Ter Verdediging van het Consumentisme

Door Lew Rockwell

29 mei 2006

Ik begin te denken dat de denigrerende term ‘consumentisme’ niets anders betekent dan vrijheid op de markt.

Het is waar dat de vrije markt dag in dag uit goederen, diensten en technologische doorbraken levert. En mensen beweren wel dat ze zo overspoeld worden door de technologische vooruitgang dat ze het niet meer willen. Maar we menen het niet echt. Niemand wil geen toegang meer hebben tot het internet, en we willen het zelfs sneller en beter en met meer variatie. We willen liedjes, films en documenten over elk mogelijk onderwerp downloaden. Er is nooit te veel informatie wanneer we naar iets specifieks op zoek zijn.

En dat is nog niet alles.

We willen betere verwarming en air conditioning in onze huizen en bedrijven. We willen meer variatie aan voedsel, wijn, schoonmaakproducten, tandpasta, en scheermesjes. We willen toegang tot een volledig assortiment aan meubels. Als iets stuk gaat willen we het materiaal om het te repareren. We willen verse bloemen, verse vis, vers brood en nieuwe auto’s met steeds nieuwe features. We willen dat onze pakketjes binnen 24 uur bezorgd worden, goede technologie support, en de nieuwste mode uit de hele wereld.

De bibliotheken gaan online, net als de kunst. De commercie heeft de overgang gemaakt. Elke dag gaan er nieuwe werelden voor ons open. Telefoneren wordt gratis. We kunnen met iedereen ter wereld contact maken door ‘instant messaging’, en e-mail is het medium geworden dat alle communicatie mogelijk maakt. We danken onze oude televisiekasten en vaste telefoons af – de symbolen van het 20e-eeuwse leven – en krijgen er informatietechnologie die veruit superieur is voor terug.

We willen snelheid. We willen draadloosheid. We willen toegang. En verbeteringen. Schoon en gefilterd water moet uit onze koelkasten stromen. We willen energiedranken, sportdranken, bubbeldranken, fruitdranken en ondergronds bronwater uit Fiji. We willen huizen. We willen veiligheid en bescherming. We willen service. We willen keuzes.
 

De competitie op de vrije markt is in feite niets anders dan entrepreneurs en kapitalisten die over elkaar heen vallen om de harten en geesten van het consumerende publiek te winnen.
En het mooie is: we krijgen al deze zaken ook! Hoe? Door die ongelooflijke machine van productie en distributie die we de vrije markt noemen, en die in feite niets anders is dan miljarden mensen die samenwerken en innoveren om hun eigen leven te verbeteren. Er is geen dog-eat-dog. De competitie op de vrije markt is in feite niets anders dan entrepreneurs en kapitalisten die over elkaar heen vallen om de harten en geesten van het consumerende publiek te winnen.

Natuurlijk, het is makkelijk om naar dit alles te kijken en uit te roepen: walgelijk consumentisme! Maar als we met ‘consumeren’ bedoelen dat we met ons eigen geld producten en diensten inkopen om onze menselijke conditie te verbeteren, wie is dan niet schuldig?

In de hele geschiedenis van het denken over maatschappijen heeft men geprobeerd een systeem te vinden dat goed is voor de gewone man, en niet enkel voor de elites, de heersers en de machtigen. Met de komst van de markteconomie en zijn kapitalistische structuur werd dat systeem eindelijk gevonden. Met het ontstaan van de economische wetenschap gingen we begrijpen hoe het systeem werkt. We begonnen te zien dat door de miljarden ongeplande economische keuzes samen een prachtig globaal systeem van productie en distributie ontstond dat voor iedereen goed was. En hoe reageerden de intellectuelen hierop? Door te zeggen dat het kapitalisme teveel dingen geeft aan teveel mensen.

In de hele geschiedenis van het denken over maatschappijen heeft men geprobeerd een systeem te vinden dat goed is voor de gewone man, en niet enkel voor de elites, de heersers en de machtigen. Met de komst van de markteconomie en zijn kapitalistische structuur werd dat systeem eindelijk gevonden.
Maar is het niet zo dat mensen overbodige dingen kopen, dingen waar ze ook goed zonder zouden kunnen? Vanzelfsprekend. Maar wie bepaalt wat een behoefte is en wat enkel een wens? Een alwetende dictator? Hoe kunnen we weten dat zijn wensen in overeenstemming zijn met jouw en mijn behoeftes? Het is sowieso het geval dat in een markteconomie behoeftes en wensen met elkaar verbonden zijn zo dat voor de essentiële behoeftes van de één wordt gezorgd juist doordat in de wensen van de ander wordt voorzien.

Hier is een voorbeeld.

Stel dat mijn kleinkind ernstig ziek is. Ik wil zorgen dat ze bij een dokter komt. De kliniek voor spoedgevallen is laat open, net als de apotheek ernaast. Ik ben er in een mum van tijd geweest om de medicijnen en andere materialen te halen die mijn kleindochter weer gezond maken. Niemand zou zeggen dat dit een oppervlakkige wens is.

Maar de enige manier waarop de kliniek zo laat open kan blijven is doordat haar kantoren in een winkelcentrum zitten waar de huur laag en de toegankelijkheid hoog is. Het onroerend goed wordt gedeeld met snoepwinkels, sportwinkels waar je duikspullen kunt kopen, een biljartcafe, en een winkel gespecialiseerd in feestartikelen – dus allemaal winkels die ‘oppervlakkige’ dingen en diensten verkopen. Maar ze betalen allemaal de huur. En de projectontwikkelaar zou het winkelcentrum niet gebouwd hebben als deze winkels er niet waren geweest.

Hetzelfde geldt voor het meubilair en de apparatuur en de arbeid die worden gebruikt in de kliniek. Deze zijn goedkoper en toegankelijker dan ze anders zouden zijn juist door de grootte van de niet-essentiële consumptieartikelen. De computers die ze gebruiken zijn snel en up-to-date juist doordat technici en entrepreneurs ze ontworpen hebben om aan de wensen van ‘gamers’, gokkers en mensen die het internet gebruiken om dingen te doen die ze niet zouden moeten doen, tegemoet te komen.
 
Bij elk product of elke dienst die je als absoluut essentieel ziet zul je zien dat het diensten, producten en technologieën gebruikt die eerder werden ontwikkeld om aan meer oppervlakkige wensen tegemoet te komen.
Hetzelfde kan gezegd worden van de luxe-goederen en de allernieuwste technologische snufjes. De rijken kopen deze als eerste en gebruiken ze totdat de fouten eruit zijn, de imitatoren wakker zijn geworden en de kapitalisten goedkopere leveranciers hebben gevonden, waarna de prijzen in rap tempo dalen en dezelfde technologie voor eenieder toegankelijk wordt. Daarnaast is het zo dat het de rijken zijn die geld geven aan liefdadigheid, aan kunst en religie. Zij zorgen voor het kapitaal dat nodig is voor investeringen. Bij elk product of elke dienst die je als absoluut essentieel ziet zul je zien dat het diensten, producten en technologieën gebruikt die eerder werden ontwikkeld om aan meer oppervlakkige wensen tegemoet te komen.

Wellicht ben je van mening dat de kwaliteit van leven niet zo belangrijk is. Maakt het echt wat uit of mensen toegang hebben tot enorme supermarkten, drogisterijen en technologie? Een deel van het antwoord wordt gegeven door de natuurrechttheorie: mensen zouden gewoon vrij moeten zijn om die dingen te kiezen en kopen die zij willen. Maar een ander argument ligt begraven onder data waar we niet vaak aan denken.

Denk bijvoorbeeld eens aan de levensverwachting in het consumptietijdperk. In 1900 werden vrouwen gemiddeld 48 jaar, en mannen 46. En vandaag? Vrouwen worden gemiddeld 80 en mannen 77. Dit is het resultaat van een betere voeding, minder gevaarlijke banen, verbeterde sanitatie en hygiëne, verbeterde toegang tot gezondheidszorg, en het hele scala aan factoren die bijdragen aan wat we onze levensstandaard noemen. Vanaf 1950 alleen al is de kindersterfte met 77 procent gedaald. Als gevolg hiervan groeit de bevolking exponentieel.

Het is makkelijk om naar deze statistieken te kijken en te denken dat we hetzelfde hadden kunnen bereiken met een centraal plan voor de gezondheidszorg, terwijl we dan het walgelijke consumentisme dat ermee gepaard gaat hadden kunnen vermijden. Maar zo’n centraal plan is uitgeprobeerd in socialistische landen en de resultaten in levensverwachtingcijfers laten precies het tegenovergestelde zien. Terwijl de Sovjets de voortdurende armoede temidden van het op hol geslagen consumentisme in Amerika veroordeelden, werd onze armoede juist teruggedrongen en onze levensverwachting verlengd, voor een groot deel dankzij het consumentisme waarom we veroordeeld werden.

Tegenwoordig wordt ons verteld dat consumeren esthetisch verwerpelijk is en dat we ernaar zouden moeten streven om terug naar de natuur te gaan, ophouden om overal zomaar rond te rijden, een composthoop te maken, onze eigen groenten te verbouwen, de stekkers uit onze computers te trekken en noten uit bomen te eten. Dit verlangen naar het primitieve is niets meer dan een poging om de onvermijdelijke resultaten van het socialisme in een positief licht te zetten. Ze vertellen ons dat we van armoede zouden moeten houden en welvaart zouden moeten haten.

Maar het mooie van de vrije markt is juist dat het iedereen een keuze geeft. Voor die mensen die een hutje op de hei prefereren boven een huis dat aangesloten is op de riolering, die liever hun eigen tanden trekken dan het door een tandarts te laten doen, en die liever noten uit een boom eten dan een blik met noten bij de Wal-Mart kopen, zij hebben ook de keuze om voor zo’n soort leven te kiezen. Maar laat ze niet zeggen dat ze tegen het ‘consumentisme’ zijn. Om überhaupt te kunnen leven moeten we kopen en verkopen. Als je tegen commercie bent, ben je tegen het leven zelf.

Lew Rockwell

Over de auteur

Lew Rockwell is oprichter en president van het Mises Institute en hoofdredacteur van de website Lewrockwell.com.

Rockwell speelde, samen met bijvoorbeeld Rothbard, een hoofdrol in de 'revival' van de Oostenrijkse School economie, en van de politieke opvattingen van 'the old right'.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl