“Zij die vragen om meer overheidsingrijpen vragen uiteindelijk om meer dwang en minder vrijheid.”
Ludwig von Mises

Iedereen een tokkie

Door Marcel Roele

10 augustus 2006

Theodore Dalrymple fulmineert in zijn nieuwe boek Beschaving, of wat ervan over is tegen het hypocriete, gemakzuchtige en zelfvoldane gedachtegoed van de progressieve politieke en culturele voorhoede dat volgens hem een vernietigend effect op onze samenleving heeft gehad.

Deze voorhoede is volgens Dalrymple de hoofdschuldige aan het ontstaan van onze verzorgingsstaat waarin mensen zich onverantwoordelijk kunnen gedragen zonder dat het hen financiële nadelen oplevert. En die voorhoede heeft onze cultuur zover afgebroken dat onverantwoordelijk gedrag niet langer moreel verwerpelijk wordt gevonden.

Alleenstaande moeders met vijf kinderen van vijf verschillende mannen krijgen een uitkering, kinderbijslag, gratis gezondheidszorg en een gesubsidieerde sociale woning. De vijf vaders hebben ook allemaal recht op een uitkering die ze niet aan de opvoeding van hun kinderen maar aan hun egoïstische pleziertjes mogen besteden. Hangjongeren, chronisch werklozen en anderen die overlast veroorzaken of niet voor zichzelf kunnen of willen zorgen, worden beloond met subsidies en hulpprojecten. Onverantwoordelijk gedrag loont, waardoor er vanzelf steeds meer van komt.

Onze beschaving is volgens Dalrymple in verval, waardoor onverantwoordelijk gedrag moreel steeds meer acceptabel wordt. De progressieve mandarijnen van onze cultuur lijken te geloven dat de mens van nature een nobele wilde is die door onze vervloekte beschaving wordt gecorrumpeerd. “Perioden van wreedheid in de menselijke geschiedenis worden door hen gepresenteerd als bewijs dat beschaving en cultuur een schijnvertoning zijn die wordt opgevoerd om cynische materiële belangen te verbergen.” Tegenover de zweverige hersenschim van de nobele wilde zet Dalrymple zijn orthodoxe geloof in de erfzonde.

Het is jammer dat Dalrymple de sociobiologie niet kent, die zowel de neiging tot het goede als het kwade een plaats toekent in ons DNA. Dalrymple spreekt over “de permanente verleiding tot wreedheid en barbarij in de menselijke natuur” die moet worden “onderdrukt door wetten en tradities” en door “het streven naar beschaving en cultuur.” “Beschaving is de som van alle activiteiten die mensen in staat stellen boven een puur biologisch bestaan uit te stijgen en te reiken naar een rijker geestelijk, esthetisch, materieel en spiritueel leven.” Alleen wanneer we leren dat onze behoeften niet ogenblikkelijk bevredigd kunnen worden en we ons realiseren dat we onze dierlijke impulsen moeten beheersen, kunnen we beschaafd en dus werkelijk menselijk worden. “Om het kwaad af te wenden, zullen we altijd meer nodig hebben dan een goede sociale politiek: individuele zelfbeheersing en bewuste behoeftebeperking zullen altijd nodig zijn.”

Niet alleen sociale wetenschappers, juristen, filosofen, politici en geestelijken beïnvloeden de richting waarin onze cultuur zich ontwikkelt, maar ook schrijvers, regisseurs, journalisten, kunstenaars en zelfs popmusici. Zij zouden allen hoeders van onze beschaving moeten zijn, maar ze relativeren juist haar belang, vindt Dalrymple. Progressieve wetenschappers ontkennen het belang van het gezin als hoeksteen van de samenleving en beschrijven het traditionele gezinsleven als een bron van frustraties, psychoses en trauma’s. Een andere hoeksteen, het onderwijs, is ook in verval. Kinderen verlaten de middelbare school zonder historische feitenkennis en zonder dat ze een band met ons verleden en onze cultuur hebben opgebouwd. In plaats daarvan hebben ze dat verleden en die cultuur leren minachten, omdat lessen worden gegeven in het licht van een ‘weg met ons’ mentaliteit. De geschiedenis is in minachtende termen herschreven onder invloed van vrouwen-, homo- en minderhedenstudies, die hedendaagse grieven en politieke modes op het verleden projecteren.

Dalrymple benadrukt dat alles wat waardevol is uit het verleden behouden dient te blijven en taboes essentieel zijn om een beschaving te behouden. Daarom keurt hij de mentaliteit af van hedendaagse kunstpausen volgens wie kunst altijd vernieuwend en taboedoorbrekend moet zijn. Dalrymple schetst een ontwikkeling in de kunst richting degeneratie en ethisch en moreel nihilisme. De weg omlaag loopt van de latere werken van Miró, die lukraak verf op het canvas smeet en er willekeurig gaten in sneed, tot een tentoonstelling van de eens eerbiedwaardige Engelse Royal Academy waarin de ‘topstukken’ zijn gemaakt van olifantenmest of bestaan uit een tekstcollage met uitroepen zoals “Picasso he just did whatever the fuck he wanted” Leven en kunst imiteren elkaar. Taboes op vulgariteit die in de kunst worden doorbroken, doorbreekt het gewone volk in het dagelijks leven. Dalrymple woonde eens een voetbalwedstrijd bij (natuurlijk niet als fan, maar omdat hij ter plekke cultuurfilosofische observaties verrichtte voor een tijdschrift). Naast hem zaten “een man die er volkomen normaal en beschaafd uitzag en zijn zoon van elf die zich netjes gedroeg. Tijdens de wedstrijd sprong de vader plotseling op en begon, tegelijk met duizenden andere toeschouwers, te scanderen ‘Who the fuck do you think you are?’”

Dalrymple kan scherp beargumenteren waarom progressieve denkbeelden een negatieve invloed op onze beschaving kunnen hebben, maar hij verzwakt zijn argumentatie door alle moderne fenomenen die toevallig niet zijn cup of tea zijn (zoals het wettelijk gelijkstellen van samenwonen en getrouwd zijn, adoptie door homoparen of het recht op kunstmatige inseminatie van lesbische stellen) op een glijdende schaal te plaatsen in de richting naar extreem moreel verval. Zo betreurt hij dat in 1959 in Engeland de wet tegen obscene publicaties werd versoepeld. Prompt dwong uitgeverij Penguin een proefproces af om de eerste ongecensureerde publicatie in Engeland van D. H. Lawrence’s Lady Chatterley’s Lover mogelijk te maken. Penguin won en Dalrymple concludeert achteraf dat daarmee het hek van de dam was en alle mogelijke perverse viezigheid zomaar kon worden gepubliceerd.

Dalrymple is bepaald geen voorstander van de seksuele revolutie. “Alle beesten doen aan seks, maar alleen de mens bedrijft de liefde. Als seks wordt ontdaan van de betekenis die alleen de sociale conventies, religieuze taboes en individuele zelfbeheersing (die zo worden geminacht door de seksuele revolutionairen) eraan kunnen toevoegen, blijft niets over dan een eindeloos en uiteindelijk zinloos en saai zoeken naar een transcendent orgasme.” Inmiddels heeft de seksuele revolutie ook de onderklasse bereikt. Dalrymple: “de oogst is het verwaarlozen en mishandelen van kinderen, ziekelijke jaloezie, seksueel geweld en primitief egocentrisme.

De eeuwig werklozen leiden een ruwe en vaak gewelddadige versie van het leven dat werd geportretteerd Les Liaisons Dangereuses.” Als ultieme uitwas van deze ‘seksuele bevrijding’ noemt Dalrymple de verkrachting en het vermoorden van twaalf mensen door het Engelse echtpaar Frederick en Rosemary West in de periode tot hun arrestatie in 1994. “Hun libido’s overwonnen de kracht van de rede. Zij vertelden hun slachtoffers dat verkrachting ‘natuurlijk’ was.” Dit alles vond volgens Dalrymple plaats in een maatschappelijke context waarin “zelfdiscipline niet werd gezien als een noodzakelijke voorwaarde voor vrijheid en men aan iedere bevlieging mocht toegeven.”

Toch heeft de vulgarisering nog niet de hele samenleving in haar greep, want anders zouden de zedenpreken van Dalrymple niet alom aftrek vinden. Hij schrijft niet alleen voor het Britse opinieblad The Spectator, maar ook voor een aantal kranten die het hele politieke spectrum bestrijken, zoals The Daily Telegraph, The Guardian en de tabloid The Daily Mail. Beschaving, of wat ervan over is, is alweer zijn zevende boek en het vorige, in het Nederlands vertaald als Leven aan de onderkant, werd in bladen van diverse pluimage gunstig ontvangen. Dalrymple is dan ook niet een rabiate reactionair die vanachter een dikke sigaar de linkse kerk en de onderklasse een beetje zit af te katten. In het dagelijks leven is hij Anthony Daniels (1949), een arts en psychiater, die vanuit idealisme en compassie ervoor gekozen heeft zijn praktijk op te zetten bij de allerarmsten: respectievelijk op het Afrikaanse platteland, in een Engelse achterbuurt en in de gevangenis. Daar heeft hij met eigen ogen gezien hoe schadelijk de progressieve idealen, waarmee hij vroeger zelf was geïnfecteerd, uitpakken voor het gewone volk – terwijl die idealen bedacht waren om die mensen te helpen.

Dalrymple is de eerste om toe te geven dat hij al eerder geattendeerd had moeten zijn op de onbedoelde nadelige consequenties van armenzorg. Vol lof bespreekt hij Mémoire sur le paupérisme dat de Franse historicus en politicus Alexis de Tocqueville in 1835 publiceerde. De kosmopoliet De Tocqueville had rondgereisd in Europa en Amerika en constateerde dat in het land dat verreweg het rijkste was, namelijk Engeland, maar liefst een zesde van de bevolking volledig afhankelijk was van de bedeling – een veel groter percentage dan in bijvoorbeeld Spanje en Portugal die toen straatarm waren. In Engeland hadden paupers al sinds de zestiende eeuw recht op armenzorg. Dat recht was hun verleend door koningin Elizabeth, omdat na de ontmanteling van de kloosters en de confiscatie van kerkelijke bezittingen door haar vader, Hendrik de Achtste, de Engelse straten wemelden van de bedelaars.

Toen de katholieke kerk nog machtig was in Engeland steunde zij de hulpbehoevenden, maar wel op voorwaarden: zij moesten de aalmoezen verdienen in het zweet huns aanschijns en een godvruchtig bestaan leiden. Sinds de tijd van Elizabeth waren die bevoogdende en vernederende eisen afgeschaft en was steun een recht geworden. De Tocqueville nam de gevolgen waar: de paupers werden in de verleiding gebracht om geen enkele inspanning te verrichten zich materieel of geestelijk te verbeteren en leefden soms als beesten. Nu was het bestaan als pauper in vroeger eeuwen niet comfortabel en er werd ook nog op je neergekeken - maar dat geldt tegenwoordig niet meer. Dus – en dat voegt Dalrymple aan De Tocqueville toe – verpaupert in de hedendaagse verzorgingsstaat de hele cultuur.

Hoewel Dalrymple schrijft voor een Brits publiek, zijn de sociale verschijnselen die hij aan de kaak stelt ook aan te treffen in andere Europese landen. Zo heeft Nederland ook een onderklasse van Tokkies. Dalrymple heeft evenwel een scherp oog voor kleine, maar belangrijke verschillen tussen landen. Italië heeft op papier een nog loggere bureaucratie dan Engeland en Nederland. Maar goddank zijn Italianen corrupt – als burger, als zakenman en als ambtenaar. Dankzij de massale belastingontduiking en de officieuze schaduweconomie heeft Italië zich in een halve eeuw tijd van één van de armste Europese landen ontwikkeld tot één van de rijkste.

Omdat de Italiaanse overheid en de Italiaanse verzorgingsstaat niet te vertrouwen zijn, hebben Italianen hun individuele zelfstandigheid en de traditionele familie- en vriendschapsbanden niet ingeruild voor afhankelijkheid van de staat. En de traagheid van de ambtelijke molens wordt omzeild door mensen om te kopen. Het beste is natuurlijk, stelt Dalrymple, een integere en beperkte ambtenarij. Maar in Nederland en Engeland is die niet beperkt. En dat creëert veel frustraties – niet alleen bij ondernemers, maar ook bij uitkeringstrekkers. De hulp waarop zij recht hebben, krijgen ze niet, te laat of op de verkeerde manier, door de incompetentie van ambtenaren of complexe procedures.

Beschaving, of wat ervan over is, is een bundeling van artikelen uit de periode van 1996 tot 2004. Ze hebben allemaal wel iets met het centrale thema te maken, maar soms niet zoveel. Irritanter is dat ze niet zijn geactualiseerd. Zo kraakt Dalrymple de seksuele revolutionair John Money af. Money bracht het kulverhaal in omloop dat een jongensbaby wiens penis bij de besnijdenis per ongeluk was geamputeerd met succes (en met hulp van vrouwelijke hormonen) als meisje was opgevoed. Nee, schrijft Dalrymple, hij verwierp die opgelegde sekserol, liet zich in zijn puberteit weer tot jongen ombouwen en “is nu gelukkig getrouwd met een vrouw.” Dat is niet helemaal up to date. Een paar jaar geleden zijn ze gescheiden en vorig jaar pleegde hij zelfmoord.

Marcel Roele

Theodore Dalrymple: Our Culture, What’s Left of It: The Mandarins and the Masses. Ivan R. Dee. £18.99.
Theodore Dalrymple: Beschaving, of wat ervan over is. Nieuw Amsterdam. € 24,95.

HP/De TijdDit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd.

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage www.marcelroele.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl