Indirecte discriminatie

Door Bart Croughs

11 juli 2006

Yvonne Kroonenberg, modern feministe, schrijft in haar boekje Kan ik hem nog ruilen dat vrouwen nog steeds niet evenveel verdienen als mannen; dit komt volgens haar door de vuige werkgevers: die `proberen de gelijkstelling uit alle macht te saboteren' (blz. 7).

Deze misvatting is in progressieve kringen vrij wijd verbreid.

Hoe kan men nu weten dat hier sprake is van een misvatting? In de eerste plaats maakt het feministische klimaat in Nederland het bijzonder onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat vrouwen voor hetzelfde werk minder betaald krijgen dan mannen. De bij de wet geregelde gelijkheid van mannen en vrouwen is al zodanig doorgeslagen dat werkgevers zelfs wordt verboden vrouwen af te wijzen op grond van zwangerschap.

Mannen, zo luidt de redenering, worden nooit afgewezen op grond van hun zwangerschap, vrouwen wel, en dus is hier sprake van pure discriminatie van de vrouw. Het feit dat dit soort lachwekkende redeneringen door wetgevende en rechterlijke macht worden gehanteerd, toe te schrijven aan de hoeveelheid vrouwen die de laatste jaren zijn doorgedrongen tot deze kringen, is naar alle waarschijnlijkheid niet terecht: de hoogste rechters en belangrijkste wetgevers zijn bijna allemaal mannen. –

Natuurlijk is van discriminatie op grond van geslacht geen sprake; discriminatie vindt hier plaats op grond van zwangerschap. En ja, mannen worden nu eenmaal niet zwanger; zoals wel vaker blijkt de natuur de seksistische boosdoener. We hebben hier dus te maken met, om de loze modeterm maar te gebruiken, `indirecte discriminatie'. Een onzinnig begrip, maar daarover later meer.

Zonder het wetboek te raadplegen is dus duidelijk dat ongelijke betaling voor hetzelfde werk bij de wet verboden is. Natuurlijk blijft de mogelijkheid bestaan dat de wet op grote schaal wordt ontdoken door overheid en bedrijfsleven. Maar als dit zo is, dan is het moeilijk in te zien waarom de feministes niet voortdurend bezig zijn processen aan te spannen om dit schandelijke onrecht uit te bannen.

Nu is het zo dat er sporadisch een proces wordt aangespannen wegens vermeende discriminatie. De laatste grote zaak vond in 1992 plaats: vrouwelijk personeel van de KLM meende minder betaald te krijgen dan mannelijke collega's die hetzelfde werk verrichtten. De dames werden weliswaar in het gelijk gesteld, maar de rechter vermeldde er uitdrukkelijk bij dat het een geval van `indirecte discriminatie' betrof.

Alle reden dus om dit foute begrip wat nader onder de loep te nemen. Het begrip `indirecte discriminatie' ontstond op het moment dat alle discriminatie verboden werd. Omdat feministes toch nog wat te klagen wilden hebben - zonder discriminatie geen reden tot klagen, en zonder klagen verliest het leven voor deze dames zijn zin - werd het begrip `indirecte discriminatie' uitgevonden. Dit begrip is zo rekbaar dat men nog eeuwen kan doorgaan met klagen; in feite is er geen enkele wet of regel te bedenken die niet op de een of andere manier `indirect' discrimineert.

Wat onder `indirecte discriminatie' wordt verstaan kan het best worden duidelijk gemaakt aan de hand van een voorbeeld. Omdat agenten regelmatig met fysiek geweld moeten ingrijpen, is het voor een agent handig om groot en sterk te zijn. Politieagenten worden dus onder meer geselecteerd op lengte. Vrouwen zijn gemiddeld een stuk kleiner dan mannen, en dus is hier weliswaar geen sprake van directe discriminatie van vrouwen, maar wel van `indirecte discriminatie': vrouwen maken veel minder kans aan de eisen te voldoen dan mannen. Indirecte discriminatie is verboden, dus: de eisen die aan vrouwen worden gesteld, gaan omlaag, net zo lang tot vrouwen evenveel kans maken als mannen. Nu is het verlagen van functie-eisen om zogenaamde discriminatie te voorkomen op zich al absurd genoeg; een verdere `reductio ad absurdum' zou eigenlijk niet nodig hoeven te zijn. In het feministische Nederland van vandaag is dit helaas wel nodig.

Daar gaan we dan. Er zijn in Nederland wetten die het verbieden te stelen, in te breken, te mishandelen en te moorden. Er zijn bepaalde bevolkingsgroepen (jongeren, mannen, buitenlanders) die door deze wetten veel zwaarder getroffen worden dan andere bevolkingsgroepen. Dit is weliswaar geen directe discriminatie, maar wel indirecte discriminatie. De indirecte discriminatie van jongeren zal de doorsnee-intellectueel koud laten, de indirecte discriminatie van mannen zal hij toejuichen, maar hij kan het toch onmogelijk goedkeuren dat juist de buitenlanders, die het toch al zo moeilijk hebben in Nederland, door deze discriminerende wetten nog eens extra worden gepakt. De wetten die stelen et cetera verbieden, dienen dus meteen te worden afgeschaft. - Ander voorbeeld: werkgevers die voor een openstaande vacature een universitaire opleiding eisen, moeten hard worden aangepakt: wederom worden buitenlanders door zo'n eis, zij het indirect, gediscrimineerd. Et cetera, et cetera.

Kortom, hoewel `indirecte discriminatie' door de gemiddelde intellectueel voor een heel zinnig begrip wordt gehouden, is het slaande waanzin.

Terug naar het ongelijke-lonen-verhaal. Als Yvonne Kroonenberg en haar progressieve broeders en zusters met hun gezeur over gediscrimineerde vrouwen naar `indirecte discriminatie' verwijzen, hebben ze gelijk, maar dan slaan ze tevens onzin uit. Bedoelen ze met discriminatie echte (`directe') discriminatie, dan dringt de vraag zich op: als bedrijfsleven en overheid zich op grote schaal schuldig maken aan `echte', `directe' discriminatie, waarom gaan de sporadische processen die gevoerd worden dan over `indirecte', `onechte', `onzinnige', `met-de-haren-erbij-gesleepte', `alleen-maar-wat-te-klagen-willen-hebben'-discriminatie?

Bart Croughs

Over de auteur

Bart Croughs (1966) is een van de vruchtbaarste libertarische geesten van Nederland. Hij is afgestudeerd in de filosofie en was voorheen hoofdredacteur van het tijdschrift "Reactie".

Bart Croughs schreef het boek "In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon". U kunt het bestellen bij Lulu.com of delen ervan hier lezen. Het is een humoristische en felle aanval op het links intellectuele denken in Nederland en legt op zeer leesbare wijze de inconsequenties ervan bloot.

Verder schreef hij voor Playboy zijn eigen column in de periode van maart 1997 tot en met augustus 1998. Gedurende enkele jaren had Croughs een column in het opinieweekblad HP/de Tijd.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl