Achterhaald proza

Door Redactie

17 maart 2006

Of een schrijver werkelijk iets te vertellen heeft, of hij echt meer inzicht heeft dan de massa, kan nooit zo makkelijk worden beoordeeld als wanneer hij in zijn boeken onderwerpen aan de orde stelt die in de mode zijn. Is zijn visie op deze onderwerpen dezelfde als die van de rest van intellectueel Nederland, dan is de schrijver in kwestie een doorsnee-hoofd.

Nu zijn de meeste mensen helaas niet in staat te beoordelen wanneer er sprake is van een mode. De oplossing voor hen is om ieder `actueel' boek na lezing tien jaar te laten liggen, en het dan nog eens in te kijken. Er wordt dan wat nuchterder tegen het onderwerp aangekeken, zodat de modieuze armoede van het boek niet meer alleen voor de enkeling, maar voor iedereen duidelijk zichtbaar is.

Voorbeelden van dergelijke boeken vormen onder andere De Aanslag van Mulisch en Joab van Hellema, beide begin jaren tachtig verschenen, en beide onderwerpen behandelend waarover men zich destijds erg druk maakte.

In De Aanslag wordt onder meer de grote protestdemonstratie tegen de kernwapens begin jaren tachtig bezongen. De aanvankelijk sceptische hoofdpersoon wordt gedwongen mee te lopen in de demonstratie en ziet dan het licht. Mulisch rept van `een zoet gevoel' dat de hoofdpersoon `tot zijn verbazing plotseling verbond met alles wat er gaande was in de stad [...] Wat hem opeens aanging waren al die mensen hier, hun pure aanwezigheid, en hij en zijn zoon twee van hen.' (Over het kreupele Nederlands van Mulisch zal ik hier zwijgen.) `Hij was niet meer bij zichzelf, maar bij al die mensen. Ondanks het kabaal hing een grote stilte over hen heen [...] De hele maatschappij stond kennelijk op losse schroeven [...] - er was langzamerhand iets ongelooflijks aan de gang.'

Harry MulischKortom, domme massahysterie beschreven als metafysisch gebeuren.

Zoals vaker wist Harry met zijn lofzang feilloos de geest van zijn tijd te verwoorden; het boek werd dan ook als een meesterwerk binnengehaald. De progressieve intellectueel herkende zijn eigen modieuze gedachtengoed en kon zich al lezend een groot denker wanen.

Maar dezelfde intellectueel die nu het boek nog eens leest, wacht een onaangename verrassing. Oude wanen zijn inmiddels verdwenen; de liefde voor het communisme is bekoeld, de afkeer van Amerika afgenomen. Ook vooruitstrevende denkers beseffen nu dat juist de bewapening van het Westen tot de ondergang van het communistische bewind heeft geleid, dat niet meer de middelen bezat om de race vol te houden; en ze weten nu ook dat de door Moskou gefinancierde protestdemonstraties er hooguit toe hebben bijgedragen dat het dictatoriale regime in de Sovjet-Unie wat langer in het zadel kon blijven, en de Koude Oorlog onnodig werd verlengd. De lofzang van Mulisch maakt ineens een merkwaardige indruk. Niet meer progressief, maar achterhaald. De gemiddelde Telegraaf-lezer had het beter gezien dan het grote brein Mulisch. De progressieve lezer krabt zijn kop. Had hij dit boek indertijd werkelijk zo bewonderd? Pijnlijk, pijnlijk.

Men kan zich afvragen waarom Mulisch, nu de waan van de dag geweken is, en het feilen van zijn proza voor het hele intellectuele volkje zichtbaar is, niet de pijnlijkste passages herschreven heeft. Ik weet het niet. In ieder geval is deze koppigheid een trekje van Mulisch dat ik wel kan waarderen. Alle onzinnige opvattingen die hij ooit, bewogen door de waan van de dag, heeft uitgekraamd, blijft hij trouw. Ook op zijn verering voor Castro, Honecker et cetera weigert hij terug te komen. Mulisch is niet gewoon fout, zoals de gemiddelde intellectueel, hij is consequent fout. En dat verheft hem, evenals de nazi die nog steeds geen kwaad woord over Hitler wil horen, toch boven de massa.



Een veel minder succesvol, maar niet minder modieus boek verscheen destijds over `de werkeloosheid als maatschappelijk probleem' zoals de achterflap van de roman Joab vermeldt. Werkloosheid was in die dagen - na de kernwapens - de ergste ramp die de mens kon overkomen; iemand zonder werk was reddeloos verloren, zijn leven had geen enkele zin meer. Zo ongeveer dacht men over werkloosheid.

HellemaDe vermindering van de werkloosheid die sindsdien is opgetreden is voornamelijk aan veranderende definities te danken. Toch wordt werkloosheid tegenwoordig minder als een brandend probleem beschouwd. Milieu, criminaliteit en allochtonen zijn inmiddels minstens even grote problemen. Bovendien is de probleemstelling veranderd. Van de werklozen die door de arbeidsbureaus werk krijgen aangeboden, geeft een flink deel niet thuis: ze prefereren de `gruwelijke zinledigheid' van hun werkloze bestaan. Nogal wat werklozen hebben het kennelijk beter naar hun zin dan de opinieleiders indertijd durfden te denken. Een beetje frauderen, een beetje wit of zwart bijverdienen, en je hebt toch een aardig inkomen. Bovendien kun je de hele dag doen waar je zelf zin in hebt, en hoef je je bestaan niet meer te vergooien als loonslaaf in een of andere treurig kantoorbaantje van acht tot vijf.

Het probleem is tegenwoordig dan ook geworden: hoe pakken we de fraude aan? En: hoe zetten we de luierende werklozen aan het werk? Ze brengen hun dag door op de terrasjes, wekken zo de afgunst van de kantoorklerken die zich intussen moeten afsloven om hen te onderhouden, en ondermijnen op die manier de arbeidsmoraal.

Dergelijke problemen bestonden destijds niet in de hoofden van de intellectuelen - en dus ook niet in het boek van Hellema.

Het is bijzonder amusant om Joab nog eens door te bladeren en de oude wanen nog eens op te snuiven. Op de eerste bladzijde is het al meteen raak: de werkloosheid wordt uitgebreid vergeleken met de Zwarte Dood (de pest). Werkloosheid is - of liever: was - in de ogen van Hellema de Witte Dood. Een onzinnige term, want de pest werd de zwarte dood genoemd omdat het lichaam van de pestlijder met zwarte vlekken werd bedekt. En wat heeft `wit' met werkloosheid te maken? Maar goed, indertijd werd dit ongetwijfeld `een prachtige metafoor' gevonden, die `het lijden van onze tijd indringend weergeeft'.

`Nog zijn de slachtoffers niet onaanraakbaar geworden, nog zijn de werkelozen nauwelijks te onderscheiden. De merktekens van ondervoeding en afgedragen kleren zijn nog niet aangebracht. Maar zodra deze zichtbare symptomen optreden, zal de zelfbesmetting van de groep hen afzonderen van de anderen, die zullen wegtrekken naar een antiseptische omgeving, de lijders achterlatend in het slop.' Aldus profeteerde Hellema, het schuim op de lippen. Nou ja, de profetie kan nog altijd in vervulling gaan, zullen we maar denken. Hij noemde tenslotte, zoals alle goede profeten, geen jaartal waarin deze ramp zich zou voltrekken. Overigens is zijn voorspelling gedeeltelijk wel uitgekomen: werklozen zijn inmiddels goed herkenbaar, zij het niet aan ondervoeding, maar aan het feit dat ze in tegenstelling tot kantoorklerken al vroeg in het voorjaar een gebruind gelaat kunnen tonen. De Bruine Dood, zou een schrijver die van grote woorden houdt 't kunnen noemen.

Wie was volgens Hellema de schuld van het onmetelijk lijden der werkloosheid? U raadt het al: de samenleving (blz. 10). Als Hellema hiermee doelt op socialistische overheidsmaatregelen zoals het algemeen verbindend verklaren van CAO's en een minimumloon van Fl. 30.000 per jaar, dan moet ik het met Hellema eens zijn; maar ik heb zo het donkerbruine vermoeden dat Hellema daar niet op doelt.

En wat deed deze verwerpelijke samenleving? `Geld aftappen van de werkelozen.' Hoe de samenleving erin slaagt geld af te tappen van mensen die niets verdienen legt Hellema niet uit, maar alla, ik zal niet op alle slakken zout leggen. Een paar regels verder schrijft Hellema over de monetaristen, wie hij deze politiek aanwrijft: `Ze leren dat het ruilmiddel (geld) een goed op zichzelf is dat waard is om veel van te hebben en ze delen de mensen weer in kasten in naar de mate van hun bezit; en het woord doet weer opgeld dat wie heeft die zal gegeven worden en van wie niet heeft zal genomen worden dat wat hij nog heeft.' Je vraagt je af waar Hellema zich druk over maakt: als geld toch immers geen `goed op zichzelf is dat waard is om veel van te hebben', waarom is het dan zo erg als dit van de werklozen wordt afgepakt? Het onderwerp grijpt Hellema kennelijk zo aan dat hij helemaal de kluts kwijtraakt.

Niet alleen de inhoud, ook de toon van Hellema's schrijven moet de hedendaagse lezer wel verbazen. De heftigste lyrische krachten worden in Hellema opgeroepen; niet alleen vergelijkt hij werkloosheid met de pest, de monetaristen worden vergeleken met `de hogepriesters van het bloedoffer'. Hun geloof in het geld `is het oude geloof in de mystieke kracht van het bloed, het bloed als wezen en werkelijkheid, dat in een schaal werd rondgedragen en vereerd en geofferd aan een gulzige god.'

Nu denkt men: wat is dit voor bombastische praat, wat stelt die Hellema zich aan, kan het niet wat minder? Maar dit was indertijd nu eenmaal de enige toon die passend was voor het beschrijven van een gruwel als de werkloosheid.

Maar goed, Hellema heeft, anders dan Mulisch, niet de kans gekregen zijn indertijd modieuze maar inmiddels achterhaalde gebral te schrappen. Hem valt dus, behalve dat hij gewoon door blijft schrijven, niet veel te verwijten.

Bart Croughs

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl