Ambtenarenplaag is niet te beteugelen

Door Herman Jansen

21 februari 2007

Het aantal ambtenaren is volgens een studie van de Raad van Economisch Adviseurs (REA) in de afgelopen vier jaar met 2,6 procent gegroeid. Ondanks het voornemen van het kabinet Balkenende II om de groei van het ambtenarenapparaat te beteugelen. De geschiedenis laat zien dat het ambtenarenapparaat van nature de neiging heeft uit te dijen.

De Engelse econoom Ceryl Northcote Parkinson bestudeerde in de jaren vijftig van de vorige eeuw het Britse Ministerie van Koloniën en stelde vast dat het aantal ambtenaren in de loop van de jaren toenam, terwijl het aantal koloniën afnam. ‘Hoe kan het,’ vroeg hij zich af, ‘dat de omvang van een ambtelijke organisatie toeneemt, onafhankelijk van de hoeveelheid werk die gedaan moet worden?’ Parkinson vond het antwoord en publiceerde zijn bevindingen in het in 1958 verschenen boek ‘De Wet van Parkinson’.

Hij illustreert dit fenomeen met de introductie van de denkbeeldige ambtenaar A, later door anderen Alfred genoemd. Alfred is een hardwerkende ambtenaar. Zijn baas is tevreden, maar naarmate Alfred ouder wordt, begint hij steeds meer de sleur van de dag te voelen. Hij is toe aan verandering. Alfred kan drie dingen doen. Hij kan ontslag nemen en op zoek gaan naar een nieuwe baan, maar dat levert hem weinig zekerheden op. Hij kan zijn baas proberen te overtuigen dat hij het werk moet delen met een nieuwe collega, maar ook dat is voor Alfred geen voordelige optie, want hij haalt een ‘concurrent’ binnen, die misschien wel twee keer zo hard werkt als hijzelf.

De beste optie voor Alfred is zijn baas te overtuigen dat zijn werk moet worden verdeeld over twee jonge medewerkers, die hij vervolgens kan aansturen en controleren. Dat laatste gebeurt, want zijn baas was vroeger ook een Alfred. Alfred heeft zich met deze ‘promotie’ onmisbaar gemaakt. Hij is immers de enige die de werkzaamheden van beide junioren begrijpt en kan overzien. Op het moment dat de twee junioren ouder zijn, willen ook zij hun werk verdelen over twee nieuwe medewerkers. Alfred zal hier zeker aan meewerken, want hoe meer medewerkers er in zijn afdeling werkzaam zijn, hoe belangrijker zijn positie wordt binnen de organisatie. Uiteindelijk doen zeven medewerkers het werk dat Alfred oorspronkelijk alleen deed.

Je zou verwachten dat de zeven ambtenaren nauwelijks iets te doen hebben en zich de hele dag lopen te vervelen. Maar dat is allerminst het geval. Ze gaan elkaar zodanig bezighouden, dat ze het drukker hebben dan ooit. Er moet vergaderd worden over wie wat gaat doen, ze vragen elkaar om advies en schrijven rapporten om elkaar te informeren. Alfred houdt zich ondertussen bezig met de vraag wie hem moet opvolgen als hij zijn baas, die binnenkort met pensioen gaat, zal vervangen. Bovendien moet Alfred problemen oplossen die tussen de medewerkers onderling ontstaan en corrigeert hij de stukken die zijn afdeling produceert voor andere diensten. Stukken, die hij nota bene zelf geschreven zou hebben, als zijn ondergeschikten niet zouden zijn aangenomen.

De beste optie voor Alfred is zijn baas te overtuigen dat zijn werk moet worden verdeeld over twee jonge medewerkers, die hij vervolgens kan aansturen en controleren. Dat laatste gebeurt, want zijn baas was vroeger ook een Alfred. Alfred heeft zich met deze ‘promotie’ onmisbaar gemaakt.
Meer mensen zijn langer bezig om hetzelfde resultaat te behalen. Zonder dat iemand de kantjes eraf loopt. De organisatie dijt steeds verder uit. Er is niemand die zich hier aan stoort of zich afvraagt of dit nu wel zo efficiënt is.

Als we geloof hechten aan deze oude wet van Parkinson, dan is de groei van het ambtenarenlegioen een autonoom fenomeen, waarop nauwelijks invloed valt uit te oefenen. Dat lijkt te kloppen. Meerdere kabinetten hebben zich in het verleden stuk gebeten op het uitdijende ambtenarenapparaat.

Het eerste kabinet Lubbers wilde in de jaren tachtig het aantal ambtenaren met twee procent per jaar laten afnemen. Voor sommige onderdelen van de rijksdienst werd echter een uitzondering gemaakt, waardoor de feitelijke reductie nauwelijks een procent bedroeg.

Het tweede kabinet Lubbers stelde zich ten doel ruim 20.000 arbeidsplaatsen te laten vervallen. Daarin is het kabinet voor een groot deel wel geslaagd, maar alleen dankzij privatisering van overheidstaken. Ondanks deze afslankoperaties namen de kosten van de rijksoverheid tussen 1980 en 1989 sterk toe. Onder meer door het inhuren van externe adviseurs om het verlies aan personeel te compenseren.

Al met al zijn de kabinetten Lubbers er nauwelijks in geslaagd om de groei van het ambtenarenapparaat in te dammen. In de jaren negentig groeide het ambtenarenapparaat versneld verder. De sterk groeiende economie en de kabinetten Kok I en II maakten dit mogelijk. En dus gebeurde het. Zolang de bomen tot in de hemel groeiden, had niemand er last van. Maar de bomen stopten met groeien en de burgers begonnen te morren. De in 2002 vermoorde politicus Pim Fortuyn had zijn populariteit mede te danken aan zijn voornemen het ambtenarenapparaat met maar liefst 25 procent in te krimpen. Hij heeft niet de kans gekregen zijn belofte waar te maken.

En nu blijkt dat ook het kabinet Balkenende II geen grip heeft op de ambtenarenplaag. Inmiddels werkt in Nederland een derde van alle werknemers voor de overheid (zonder de zorgsector mee te tellen). De overheidstaken zijn, volgens gegevens van het Centraal Bureau van de Statistiek, verdeeld over 3000 verschillende instanties. Dat is toch meer dan genoeg, zou je zeggen. Maar eigenlijk weet niemand meer hoe groot de overheid precies is, blijkt uit het onderzoek van de REA. Basisgegevens over de omvang van de overheid ontbreken. Dat is zorgwekkend.

Het kabinet Balkenende III staat voor de uitdaging allereerst licht te brengen in de schemerige wereld van de overheid en vervolgens eens flink te snijden in het ambtenarenapparaat. De wil is er, als we de verkiezingsprogramma’s mogen geloven. Eén overheidsinstantie kan er wat mij betreft nog wel bij. Zolang deze zich alleen maar bezighoudt met het daadwerkelijk afslanken van de overheid. Een Alfred-autoriteit zeg maar.

Herman Jansen,
auteur van het boek ‘De ambtenarenplaag’

Herman Jansen (1963) was dertien jaar lang directeur van een congresbureau. In 2003 schreef hij het boek `Utrecht aan Zee', het eerste populair-wetenschappelijke boek over de gevolgen van de klimaatverandering voor Nederland. `Utrecht aan Zee' werd genomineerd voor de Intermediair wetenschapsboekenprijs. In datzelfde jaar verscheen mede van zijn hand `Eerlijk duurt te lang, list en bedrog in de sport'. Herman Jansen was ook co-auteur van het vermakelijke `Hoe verpruts ik mijn presentatie?'(2004), waarin hij de dieptepunten uit zijn loopbaan als congresorganisator beschrijft.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl