Theodore Dalrymple: Verslaafden zijn niet ziek

Door Bart van Oosterhout

2 november 2006

Heroïneverslaafden zijn niet ziek, ze hebben een mentaliteitsprobleem. Dieven stelen niet omdat ze slachtoffer zijn, maar omdat ze hebberig zijn en te lui om te werken voor hun geld. De Britse psychiater Theodore Dalrymple draait er niet omheen. Het is tijd om af te rekenen met de politiek correcte waanzin die onze samenleving al dertig jaar in de ban houdt.

Komt een vrouw bij de dokter die zegt ‘Dokter, mijn moeder zit zwaar in de problemen. Ze is opgepakt door de politie omdat ze een werkloosheidsuitkering had en tegelijk zwart werkte.’ Zegt die dokter, ‘dat is niet zo mooi, dus nu is ze haar uitkering kwijt’. ‘Nee’, zegt de vrouw, ‘ze zal moeten stoppen met werken’.

Het klinkt als een mop, maar het is een waargebeurd verhaal uit de praktijk van de Britse psychiater Theodore Dalrymple. Gedurende vijftien jaar hield Dalrymple praktijk in een kliniek van een gevangenis in een achterstandswijk in Birmingham, waar de gewelddadige criminelen, alcoholisten en junkies, mishandelde alleenstaande moeders en hun verwaarloosde kinderen in steeds grotere getale aan zijn bureau voorbijtrekken. En op een goede dag begon hij zich af te vragen waarom de problemen in zijn wijk maar toenamen, terwijl tegelijkertijd de uitkeringen stegen en het leger van hulpverleners alsmaar uitdijde. Over het antwoord op die vraag schreef hij een onthutsend boek, Life at the bottom, waarin hij concludeert dat de groeiende onderklasse in steden als Birmingham, een rechtstreeks gevolg is van de alsmaar uitdijende welvaartstaat, die mensen gevangen houdt in hun ellende.

In Engeland wilde niemand Life at the Bottom uitgeven. En ook nadat het boek via een Amerikaanse uitgever inmiddels in groten getale de weg vond naar zijn thuismarkt, werd Dalrymple als een paria gemeden door de Britse media. Maar in de rest van Europa vond zijn werk een enorme weerklank en wordt Dalrymple, die inmiddels gepensioneerd is en in Zuid Frankrijk woont, regelmatig uitgenodigd voor lezingen. Ook in Nederland, waar hij een fervent pleitbezorger heeft in de criminoloog en journalist Chris Rutenfrans, die ook zijn eerste boek in het Nederlands vertaalde.

Dalrymple richt zijn aanklacht op de eerste plaats tegen de sociale wetenschappen. In de afgelopen dertig jaar hebben die zich steeds verder ingegraven in het idee dat criminaliteit, geweld en verslaving het automatische gevolg zijn van de in essentie onrechtvaardige kapitalistische maatschappij. Daders zijn in dat verhaal slachtoffers geworden; criminelen en verslaafden zijn ‘ziek’ of psychisch gestoord, maar dragen in ieder geval geen verantwoordelijkheid voor hun eigen daden. Dat progressieve gedachtegoed vond zijn weg naar alle geledingen van de samenleving, zodat ook junkies en criminelen tegenwoordig heel goed weten dat zij zich als slachtoffers horen te gedragen. Een tweede oorzaak van de Verelendung in Engeland vindt hij in het cultuurrelativisme dat sinds de jaren zestig in zwang is. Niet de afwijking van de norm, maar de norm zelf werd verdacht. Zo raakten huwelijk en gezin in diskrediet, ten gunste van de vrije sex. Dat was volgens Dalrymple misschien een goed idee voor de intellectuele bovenlaag die maar al te goed beseft waar de grenzen liggen van de vrijheid, maar desastreus voor de achterstandswijken, waar normale gezinsvorming nu vrijwel afwezig is. Vrouwen ‘nemen’ al op jonge leeftijd een kind ‘alsof het een stuk speelgoed is’, om afleiding te zoeken in een leven waarin school en werk geen rol meer spelen en waar een ‘depressie’ dus voortdurend op de loer ligt. ‘Ik vroeg zo’n vrouw wel eens of ze echt dacht dat ze gelukkig zou worden met een man die fuck you op zijn voorhoofd getatoeëerd heeft. Maar zo’n vraag leidt tot een heftige verontwaardiging want je mag niet oordelen over anderen.’

Ik spreek Dalrymple in een restaurant in Londen ter gelegenheid van het uitkomen van zijn nieuwste boek, Romancing opiates (dat een dezer dagen in Nederland verschijnt onder de titel Drugs) waarin hij op onzachtzinnige wijze de mythes rond heroïneverslaving onderuithaalt. Hij blijkt het tegenovergestelde van de aartsconservatieve cultuurpessimist waar sommigen hem voor houden, maar juist een uiterst sociaal mens met een enorm gevoel voor humor.

De grootste leugen rond heroïneverslaving, beweert u in uw laatste boek, is dat het een ziekte zou zijn. In Nederland hoor je dat ook altijd.

‘Ja, en dat is het niet. Het probleem van verslaafden is niet medisch, het is een mentaliteitsprobleem. Ze gebruiken omdat het lekker is. Het is namelijk helemaal niet zo gemakkelijk om verslaafd te raken aan heroïne als wordt beweerd. Het duurt een jaar van regelmatig gebruiken voor je lichamelijk afhankelijk wordt. Je moet er echt voor doorzetten.’

En het afkicken van heroïne is niet de martelgang die er in de populaire literatuur van gemaakt wordt.

‘Medisch gezien is er bij de ontwenning niet veel meer aan de hand dan bij een griepje. Dat zeg ik niet alleen, je kunt het nalezen in alle medische handboeken over verslaving. En je merkt het al aan het simpele feit dat verslaafden zonder veel moeite van de drugs afraken zodra ze er geen toegang meer toe hebben, bijvoorbeeld omdat ze in de gevangenis terechtkomen. Ik haal in mijn boek het voorbeeld aan van de soldaten die in Vietnam verslaafd waren geraakt en die eenmaal terug in Amerika zonder problemen afkickten. Of neem de geschatte twintig miljoen Chinese opiumschuivers die in een keer van hun verslaving waren verlost toen Mao aan de macht kwam en hun de doodstraf in het vooruitzicht stelde. Mao was de meest succesvolle drugshulpverlener in de geschiedenis.’

Waarom geloven wij al die verhalen over heroïne dan?

‘Omdat het gebruik van heroïne sinds de vroeg negentiende eeuw zwaar geromantiseerd is, door schrijvers als Thomas de Quincy en Coleridge. De Quincy vertoonde al typisch het junkiegedrag dat ik dagelijks in mijn praktijk meemaakte: hij overdreef zijn afhankelijkheid op een valse manier om steeds weer drugs voorgeschreven te krijgen. Maar tussen de regels door lees je dat hij gebruikte omdat het hemelse inspiratie zou verschaffen, of zoiets. En ook door de sociale wetenschapppers die de notie aanhangen dat mensen willoze slachtoffers zijn van hun omstandigheden, wat in Engelenad nu een algemeen aanvaard denkbeeld is. Maar gek genoeg geldt die besmettelijkheid van de omgeving alleen voor slechte gewoonten. Junks worden altijd aangezet door hun slechte vrienden om te gebruiken, maar op school werden ze blijkbaar nooit eens aangezet door hun medeleerlingen om eens hard te gaan studeren.’

Maar het idee dat je slachtoffer kunt zijn van verwaarlozing in je jeugd is toch niet zo absurd?

‘Natuurlijk niet, veel mensen die ik tegenkwam in mijn praktijk hadden een beroerde opvoeding gehad, maar het is geen verklaring en dus geen excuus voor hun gedrag. Een goed deel van de mensen in achterstandswijken gaat niet het slechte pad op. Er is dus een keuze. En als je dat ontkent, als je zegt dat iedereen die crimineel of verslaafd een willoos slachtoffer is van de omstandigheden, reduceer je hem tot een machine. Ik herinner me een veroordeelde inbreker die op mijn spreekuur kwam en die vroeg “dokter, denkt u dat het aan mijn jeugd ligt?” En ik zei “die heeft er absoluut niks mee te maken.” “Maar waarom doe ik het dan” vroeg hij. Ik zeg “omdat je graag dingen wilt hebben maar te lui of te stom bent om ervoor te werken.” Hoe denk je dat die man reageerde? Hij moest hard lachen, want hij wist net zo goed als ik dat het waar is.’

Als je de consensus doorbreekt door mensen wel op hun verantwoordelijkheid aan te spreken, en mijn collega’s namen me dat niet in dank af, snappen ze in een keer dat het spel van wederzijdse leugens is afgelopen. En die leugens bestaan eruit dat de verslaafde en de crimineel net doen alsof ze ziek zijn, en dat de dokter net doet alsof hij hen gaat genezen.
Hebt u nooit klappen gekregen?

‘Nee nooit. Ik schatte van tevoren natuurlijk wel in wie ik voor me had. Je kunt zoiets niet tegen iedereen zeggen. Als je de consensus doorbreekt door mensen wel op hun verantwoordelijkheid aan te spreken, en mijn collega’s namen me dat niet in dank af, snappen ze in een keer dat het spel van wederzijdse leugens is afgelopen. En die leugens bestaan eruit dat de verslaafde en de crimineel net doen alsof ze ziek zijn, en dat de dokter net doet alsof hij hen gaat genezen.

U pleit er voor alle drugshulpklinieken te sluiten. Is dat niet wat cru?

‘Het is juist het systeem van drugshulpverlening dat cru is. Dat zegt namelijk tegen de verslaafden, jullie zijn ziek en wij gaan jullie genezen. De genezing bestaat er uit dat ze methadon krijgen, een drug die potentieel even gevaarlijk is als de heroïne zelf. Hoe gevaarlijk precies, is onderwerp van debat, maar in Dublin bijvoorbeeld vallen meer doden door methadon dan door heroïne.’

Methadonverstrekking is vooral een pragmatische maatregel: het houdt de verslaafden van de straat en vermindert de misdaad.

‘Maar dat is niet zo. Het vermindert alleen het aantal misdrijven door de kleine groep heroïneverslaafden, ongeveer een procent van het totaal, dat methadon krijgt, hoewel die in veel gevallen gewoon doorgaan met heroïnegebruik. Maar dat is niet het punt. Want dat effect wordt volkomen teniet gedaan doordat de misdaad verschuift naar andere groepen. Want de hoeveelheid heroïne op straat blijft gelijk, die wordt verkocht aan anderen. Of dacht je dat een dealer zegt “jammer dat mijn klant minder is gaan gebruiken, nu spoel ik mijn waar maar door de plee”? Dus waar je eerst een heroïneverslaafde had, heb je nu een methadonverslaafde en een nieuwe heroïneverslaafde. De Lancet publiceerde niet zo lang geleden een artikel waarin stond dat in Georgië het aantal opiatenverslaafden in het afgelopen decennium explosief is gestegen, tot een niveau waarin nu een op de twintig mensen gebruikt. Het gaat om een drug die buprenorphine heet. Weet je waar dat vandaan komt? Frankrijk. Daar wordt buprenorphine sinds 1996 voorgeschreven aan heroïneverslaafden. En dat spul vindt meteen zijn weg naar Georgië waar de marktwaarde zes keer hoger is. Maar de drugshulpverlening in Frankrijk noemt dit een eclatant succes, want ze kijken alleen naar hun eigen ‘patienten’. Zo pervers is dit systeem.’

Sommigen zeggen: als je heroïne legaliseert, maak je een einde aan de illegale handel en daarmee de criminaliteit rond drugs.

‘Dat is net zoiets als zeggen dat criminaliteit veroorzaakt wordt door wetten. Schaf alle wetten af en je hebt ook geen wetteloosheid meer. Dit soort pleidooien hebben een enorm corrumperend effect op de maatschappij. Ongetwijfeld zal een inbreker ook minder gaan inbreken als je hem een miljoen euro geeft, tot het geld op is natuurlijk. Maar maak je een einde aan het verschijnsel inbraak door er een premie op te zetten of vererger je het?’

‘Vergeet niet dat we rond het slachtofferdenken een bureaucratie gebouwd hebben van Stalinistische proporties, waar veel mensen van afhankelijk zijn. Als je erkent dat het systeem niet deugt, heb je jaren voor niks gewerkt. Dat is heel moeilijk, er sluipt een soort cognitieve dissonantie in.
Hoe verklaart u dat er niet meer mensen in de hulpverlening zijn dit dit mechanisme aan de kaak stellen?

‘Vergeet niet dat we rond het slachtofferdenken een bureaucratie gebouwd hebben van Stalinistische proporties, waar veel mensen van afhankelijk zijn. Als je erkent dat het systeem niet deugt, heb je jaren voor niks gewerkt. Dat is heel moeilijk, er sluipt een soort cognitieve dissonantie in. Ik ben ook maar heel geleidelijk gaan inzien dat er iets verkeerd was aan de manier waarop we met deze zaken omgaan. Je ziet dag in dag uit mensen op je spreekuur komen die de meest afschuwelijke pijnen lijken te ondergaan en die eisen dat je ze drugs voorschrijft en even later zie je ze lachend op straat staan dealen. En de volgende keer dat ze komen moet je net doen of er niks aan de hand is, want je hoort als arts geen moreel oordeel te hebben. Dat deed ik wel en dat werd me door mijn collega’s niet in dank afgenomen.’

Zou het ook te maken kunnen hebben met het feit dat u een buitenstaander was? U hebt lang in het buitenland gewerkt voor u in Birmingham begon.

‘Dat zou heel goed kunnen. In Tanzania waar ik werkte bestaan dit soort decadente problemen niet. Dat was in de regeerperiode van Julius Nyerere, een verschrikkelijke dictator die lange tijd het lievelingetje was van de Nederlandse ontwikkelingshulp, omdat hij een soort christelijk socialisme predikte. In het begin zag ik Nyerere als een domme clown, maar gaandeweg veranderde dat. Want als je al het geblaat wegdacht, zag je dat de man een briljant machtsspel speelde waar hij bovendien nog schatrijk van werd. Hij harkte miljarden aan ontwikkelingshulp binnen zonder enig tastbaar resultaat, behalve misschien voor de financiële sector in London waar hij zijn geld op de bank had staan. Toen ik er voor het eerst kwam had hij driekwart van de bevolking verhuisd naar een soort staatsboerderijen, met natuurlijk rampzalige gevolgen. Maar ondanks de verschrikkelijke armoede zag je hier niets van de criminaliteit en de ellende uit de voorsteden in Europa. Nergens ter wereld ben ik een vriendelijker volk tegengekomen. Dat zette me aan het denken. Als misdaad een gevolg is van armoede, hoe verklaar je dan Tanzania?’

Waarom is de armoede in welvaartsstaten zoveel lelijker dan in de derde wereld?

‘Een van de redenen is dat je in Tanzania voortdurend bezig bent met overleven en dat biedt de armen een heel belangrijke levensbehoefte, namelijk zelfrespect, het besef dat je het weet te redden ondanks alle tegenslagen. In een welvaartsstaat is dat de mensen uit de onderklasse ontnomen. Ze bevinden zich in een soort vagevuur, niets wat ze doen zal hen ooit armer maken, en niets zal hen rijker maken, behalve misschien de misdaad. Ze hebben geen religie meer, en geen cultuur, anders dan de waterige soep die doorgaat voor populaire cultuur en die ze alleen consumeren. En zo zijn alle dingen die doorgaans betekenis aan het leven geven verdwenen. Dus wat hebben ze nog over?’

U wijst in uw boeken voortdurende op de zere plekken, maar aarzelt als het gaat om mogelijke oplossingen.

‘Ik wantrouwen grote oplossingen. De oplossing van links is om nog meer bureaucratie los te laten op de mensen uit de onderklasse en ze te behandelen als een stel idioten zonder eigen wil. En rechts stelt daar een soort verlicht fascisme tegenover, met steeds meer en steeds zwaarder bewapende politieagenten, zodat het lijkt alsof we echt wat doen. Het zou een mooi begin zijn als we eens erkenden dat die onderklasse bestaat en steeds groter wordt. Want eerlijk gezegd heeft de gemiddelde Brit geen enkel idee wat er zich afspeelt in de getto’s. Ik heb eens een man van de BBC op bezoek gehad die mijn columns had gelezen en zijn eerste vraag was: “hebt u dit allemaal verzonnen?” Toen ik voor het eerst de banlieux van Parijs bezocht, in 2001, zeiden mensen: “Wat ga je daar doen? Daar ís helemaal niks.” Maar daar wonen vier miljoen mensen! En die houden we allemaal afhankelijk van een uitkering zodat ze geen enkele reden meer hebben om er ooit uit te geraken en wij geen last van ze hebben.’

Bart van Oosterhout bart.van.oosterhout @ intermediair.nl

Boeken van Theodore Dalrymple
Leven aan de onderkant, het systeem dat de onderklasse instandhoudt. Uitgeverij Het Spectrum, 2004. ISBN 90 274 9917 9, € 20.25
Beschaving, of wat ervan over is. Uitg. Nieuw Amsterdam, 2005. ISBN 90 468 0004 0, € 24,95
Drugs, de mythes en de leugens. Verschijnt deze week bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. ISBN 90 468 0148 9, € 14,95

CV Theodore Dalrymple
Geboren: in Londen in 1949
Woont: half in de Ardeche en half in Londen
Kranten: The Guardian, Le Monde
Leest: Proper studies van Aldous Huxley
Zou iedereen moeten lezen: Rasselas van Samuel Johnson (1759), de antithese van de romantiek
Favoriet toneelstuk: Drie zusters van Tsjechov
Muziek: Bach, Haydn en Mozart
Land: Colombia
Keuken: Indiaas
Lijfspreuk: Hypocrisie is de eer die de zonde aan de deugd bewijst (La Rochefoucauld)

Dit interview verscheen in oktober 2006 in het blad Intermediair.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl