“Het probleem met het verdedigen van menselijke vrijheid is dat je de meeste tijd besteedt aan het verdedigen van deugnieten en schurken. Want het is tegen hen dat onderdrukkende wetten in eerste instantie gericht zijn, en onderdrukking moet bij het begin gestopt worden wil het sowieso gestopt worden.”
H.L. Mencken

Slim dankzij de GameBoy

Door Marcel Roele

18 juli 2006

De jeugd van tegenwoordig heeft een gebrekkige algemene ontwikkeling.

De meesten hebben nog nooit van Horatius, Cicero of Bonifatius gehoord. Ook hun kennis van vakken die van praktisch belang zijn voor onze toekomst, zoals ecologie, genetica en technologie, schiet tekort. Het is een internationaal probleem. "Ouders, gooi die Game Boy weg, doe de televisie uit en zet je kinderen aan het werk," schreef Pulitzer-prijswinnaar Thomas Friedman onlangs in de New York Times. "Ik zeg tegenwoordig tegen mijn dochters: Maak al je huiswerk af, want de mensen in China en India hongeren naar jullie banen." Friedman is auteur van 'The world is flat' (De aarde is plat) waarin hij waarschuwt dat China en India het westen economisch zullen overvleugelen als we niet ervoor zorgen dat onze jeugd beter is gekwalificeerd voor de complexe banen van een innoverende kenniseconomie.

De beste kwalificatie om te kunnen slagen is een hoog IQ. Uit duizenden psychologische onderzoeken weten we dat een hoog IQ in belangrijke mate bepaalt of een jongere de flexibiliteit en het leervermogen heeft om succesvol te zijn in een competitieve, snel veranderende economie. Het vreemde is dat, ondanks alle klachten over het onderwijs, het gemiddelde IQ in westerse landen voortdurend stijgt. Onze jeugd weet steeds minder, maar wordt wel steeds slimmer. Volgens Steven Johnson hebben we die toegenomen intelligentie nu juist te danken aan de Game Boy en de televisie. Johnson (1968) studeerde Engelse literatuur aan de Amerikaanse Columbia University, raakte in de jaren negentig verslaafd aan Myst (opdrachten uitvoeren op een eiland) en SimCity (de speler is burgemeester van een virtuele metropool) en verliet de universiteit om het webzine Feed op te richten. In zijn zojuist verschenen boek 'Everything bad is good for you: how today's popular culture is actually making us smarter' (Al het slechte is goed voor je: hoe de huidige massacultuur ons juist slimmer maakt) betoogt Johnson dat de door snobs verafschuwde videospelletjes en tv-programma's de intelligentie verhogen op een manier die de school niet kan.

Computergames en populaire tv-programma's zijn in de loop der jaren steeds ingewikkelder geworden. Het aloude Tetris (jongleren met blokjes) en Pac-Man (het gele happertje) waren simpele oefeningen in hand-oog coördinatie en het herkennen van patronen. Moderne Pokémon videogames en Doom (een science fiction avontuur in de ruimte) eisen veel meer van de speler. Johnson illustreert de complexiteit van moderne videogames door te wijzen op een Walk through (een informele handleiding) voor Grand Theft Auto III (een ontsnapte crimineel moet uit handen van politie en straatbendes blijven) die maar liefst 53 duizend woorden lang is.

Populaire tv-series uit de jaren zestig, zoals Bonanza, zijn naar hedendaagse normen zo simpel dat het moeilijk is voor te stellen dat er ooit volwassenen naar keken. Starsky and Hutch en Kojak uit het midden van de jaren zeventig waren een stap vooruit, maar ze volgden nog steeds een simpel stramien. De kijker hoefde maar een handjevol personen te leren kennen, de karakters waren clichématig, en er was een duidelijk onderscheid tussen good guys, sjacherende maar ongevaarlijke sukkels en bad guys. Iedere episode had één verhaallijn die zich bewoog naar een voorspelbaar happy end: de schurken zijn gevangen; de hoofdpersonen overleven. De eerste politieserie met meervoudige verhaallijnen was Hill Street Blues in 1981. In een aflevering van Hill Street Blues spelen soms tien verhaallijnen door elkaar heen. En om het nog lastiger te maken voor de kijker lopen sommige verhaallijnen door vanuit een vorige of in een volgende aflevering. Dat principe werd natuurlijk al eerder toegepast in soaps, maar in Hill Street Blues waren de karakters complexer, de plots ingewikkelder en lag het tempo hoger dan in soaps.

Hill Street Blues wordt weer ver overtroffen door de Soprano's. Hier lopen de verhaallijnen veel langer door, hebben ze meer om het lijf en is er geen duidelijk onderscheid tussen een hoofdvertelling en bijvertellingen. Er is ook veel meer interactie tussen de verhaallijnen, waardoor de plots zich op elkaar stapelen. Het toppunt is volgens Johnson '24', een vierentwintigdelige thriller over een dag waarbij iedere uitzending letterlijk een uur van de gebeurtenissen weergeeft (44 minuten actie onderbroken door 16 minuten reclame). Er zijn in een willekeurige aflevering van '24' meer dan twintig personen met een eigen spanningsboog: een duidelijk gedefinieerde persoonlijkheid met levensdoelen en problemen en een unieke relatie met de andere karakters. Volgens Johnson heeft '24' in complexiteit meer gemeen met Middlemarch, de negentiende eeuwse turf van Mary Ann Evans over de ingewikkelde sociale structuur van het Engelse provinciale leven, dan met Bonanza. Maar Middlemarch wordt alleen door de intellectuele elite gelezen, terwijl '24' een miljoenenpubliek heeft.

In ziekenhuisseries zoals E.R. en The West Wing valt op dat de programmamakers niet bang zijn om woorden te gebruiken die de kijkers niet kennen: ze worden in hoog tempo met feiten overspoeld en met medische termen om de oren geslagen. Johnson wijst erop dat in het moderne tv-amusement de kijker nauwelijks nog expliciete aanwijzingen krijgt over welke gebeurtenissen relevant zijn voor het vervolg van het verhaal. Een expliciete aanwijzing is wanneer in een horrorverhaal de babysit even de tuin inloopt, vergeet de achterdeur weer op de knip te doen en de camera inzoomt op de grendel. Door deze deur komt straks de griezel naar binnen. Een ander voorbeeld is wanneer in een science fiction verhaal een leek het laboratorium betreedt, zich laat voorlichten over de deeltjesversneller en te horen krijgt onder welke extreme omstandigheden het ding zou ontploffen. Wedden dat er straks iets gebeurt waardoor alles de lucht in dreigt te gaan? Johnson zet daartegenover een aflevering van E.R. waarbij in één van de verhaallijntjes achteloos wordt opgemerkt dat een hersendode patiënt de zeldzame bloedgroep AB heeft. Pas veel later in de aflevering blijkt de relevantie ervan, wanneer in een andere verhaallijn de lever van een patiënte het begeeft en zij ook bloedgroep AB blijkt te hebben.

Johnson denkt dat de toename in de intelligentie van het massa-amusement iets te maken heeft met de toename van het gemiddelde IQ. Als we eenmaal volwassen zijn, stopt het IQ met groeien; volwassenen worden met het verstrijken der jaren wel wijzer, maar niet slimmer. Maar per generatie worden we wel steeds intelligenter. Vanaf 1932 is de intelligentie van de gemiddelde negentienjarige Nederlander met zo'n 25 IQ-punten toegenomen - dat is meer dan het verschil in intelligentie tussen een vmbo- en een havo-leerling. Een vergelijkbare toename van de intelligentie zien we in alle andere welvarende landen waar de scores op intelligentietests van verschillende generaties zijn vergeleken, bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Denemarken en Japan. Een halve eeuw geleden scoorde een gymnasiumleerling vaak slechter op intelligentietests dan een hedendaagse havist op dezelfde tests. Er gebeurt dus iets in de eerste twintig levensjaren waardoor de jeugd van tegenwoordig slimmer is dan de jeugd van vroeger.

James Flynn, hoogleraar politicologie in Nieuw-Zeeland, vestigde vijfentwintig jaar geleden voor het eerst de aandacht op de raadselachtige toename van de IQ-scores. Tot nu toe zijn verschillende verklaringen onderzocht voor de toename in intelligentie (die men naar haar ontdekker het Flynn-effect heeft genoemd), maar geen enkele is afdoende. In 1932 waren veel negentienjarigen in armoede opgegroeid en schoten de voeding en gezondheidszorg waarover ze konden beschikken naar hedendaagse normen vaak tekort. Dergelijke ontberingen zijn slecht voor de hersenen en drukken het IQ naar beneden. Een halve eeuw later was vrijwel iedere jonge Nederlander in relatieve welvaart opgegroeid. Die gunstige omstandigheden zouden er, volgens de Amerikaanse intelligentie-expert Arthur Jensen, voor hebben gezorgd dat jonge Nederlanders (negentienjarigen) in 1982 zes IQ-punten slimmer waren dan hun leeftijdgenoten in 1932. Maar in werkelijkheid was de lichting van 1982 twintig punten intelligenter dan de negentienjarigen van 1932. Er is dus een stijging van veertien punten die we niet kunnen verklaren uit de toegenomen welvaart. Momenteel eten we niet beter dan in 1982 en zijn ook niet gezonder, maar het IQ blijft nog steeds stijgen.

In 1932 gingen arbeiderskinderen vaak meteen na de lagere school aan het werk. De introductie van langdurig onderwijs voor iedereen kan het gemiddelde IQ iets hebben verhoogd. De leerlingen leren omgaan met symbolen (cijfers, letters, muzieknoten) en maken bij veel vakken kennis met systematiek, bijvoorbeeld bij rekenen, grammatica, en de chronologie en oorzaak en gevolg van historische gebeurtenissen. Die langdurige oefeningen helpen bij het oplossen van de puzzeltjes van de IQ-tests, vooral bij leerlingen die van nature niet gezegend zijn met een groot vermogen probleempjes op te lossen. Maar als een leerling eenmaal die basisvaardigheden onder de knie heeft, kunnen extra jaren op school alleen zijn kennis, maar niet zijn IQ vergroten. Er zijn tot nu toe geen lesmethoden of onderwijsvernieuwingen ontdekt die een positieve invloed op het IQ hebben. Dus kunnen we ervan uit gaan dat het effect op het nationale IQ van een algemene leerplicht tot 16 jaar enige tijd na de invoering ervan zou moeten zijn uitgewerkt.

Een derde verklaring van het Flynn-effect is dat iedere nieuwe generatie scholieren beter is getraind op het maken van IQ-tests dan de vorige. De betere score zou dan schone schijn zijn. "Maar," zegt Arthur Jensen, "dan zou de IQ-test de intelligentie van een twintigjarige sollicitant overschatten en die van een vijftigjarige sollicitant onderschatten. Daarvoor bestaat geen enkele aanwijzing."

Genetische aanleg heeft ook een grote invloed op het IQ. Als geniën veel kinderen krijgen en domoren weinig, worden genen voor een hoge intelligentie in een volgende generatie steeds algemener. Het gemiddelde IQ in ons land zou dan per generatie stijgen, zelfs al zouden de omgevingsomstandigheden (zoals voeding, gezondheidszorg en onderwijs) niet verbeteren. Maar het is helemaal niet zo dat intelligente mensen de meeste kinderen krijgen. Integendeel: ouders met een benedengemiddeld IQ krijgen bovengemiddeld veel kinderen. In aanleg zijn we dus niet slimmer dan een halve eeuw geleden en er moet dus een raadselachtige omgevingsfactor zijn die ervoor zorgt dat we op het gebied van het IQ het maximale eruit halen van wat er van nature in zit.

Is de massacultuur verantwoordelijk voor het Flynn-effect? Of is het verband omgekeerd: zijn videospelletjes en tv-series ingewikkelder geworden omdat we met ons hoge IQ hogere eisen stellen aan het amusement? In 1932 waren radio, bioscoop en stripverhalen de media van de massacultuur en dat zou nog ruim twintig jaar zo blijven. Die drie media zorgden voor een enorme verrijking van de zintuiglijke ervaringen. Maar men kon ze tamelijk passief consumeren. Daarom is het waarschijnlijker dat de toename van het IQ in die periode eerder te maken had met betere voeding en gezondheidszorg en algemeen onderwijs. De theorie van Johnson lijkt beter geschikt om de toename van het IQ in de afgelopen kwart eeuw te verklaren, toen de massacultuur de consument de kans gaven een veel actievere rol te spelen. Johnson vermoedt dat de consument slim genoeg was geworden om ingewikkelde spellen en programma's te waarderen en de volgende generatie dankzij die spellen en programma's nog slimmer wordt.

Door ons evolutionair verleden als jager en verzamelaar en hypersociaal dier zijn onze hersenen erop ingesteld om een omgeving te verkennen en doorgronden: waar zijn de voedselbronnen, de gevaarlijke plekken, de vijanden, de bondgenoten, de vluchtroutes enzovoort. En vooral: hoe kan ik die omgeving en de wezens die erin leven optimaal benutten om te overleven en te floreren. Voor ieder opgelost probleem geven de hersenen een stoot dopamine als beloning en die motiveert om door te gaan met 'spelen' en een hoger niveau te bereiken. Het zou best kunnen dat hierdoor nieuwe neurale circuits ontstaan en de intelligentie toeneemt.

Videogames spelen optimaal in op het beloningssysteem van de hersenen - daarom zijn ze zo verslavend. Een videogame is niet een spel zoals kinderen in de jaren vijftig of zestig speelden. Monopoly, Mens erger je niet of dammen hebben spelregels die je kent als je gaat spelen. Bij een videospel moet je al spelende achter de regels zien te komen. Het spel is ontworpen om niet direct begrepen te worden. De spelers moeten als amateur-wetenschappers hypothesen ontwikkelen over hoe de wereld die ze verkennen in elkaar zit, die in de praktijk toetsen, eventueel verwerpen en weer nieuwe bedenken. Soms moet je zelfs de regels breken om een beloning te krijgen. Een mooi voorbeeld is GTA San Andreas. Eind vorige maand werd bekend dat de speler door te knoeien met de software virtuele seks kan bedrijven met een naakte vrouw. Zelfs zonder seks kan een moderne videogame veertig uur duren. De speler wordt geconfronteerd met allerlei problemen, die hij nooit één voor één of gelijktijdig kan oplossen. Hij moet een hiërarchie in de problemen aanbrengen en een strategie verzinnen.

Ook televisie gaat steeds meer lijken op kunstmest voor het brein. In plaats van een lineaire voorstelling waarbij je je afvraagt hoe het afloopt, krijg je een complexe omgeving en een netwerk van relaties voorgeschoteld waarbij je je afvraagt hoe alles in elkaar zit en volgens welke regels het spel wordt gespeeld. Dat is geen passieve consumptie meer, maar actief denkwerk.

De tijd zal leren of Johnson gelijk heeft. Zijn vierjarig zoontje speelt 's ochtends rechtstreeks uit bed interactieve spelletjes op de website van Sesamstraat. Hij is al een 'game boy' voordat hij kan lezen of schrijven. Nu nog even afwachten of hij intelligenter wordt dan zijn vader.

Marcel Roele

HP/De TijdDit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd.

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage www.marcelroele.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl