De progressief als onderdrukker en slachtoffer

Door Bart Croughs

19 april 2006

Het gedrag waarmee progressieve intellectuelen indruk proberen te maken, is erg paradoxaal.

Ze werpen zich in het stof, beschouwen zichzelf als uiterst verwerpelijk en zondig, roepen bij iedere gelegenheid die zich voordoet: `Wij zijn onderdrukkers! Onrechtvaardig! Egoïstisch! Weg met ons! Wee degeen die met ons in aanraking komt!'

Ze hebben een eeuwig schuldgevoel voor wat hun verre voorouders allemaal aan onrecht hebben aangericht, van hun goede eigenschappen willen ze absoluut niets horen; ook nu nog beschouwen ze hun vaderland als verwerpelijke uitbuiter en onderdrukker, schuldig aan al het leed van de rest van de wereld.

Dit lijkt op het eerste gezicht allemaal erg bescheiden, maar het verraderlijke is dat al deze uitingen van schuldbewustzijn tegelijkertijd een vorm van opschepperij zijn. De progressief zegt niet alleen: `kijk eens wat voor onderdrukker ik ben'; zijn eigenlijke, verborgen boodschap luidt: `kijk eens hoe beschaafd ik ben dat ik mijn schuld eerlijk toegeef! Zo slecht ben ik nu dus ook weer niet! Integendeel, eigenlijk ben ik goed en is alleen iedereen die zijn schuld ontkent erg slecht.'

De blanke die roept dat de blanken hun gekleurde medemensen zo schandelijk onderdrukken, laat daarmee luid en duidelijk weten dat hij zelf eigenlijk niet tot de onderdrukkers behoort; zelf is hij goed.
Door opzichtig te pronken met zijn slechtheid, bewijst hij zijn goedheid; zijn schuld slaat om in morele superioriteit. De man die roept dat mannen vrouwen zo schandelijk onderdrukken, geeft daarmee te kennen dat hij zelf eigenlijk niet tot de onderdrukkers behoort; de onderdrukkers, dat zijn de anderen; zelf is hij goed. De blanke die roept dat de blanken hun gekleurde medemensen zo schandelijk onderdrukken, laat daarmee luid en duidelijk weten dat hij zelf eigenlijk niet tot de onderdrukkers behoort; zelf is hij goed. Enzovoorts.

Door slechtheid goed, dat is de progressief als onderdrukker.

Als hij geluk heeft, hoeft de progressief zijn morele superioriteit niet alleen te ontlenen aan zijn rol van onderdrukker, maar kan hij ook de rol van slachtoffer aannemen: homo, allochtoon, vrouw, gehandicapte. Als slachtoffer is hij op een andere manier goed. Niet omdat hij eerlijk zijn schuld bekent, zoals hij als onderdrukker doet, maar zuiver door het feit dat hij slachtoffer is. Het slachtofferschap verleent hem morele puurheid; hij hoeft niets anders te doen dan slachtoffer te zijn van onderdrukking.

Omdat de onderdrukking waaronder het slachtoffer pretendeert te lijden niet bestaat, is hij voortdurend bezig om bewijzen ervan te vergaren. Hoe gebrekkig deze bewijzen ook zijn, het slachtoffer heeft er geen moeite mee om ze geaccepteerd te krijgen; de progressief wil namelijk in zijn rol van onderdrukker niets liever dan de bewijzen van zijn slechtheid in zijn gezicht geworpen krijgen. Hij zoekt zelf ijverig mee naar deze bewijzen; het verschaft hem een pervers soort genot, want op deze manier toont hij zijn eigen goedheid.

De onderdrukker en het slachtoffer zijn dus elkaars noodzakelijke complement; de onderdrukker kan niet zonder het slachtoffer, want het slachtoffer is nodig om de verdorvenheid, dat wil zeggen de goedheid van de onderdrukker aan te tonen. Het slachtoffer op zijn beurt kan niet zonder de onderdrukker, want de onderdrukker is de enige die zijn slachtofferschap, en dus zijn goedheid, erkent. De onderdrukker en het slachtoffer bevinden zich in een symbiotische relatie tot elkaar; een kruisbestuiving van goedheid vindt plaats.

De progressieven nemen altijd meerdere rollen tegelijk op zich. Sommigen spelen alleen maar slachtofferrollen; een zwarte, lesbische moslimvrouw in een rolstoel bijvoorbeeld is vijfvoudig slachtoffer. Anderen spelen alleen maar onderdrukkersrollen; een gezonde blanke heteroseksuele christelijke man bijvoorbeeld is vijfvoudig onderdrukker. Veel progressieven spelen een of meerdere dubbelrollen. Een blanke vrouw bijvoorbeeld speelt als vrouw de rol van het slachtoffer, en als blanke een onderdrukkersrol; twee zielen huizen er in de borst van een dergelijke intellectueel.

Er zijn ook mensen die zich niet in de rol wensen te schikken waarvoor ze vanaf hun geboorte zijn voorbestemd; ze spelen het spel niet mee. Wie voorbestemd is om de rol van onderdrukker te spelen, maar deze rol weigert op zich te nemen, wordt uit de progressieve gemeenschap gestoten. Hij wordt `reactionair' of `fascistisch' genoemd.

Men zou kunnen denken dat hij een bedreiging vormt voor het systeem, maar dit is niet het geval. Integendeel, de onderdrukker heeft de reactionair even hard nodig als hij het slachtoffer nodig heeft, want de reactionair vormt door zijn slechtheid een bevestiging van de goedheid van de intellectueel die zijn onderdrukkersrol wel op zich neemt.

Een bijzondere plaats in het progressieve rollenspel wordt ingenomen door diegenen die hun rol van slachtoffer braaf meespelen, maar hun rol van onderdrukker verwerpen. Enerzijds goed, anderzijds reactionair. Een treffend voorbeeld van deze categorie wordt gevormd door Gerard Reve, die als homo zijn rol van slachtoffer met veel overgave speelt, maar die als blanke zijn rol van onderdrukker vol walging van zich afwerpt. Door dit soort mensen raakt de progressief behoorlijk van de kook. Wat moet hij aan met deze lui? Hoe moet hij ze plaatsen?

Maar pas echt benauwd krijgt de progressief het als diegenen die voorbeschikt zijn voor de slachtofferrol weigeren mee te spelen. De onderdrukker is dan zijn noodzakelijke complement kwijt, en kan zijn goedheid dus niet meer tonen; hij kan hierdoor makkelijk in een existentiële crisis raken. Het slachtoffer is evenzeer ontredderd, want hij wordt te kijk gezet als een ordinaire oplichter.

Een voorbeeld: de Aziaten in het Westen zijn door hun huidkleur voorbestemd om de rol van slachtoffer te spelen, maar wijzen deze rol bot af. Margaret Thatcher, die nooit een woord sprak over `de achterstandssituatie' van vrouwen, is een ander voorbeeld. Het is met dergelijke overtreders van de intellectuele regels dat de progressief werkelijk in zijn maag zit. Geen aandacht aan besteden en hopen dat niemand anders er aandacht aan besteedt, dat is het enige dat hij kan doen.

Bart Croughs

Over de auteur

Bart Croughs (1966) is een van de vruchtbaarste libertarische geesten van Nederland. Hij is afgestudeerd in de filosofie en was voorheen hoofdredacteur van het tijdschrift "Reactie".

Bart Croughs schreef het boek "In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon". U kunt het bestellen bij Lulu.com of delen ervan hier lezen. Het is een humoristische en felle aanval op het links intellectuele denken in Nederland en legt op zeer leesbare wijze de inconsequenties ervan bloot.

Verder schreef hij voor Playboy zijn eigen column in de periode van maart 1997 tot en met augustus 1998. Gedurende enkele jaren had Croughs een column in het opinieweekblad HP/de Tijd.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl