminelen dus vrij rondloopt?
Voorts beweren Chris en Leon dat er meer jonge allochtonen zijn dan jonge autochtonen, en dat allochtonen relatief vaak uit de lagere sociale klassen komen, en dat als dit niet het geval zou zijn, de criminaliteit onder allochtonen lager zou zijn (blz. 33). Nu weet iedere progressieve intellectueel dat het een schandalig en stigmatiserend vooroordeel is dat zich in de lagere klassen meer criminelen zouden bevinden; dat Leon de Winter in het openbaar dergelijke borreltafelpraat spuit, valt me zwaar van hem tegen.

Men kan zich afvragen waarom er door progressieve intellectuelen eigenlijk zoveel gelogen wordt bij het 'bestrijden' van extreem-rechts. Het antwoord: de waarheid moet wel ontkend worden, want zodra men de realiteit onder ogen ziet, blijkt direct dat het voor een belangrijk deel progressieve overheidsmaatregelen zijn die ertoe leiden dat nogal wat Nederlanders de aanwezigheid van allochtonen niet als een verrijking beschouwen.

De leer dat er zoveel mogelijk immigranten tot Nederland moeten worden toegelaten, is natuurlijk bijzonder vooruitstrevend, maar heeft wel tot gevolg dat alle bestaande problemen nog eens worden verergerd, en het enthousiasme voor de aanwezigheid van buitenlanders nog verder daalt.
De leer dat asielzoekers moeten worden opgevangen op kosten van de belastingbetaler, mag dan erg progressief zijn, het heeft wel tot gevolg dat veel belastingbetalers asielzoekers liever zien gaan dan komen.

De leer dat criminaliteit niet de schuld is van de crimineel, maar van de maatschappij, en dat daarom criminelen zo slap mogelijk gestraft en zo snel mogelijk weer op vrije voeten moeten worden gesteld, is natuurlijk erg progressief. Maar het heeft wel tot gevolg dat criminaliteit een probleem wordt. Aangezien de criminaliteit onder allochtonen relatief hoog is, zal deze leer geen verhoogd enthousiasme ten opzichte van allochtonen teweegbrengen.

De leer dat werkgevers gedwongen moeten worden een torenhoog minimumloon te betalen, mag dan erg progressief zijn, het enige gevolg is dat iedereen die per maand minder dan ƒ2700 in het laatje van de werkgever brengt, geen werk zal vinden. Iedereen die ƒ2500 per maand zou kunnen verdienen, ƒ2100 of ƒ1600, en die zonder probleem in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien, wordt door onze vooruitstrevende overheid gedwongen om in de bijstand te parasiteren op de werkkracht van de belastingbetaler. Aangezien veel allochtonen slecht zijn opgeleid en slecht Nederlands spreken, komen velen van hen in de bijstand terecht. Dit zal de populariteit van allochtonen bij de doorsnee-belastingbetaler niet verhogen.

De leer dat de hoge werkloosheid onder allochtonen die door de overheid zelf is veroorzaakt, moet worden bestreden door bij overheidsbaantjes allochtonen voorrang te geven, is natuurlijk uiterst progressief. Het gevolg is wel dat warme gevoelens jegens allochtonen nog schaarser worden.

De leer dat er zoveel mogelijk immigranten tot Nederland moeten worden toegelaten, is natuurlijk bijzonder vooruitstrevend, maar heeft wel tot gevolg dat alle bestaande problemen nog eens worden verergerd, en het enthousiasme voor de aanwezigheid van buitenlanders nog verder daalt.

Kortom, het gebrek aan vreemdelingenliefde dat nogal wat Nederlanders (doorgaans stiekem) voelen, is niet gebaseerd op 'vooroordelen', zoals Leon, Chris en al die andere vooruitstrevende denkers beweren, maar op feiten; en die feiten zijn voornamelijk een gevolg van vooruitstrevende overheidsmaatregelen. Dit toe te geven is voor een progressieve intellectueel natuurlijk zeer onaantrekkelijk. Het zou betekenen dat hij zelf voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor de negatieve gevoelens jegens buitenlanders die hij zo fanatiek probeert te bestrijden. En, wat mogelijk nog erger is: het zou er weleens toe kunnen leiden dat de progressieve politiek die hij aanhangt flink zou worden bijgesteld. Vandaar dat zijn enige keus is; ontkennen. Liegen, Hopen dat als je hard roept dat bepaalde feiten 'vooroordelen' zijn, dat deze feiten dan vanzelf zullen verdwijnen. En als je ziet dat ondanks je vrome leugens de warme gevoelens jegens buitenlanders steeds schaarser worden, hard roepen dat dit veroorzaakt wordt door de racistische inslag van de verwerpelijke Hollander.

Ondanks de leugenachtigheid van het pamflet is er zowaar een hoofdstuk waar ik volledig mee kan instemmen. Hoofdstuk 9 is een krachtig pleidooi tegen de leus koop Nederlandse waar en voor internationale vrijhandel. Maar het is wel een vreemd spektakel om progressieve intellectuelen ineens zulke kapitalistische ideeën te zien omhelzen. Leon en Chris zijn overigens niet de enige intellectuelen die het 'kille marktdenken', 'de wet van de jungle' (u kent de clichés wel) ineens beginnen aan te prijzen wanneer het buitenland ervan meeprofiteert. Al jarenlang doet het amusante verschijnsel zich voor dat intellectuelen die de vrije markt liever vandaag dan morgen zien afgeschaft, hard foeteren op de importheffingen die Derde-Wereldlanden door het Westen worden opgelegd. Vrijhandel! luidt dan ineens de strijdkreet van deze antikapitalisten.

Bart Croughs

Dit hoofdstuk is onderdeel van het boek "In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon" uit 1995.

Gerelateerde link:
- Vrome leugens

Over de auteur

Bart Croughs (1966) is een van de vruchtbaarste libertarische geesten van Nederland. Hij is afgestudeerd in de filosofie en was voorheen hoofdredacteur van het tijdschrift "Reactie".

Bart Croughs schreef het boek "In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon". U kunt het bestellen bij Lulu.com of delen ervan hier lezen. Het is een humoristische en felle aanval op het links intellectuele denken in Nederland en legt op zeer leesbare wijze de inconsequenties ervan bloot.

Verder schreef hij voor Playboy zijn eigen column in de periode van maart 1997 tot en met augustus 1998. Gedurende enkele jaren had Croughs een column in het opinieweekblad HP/de Tijd.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl