Democratie; de overwinning van een slecht idee?

Door René Schmitt

14 mei 2007

Na de val van de Berlijnse muur in 1989 werd door Francis Fukuyama Het einde van de Geschiedenis uitgeroepen als het product van een doelgerichte, uniforme universele geschiedenis van de mensheid met als eindbestemming de liberale democratie als baken van vooruitgang en beschaving.

Volgens Hans-Hermann Hoppe (1949), een anarcho-kapitalistische filosoof behorende tot de Oostenrijkse school binnen de (politieke) economie, markeert deze beweging, het democratisch republicanisme, juist een proces van de-civilisatie. Deze beweging, die zijn wortels heeft in de Franse Revolutie, werd voltooid toen de progressieve regering van de Amerikaanse president prof. Woodrow Wilson de (ideologische) oorlog verklaarde aan de monarchen van Europa om de wereld 'safe for democracy' te maken. Democratie, volgens Hoppe een zachte vorm van communisme, is dan ook achteruitgang ten opzicht van het aristocratische Europa.

Hoppe, als prominent lid van de Austrians, heeft zijn overtuigingen ontwikkeld op basis van de ideeën van o.a Carl Menger, Eugen von Böhm-Bawerk (grote opponent van Marx), Ludwig von Mises en Murray N. Rothbard. Centraal binnen de Oostenrijkse school, een school die zich in de traditie begeeft van het klassieke liberalisme/libertarisme, staat de praxeologie. De basisprincipes van de praxeologie zijn als eerst ontdekt door de Griekse filosofen (waaronder Aristoteles) die het gebruikten als onderbouwing voor hun theorieën over Eudaimonia (geluk) als het doel van het menselijk leven. De middeleeuwse scholastici hebben dit verder uitgewerkt in het kader van economie en sociale wetenschap. Deze praxeologische benadering van de economie en de sociale wetenschap werd aan het eind van de negentiende eeuw herontdekt door Carl Menger, de grondlegger van de Oostenrijkse school. Mises (1881-1973), en zijn discipelen (waaronder Hayek), hebben de praxeologie in kaart gebracht en gebruikt om de conceptuele incoherentie van de bestaande economie aan te tonen.

Praxeologie
Praxeologie is de (waardevrije) wetenschap van (de basisprincipes en logische deducties van) het menselijk handelen. Het is tevens een poging om aan te tonen dat de natuurwetenschappelijk-positivistische benadering van de economie, via het verzamelen en bestuderen van statistieken en het testen van hypothesen, onzin is, en dat er maar één juiste is, namelijk de logisch-filosofische. De laboratorische omstandigheden waarin natuurwetenschappelijke variabelen kunnen worden geïsoleerd zijn in de menswetenschappen niet mogelijk, ergo; de isolatie van de logica van het handelen, niet de handelende subjecten zelf, die met hun zelfbewustzijn de observatie alleen maar bevuilen. De logisch-filosofische deductie begint bij het basis-axioma dat mensen handelingen verrichten. Bewust handelen, i.t.t instinctief/impulsief handelen, is er op gericht om een (op ordinale basis bepaald) doel na te streven, met de middelen die de persoon die de handeling verricht daarvoor geschikt acht, ten einde (op basis van speculatie) een situatie te bereiken (toekomst) die men prefereert boven de huidige situatie (heden). Dit methodologisch individualisme is de basis van de Oostenrijkse benadering van het sociale aggregaat. Volgens Mises bestaat de essentie van een samenleving uit mensen die samenwerken op basis van arbeidsverdeling. In zijn grote werk Human Action beschrijft hij de evolutie van deze samenwerkingsstructuur, die volgens hem het resultaat is van twee factoren. Als eerste factor noemt hij de natuurlijke verschillen tussen mensen (arbeid) en de ongelijkheden m.b.t de geografische distributie van de natuurlijke productiefactoren (land) Als tweede noemt hij de erkenning door mensen dat werk dat verricht wordt onder arbeidsverdeling (dus non-autarkisch) productiever is dan geïsoleerde arbeid dat zelfvoorziening als doel heeft. De mens wordt dus een sociaal wezen vanwege zijn wens tot verbetering van zijn eigen welzijn, waarbij de ongelijkheid tussen mensen en de ongelijke geografische distributie van natuurlijke bronnen een vereiste zijn. Een tweede vereiste is de wederzijdse erkenning van privaat bezit (de exclusieve controle van een individu over zijn/haar lichaam en fysieke bezittingen) in tegenstelling tot agressie, diefstal en dominantie.

Volgens Hoppe hangt het slagen van deze evolutie af van twee factoren; mensen moeten 1) een minimum aan intelligentie of rationaliteit hebben en 2) de morele sterkte hebben om naar dit inzicht te kunnen handelen. Het onderdrukken van agressie, diefstal en dominantie in de vorm van (fysieke) zelfverdediging, bescherming van privaat bezit en afstraffing zijn de sleutel tot het slagen van een succesvolle samenleving waarin individuele vrijheid centraal staat

Monopolie
De staat, volgens Hoppe het product van een logische inconsistentie, wordt door hem gedefinieerd als een territoriale monopolist van ultieme besluitvorming en belastingheffing. De staat is, voor de inwoners van een bepaald grondgebied, de ultieme scheidsrechter die beslist wat juist is en wat niet. Het bepalen van de prijs voor deze dienst is exclusief voorbehouden aan de staat en de staat kan deze kosten unilateraal opleggen aan de consumenten van deze dienst waardoor er voor deze consument geen andere keuze overblijft dan het territorium van deze monopolist te verlaten mocht het geen gebruik willen maken van deze of een andere dienst van de monopolist. Deze inconsistentie is volgens Hoppe begonnen met Thomas Hobbes, die beweerde dat in een natuurlijke orde (d.w.z in absentie van een monopolistische rechtshandhaver) er een permanente oorlog zal plaatsvinden tussen eigenaren van privaat bezit. Niet alleen is dit niet waar, de logische uitkomst van een monopoliepositie zal de prijs van rechtshandhaving doen stijgen (via de stijgende marginale kosten van een grotere productie) en de kwaliteit dalen, als gevolg van het ontbreken van concurrentie om deze dienst. Daaruit trekt Hoppe de conclusie dat de staat inderdaad een groot belang heeft in het handhaven van vrede tussen haar onderdanen, d.w.z het voorkomen van situaties waarin de ene onderdaan de andere berooft van zijn/haar bezit, maar alleen met als doel om uiteindelijk zelf alle onderdanen succesvol (en legitiem) te kunnen beroven.

In het oude, aristocratische en monarchistische Europa van de middeleeuwen, dat zich kenmerkte door kleine, cultureel-homogene gemeenschappen, gestoeld op de familie-orde, die vredig met elkaar handelden en de basis vormden van de moderne stad, waren volgens Hoppe de sociale conflicten zoals wij die nu, in onze sterke gebureaucratiseerde en ver-multiculturaliseerde steden kennen, vrijwel afwezig. Het traditionele familiehuishouden is volgens Hoppe onmisbaar omdat het enorm productief is en er geen ander instituut is dat succesvoller kan zijn in het omvormen van natuurlijke seksuele lusten tussen de seksen en de natuurlijke vijandigheid tussen rassen in liefde, affectie en ware sociale relaties. Als gevolg van het pacificatieproces door familiehuishoudens en de daaruit voortkomende toename van geproduceerde goederen en verlangens ontstond er een klasse van professionele handelaars en koopmannen. Zij vormden de brug tussen de territoriaal gescheiden huishoudens en verschillende etnische en raciale, lokale gemeenschappen. Het is dan ook in deze klasse waar zich de eerste vormen van (raciaal) gemengde relaties en huwelijken voordeden. Volgens Hoppe een typisch aristocratisch fenomeen. Het monopolie op rechtshandhaving op een etnisch, raciaal en cultureel gedifferentieerd territorium, dus dwars door verschillende leefgemeenschappen en hun eigen leefregels heen, is volgens Hoppe het begin van een gevaarlijke conflict. De etnische achtergrond van de monopolist staat hoe dan ook vijandig tegenover de gemonopoliseerde gemeenschappen. Dit is, volgens Hoppe, de bron van etnisch conflict. Om het nog erger te maken: de komst van een democratisch gekozen overheid zal de stad en de familieorde verscheuren door etnische (multiculturaliteit), seksuele (feminisme) en 'sociale' conflicten, waarvan de uitkomst de moderne stad is, een verzamelingplaats van bureaucraten en op uitkeringen terende (al of niet geïmmigreerde) low lifes

Terwijl in een monarchie alleen de koning een bedreiging was, wordt in een democratie ieder individu een potentiële bedreiging.
Monarchie
Volgens Hoppe is de transitie van monarchie naar democratie niet meer dan een vervanging van een erfelijke eigenaar van een monopolie (prins of koning) door een tijdelijke en vervangbare toezichthouder op het monopolie (president, parlement) De koning bezit het monopolie en hij kan het of verkopen of nalaten aan zijn nageslacht. Daarom, redeneert Hoppe, zal hij beter nadenken en zich zorgen maken over de gevolgen van zijn handelingen vanwege de (toekomstige) waarde van zijn kapitaal. Om de waarde van zijn kapitaal te behouden of te vermeerderen zal hij het slechts bescheiden en calculerend exploiteren en is hij altijd op de toekomst georiënteerd. In tegenstelling tot de democratisch gekozen toezichthouder, die het monopolie niet bezit maar het wel in zijn eigen voordeel kan gebruiken. De exploitatie door de toezichthouder (democraat) is dus kortzichtig en niet gecalculeerd. Troonopvolgers die eventueel kwaad in de zin hebben worden vroeg of laat ingetoomd of zelfs vermoord door familieleden die belang hebben bij de succesvolle voortzetting van de dynastie. Presidenten en andere politici erven hen positie in het monopolie echter niet, zij vergaren deze positie m.b.v hun effectiviteit in het mengen van succesvolle demagogie en leugens. Hieruit kan Hoppe niets anders doen dan de conclusie trekken dat de top van de monopolistische, democratische overheid hoe dan ook bevolkt wordt door gevaarlijke mensen. In een natuurlijke orde gebaseerd op arbeidsverdeling en privaat bezit zijn mensen zich bewust van het feit dat het stelen en herverdelen van het bezit van iemand anders immoreel is. De 'avonturen' van een koning kunnen dan ook op flink wat argwaan rekenen. Maar in een (sociaal)democratie, met diens vrije entree tot de staat door elk willekeurig individu, kan iedereen aanspraak maken op het bezit van iemand anders. De antisociale gevoelens voor het innemen van het privaat bezit van iemand anders (via belastingen) worden dan versterkt. Terwijl in een monarchie alleen de koning een bedreiging was, wordt in een democratie ieder individu een potentiële bedreiging.

René Schmitt

De auteur is tweedejaars student politicologie aan de Universiteit van Leiden. Dit artikel verschijnt ook in Debat, het Leidsch politicologisch magazine.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl